ECLI:NL:RBROT:2026:4745

ECLI:NL:RBROT:2026:4745

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-02-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer C/10/704409 / FA RK 25-5909
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Tussenbeschikking na werkzaamheden van bijzondere curator i.h.k.v. contactverlies, art 1:250 BW. Bijzondere curator adviseert contactherstel en blijft betrokken om minderjarigen bij te staan indien nodig. Partijen komen in overleg tot voorlopige omgangsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/704409 / FA RK 25-5909

Beschikking van 11 februari 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat mr. S. Kranendonk te 's-Gravendeel.

In deze zaak treedt als bijzondere curator op:

[naam 1], kantoorhoudende te Rotterdam.

1. De verdere procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

de beschikking van deze rechtbank van 10 oktober 2025;

het verslag van de bijzondere curator van 12 januari 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 2];

de bijzondere curator, [naam 1] (hierna: de bijzondere curator).

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats];

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats];

[minderjarige 3]; geboren op [geboortedatum 3] 2020 te [geboorteplaats].

De man heeft de minderjarigen erkend.

De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.

3. De beoordeling

Omgangsregeling

De man verzoekt een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) vast te stellen, die inhoudt dat de minderjarigen, totdat de man een eigen woning heeft, bij de man verblijven in de ene week op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur en in de andere week op zaterdag op een in nader overleg te bepalen tijdvak. Zodra de man een eigen woning heeft, houdt de regeling in dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen, van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, bij de man verblijven. De man verzoekt de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen, zonder overnachting zolang de man nog geen eigen woning heeft en met overnachting als de man wel een eigen woning heeft, tenzij in onderling overleg anders wordt afgesproken.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

Artikel 1:377a BW bepaalt dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind.

Na het einde van hun relatie hebben partijen afspraken gemaakt over de omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen. Er was in de eerste jaren na het einde van de relatie sprake van een omgangsregeling, waarbij de man ieder weekend bij de vrouw over de vloer kwam en in haar huis tijd doorbracht met de minderjarigen. In 2024 kwam een einde aan deze regeling. De man heeft sinds die tijd geen (structureel) fysiek contact met de minderjarigen gehad. De man heeft enkel incidenteel telefonisch contact gehad met de minderjarigen. Met een vaste regeling wil de man duidelijkheid creëren en niet meer afhankelijk zijn van de vrouw. De vrouw is teleurgesteld in de man. Volgens de vrouw had de man meer interesse moeten tonen om het contact tussen hem en de minderjarigen te herstellen. De man kwam de afspraken volgens de vrouw niet goed na en hield zich niet aan haar regels.

De bijzondere curator heeft in het kader van zijn onderzoek naar het contactherstel met beide partijen en alle minderjarigen gesproken. Uit zijn gesprekken met de minderjarigen is gebleken dat zij alle drie min of meer open staan voor contactherstel met de man. De minderjarigen verwachten daarbij van de man meer inzet en betrokkenheid en willen dat hij het initiatief tot de omgang neemt. Het is voor de minderjarigen verder belangrijk dat de man de afspraken nakomt. De bijzondere curator adviseert op basis daarvan dat in een eerste periode contacten kunnen plaatsvinden van een aantal uur. De man kan met de minderjarigen bijvoorbeeld wat gaan eten. Als deze eerste contacten een aantal maanden goed verlopen, kan deze regeling worden uitgebreid volgens de wensen van partijen en de minderjarigen. De bijzonder curator heeft zijn advies tijdens de mondelinge behandeling aangevuld met het advies aan partijen om ook samen in gesprek te gaan onder begeleiding van een hulpverleningsorganisatie.

Tijdens de mondelinge behandeling is uitvoerig gesproken over de ontstane situatie. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat zij allebei vinden dat er omgang moet zijn tussen de man en de minderjarigen. Het verslag van de bijzondere curator en het gesprek tijdens de mondelinge behandeling heeft geleid tot overeenstemming tussen partijen over een voorlopige omgangsregeling en aanvullende afspraken over de invulling daarvan. De rechtbank neemt deze overeenstemming op in deze beschikking.

Partijen hebben daarnaast samen afgesproken gesprekken te voeren met behulp van hulpverleningsorganisatie Kwadraad. De gesprekken kunnen ervoor zorgen dat partijen zelf afspraken maken over de definitieve omgangsregeling, zonder dat daarvoor een beslissing van de rechtbank nodig is. Daarnaast hebben de minderjarigen de man lang niet gezien en moet het contact worden opgebouwd. Het is onduidelijk hoe de omgang zal verlopen en wat op termijn in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank zal in afwachting van het resultaat hiervan een definitieve beslissing over de omgangsregeling aanhouden.

Ten slotte heeft de bijzondere curator tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij betrokken blijft bij de minderjarigen. Mochten de minderjarigen hieraan behoefte hebben, dan kunnen zij contact met hem opnemen en nogmaals met hem een gesprek voeren.

Proceskosten

Omdat ten aanzien van de omgangsregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4. De beslissing

De rechtbank:

neemt op de onderlinge regeling die partijen over de voorlopige regeling van de uitoefening van het omgangsrecht hebben getroffen, te weten:

de man belt iedere woensdag om 18.15 uur met de minderjarigen, met ingang van woensdag 21 januari 2026;

op 1 februari 2026 is het eerste omgangsmoment tussen de man en de minderjarigen bij de Gebo in Oud-Beijerland. Het tijdstip daarvoor zal door de advocaten worden afgestemd;

daarna vindt elke drie weken op zondag een omgangsmoment plaats, waarbij de man de activiteiten bedenkt en deze activiteiten van tevoren kenbaar maakt aan de vrouw. De tijdstippen zullen in onderling overleg worden afgesproken;

tijdens de omgangsmomenten gelden de volgende afspraken:

 bij de omgangsmomenten zijn de moeder en de zus van de man niet aanwezig;

 er worden geen foto’s van de minderjarigen op sociale media, zoals Facebook, Instagram of Snapchat, geplaatst;

- partijen wenden zich tot hulpverleningsorganisatie Kwadraad om aldaar gesprekken met elkaar te voeren over de verdere uitvoering van de omgangsregeling;

en voordat verder wordt beslist:

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht wordt aangehouden tot 1 juli 2026 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over het verloop van de voorlopige omgangsregeling en de gesprekken van partijen bij Kwadraad en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke manier de verdere procedure moet verlopen.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.P. van Driel, griffier, op 11 februari 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.P. van Driel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?