Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/690903 / FA RK 24-9221
Beschikking van 12 februari 2026 over het ouderlijk gezag en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. F.G.T. Meershoek te Den Haag,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. D.C.A. van Wessel te Barendrecht.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 11 december 2024;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 4 februari 2025;
het bericht van de man van 17 oktober 2025;
het bericht van de man van 10 december 2025;
het bericht van de vrouw van 16 december 2025;
het bericht van de man van 17 december 2025;
het bