Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/653213 / FA RK 23-1352
Beschikking van 11 februari 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende op een onbekende woon- of verblijfplaats,
advocaat mr. H.W. Verberkmoes te Rotterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 februari 2023;
het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 3 april 2023;
het verkort proces-verbaal van deze rechtbank van 27 februari 2024;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 2 januari 2026 en 6 januari 2026;
het bericht met bijlage van de man van 2 januari 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
3. De beoordeling
Zorgregeling
De vrouw verzoekt – bij gewijzigd verzoek - een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, waarbij de minderjarige, zolang de man op kamers woont, eens per veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de man verblijft en zodra de man eigen, zelfstandige huisvesting heeft eens per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot zaterdagavond 19.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man steeds zelf aanwezig is en als de man moet werken tijdens de omgangsmomenten brengt hij de minderjarige voor de aanvang van het werk bij de vrouw.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek elke dag telefonisch contact met de minderjarige. De man heeft bij bericht van 2 januari 2026 laten weten akkoord te gaan met de oorspronkelijk door de vrouw verzochte zorgregeling. De vrouw heeft echter op dezelfde datum haar verzoek gewijzigd, zoals hierboven omschreven. De man heeft voor, zover nodig, verzocht zijn zelfstandig verzoek te wijzigen naar het oorspronkelijke verzoek van de vrouw. Dat betekent dat het gewijzigd zelfstandig verzoek van de man als volgt luidt: de man verzoekt elke dag telefonisch contact en dat de minderjarige iedere week van vrijdagavond 18.30 uur tot zondag 20.00 uur bij de man verblijft. Verder verzoekt de man een regeling voor vakanties vast te stellen, waarbij de minderjarige:
in de kerstvakantie in het even jaar de eerste week bij de man verblijft en de tweede week bij de vrouw en in het oneven jaar andersom en in het even jaar op eerste kerstdag bij de man verblijf en op tweede kerstdag bij de vrouw en in het oneven jaar andersom;
in de voorjaarsvakantie bij de vrouw verblijft;
in de meivakantie van twee weken de ene week bij de man verblijft en de andere week bij de vrouw en in de meivakantie van een week om en om;
in de zomervakantie drie weken bij de man verblijft en drie weken bij de vrouw;
in de herfstvakantie bij de vrouw verblijft;
op studiedagen de helft van die dagen bij de man verblijft en de andere helft bij de vrouw.
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen.
Het verzoekschrift van de vrouw dateert van 21 februari 2023. In de tijd tussen de indiening daarvan en de mondelinge behandeling is er veel gebeurd en veranderd in de levens van partijen en de minderjarige. Tijdens de mondelinge behandeling is de huidige situatie besproken en daarbij zijn de zorgen van de vrouw naar voren gekomen. De man is van mening dat er met directe ingang weer fysiek contact tussen hem en de minderjarige kan zijn, zoals dat altijd was. De vrouw heeft daar bedenkingen bij. De man heeft in het verleden, in 2023 weliswaar omgang met de minderjarige gehad, maar hij heeft in 2024 negen maanden in detentie verbleven. Nadien heeft de man vrijwel geen moeite gedaan om de omgang weer op gang te brengen en is dit niet verder gekomen dat sporadisch telefonisch contact totdat ook dat stopte in de tweede helft van 2025. Verder woont de man op dit moment in een woning met twee, voor de vrouw, onbekende mannen. Hij huurt een kamer in deze woning totdat hij een zelfstandige woonruimte heeft gevonden. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling uitleg gegeven over zijn woon- en werksituatie.
Partijen zijn het allebei eens dat het belang van de minderjarige voorop staat. Partijen zijn in zijn belang dan ook tijdens de mondelinge behandeling een voorlopige (opbouw)regeling overeengekomen. Deze voorlopige regeling neemt de rechtbank op in deze beschikking. De rechtbank geeft partijen nog mee dat het voor hun als ouders belangrijk is om de zorgen die zij over en weer hebben over elkaars (thuissituatie) en over de minderjarige met elkaar te bespreken.
De rechtbank houdt een beslissing over de definitieve zorgregeling aan in afwachting van het verloop van de voorlopige regeling. Deze aanhouding is voor partijen een stok achter de deur om te kijken naar het verloop van de opbouwregeling en afspraken te maken over een definitieve regeling. Als het partijen lukt om afspraken te maken over de definitieve regeling, kunnen partijen dat via hun advocaten doorgeven aan de rechtbank. De rechtbank moedigt partijen aan in onderling overleg afspraken te maken, omdat dit uiteindelijk het beste is voor de minderjarige.
Onderhoudsbijdrage
De vrouw verzoekt bij gewijzigd verzoek een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen over de periode oktober 2023 tot en met januari 2024 van € 1.425,27 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025 en met ingang van 1 januari 2025 € 334,- per maand, over de maand januari 2026 de geïndexeerde bijdrage van € 349,36 en met ingang van 1 februari 2026 € 501,- per maand, dit bij voortuitbetaling te voldoen.
Periode oktober 2023 tot januari 2024
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoek dat ziet op de periode van oktober 2023 tot januari 2024 ingetrokken, omdat de man dit bedrag inmiddels heeft betaald. De rechtbank wijst dit deel van het verzoek van de vrouw dan ook af.
Periode vanaf 1 januari 2025
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met de door de vrouw gestelde behoefte van de minderjarige, de draagkracht van partijen en met de door de vrouw overgelegd berekening en verdeling van de kosten van de minderjarige. Ook heeft de man ingestemd met de door de vrouw verzochte bijdrage van € 334,- per maand, met ingang van 1 januari 2025, en geïndexeerd naar 2026 een maandelijkse bijdrage van € 349,36 per maand. De rechtbank zal dat deel van het verzoek van de vrouw toewijzen.
Periode vanaf 1 februari 2026
De vrouw heeft vanaf 1 februari 2026 een afwijkende (hogere) bijdrage verzocht. De vrouw heeft te horen gekregen dat haar contract bij haar huidige werkgever niet wordt verlengd. Zij stelt dat ze vanaf dat moment zal terugvallen op een WW-uitkering waardoor zij een lager inkomen en daarmee lagere draagkracht heeft. De man voert verweer en stelt dat uitgegaan moet worden van het inkomen uit loon dat de vrouw tot 1 februari 2026 verdient. De rechtbank oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft gemotiveerd, mede in het licht van de betwisting daarvan door de man, dat haar inkomenspositie duurzaam zal veranderen. De rechtbank wijst dit deel van het verzoek van de vrouw af.
Conclusie
Omdat de man heeft ingestemd met de verzochte bijdrage van de vrouw voor de periode vanaf 1 januari 2025, zal de rechtbank een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 334,- per maand vaststellen.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Omdat de onderhoudsbijdrage in 2026 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder jaar daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering. Daaruit vloeit voort dat de man aan de vrouw vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 334,- met daarbovenop de indexering, zoals die geldt voor 2026, oftewel een bedrag van € 349,36 moet betalen.
Proceskosten
Omdat ten aanzien van zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
neemt op de afspraken die partijen over de voorlopige opbouwregeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben getroffen, te weten dat:
de man iedere woensdag tussen 19.00 uur en 20.00 uur telefonisch contact heeft met de minderjarige, waarbij de man belt;
de minderjarige vanaf 24 januari 2026 voor een periode van twee maanden één keer in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de man verblijft, waarbij de vrouw in die periode een bezoek brengt aan de woning van de man om te kunnen zien waar de minderjarige verblijft;
de minderjarige na die twee maanden één keer in de twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zaterdag 19.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man tijdens het contact inhoudelijk invulling geeft aan het programma dat de vrouw met de minderjarige heeft en de man onregelmatigheidsdiensten van zijn werk tijdig aan de vrouw doorgeeft, zodat de vrouw opvang voor de minderjarige kan regelen;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2025, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal voldoen € 334,- per maand, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling;
bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden tot 1 augustus 2026 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de stand van zaken en op welke manier de procedure volgens partijen moet worden voortgezet.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.P. van Driel, griffier, op 11 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.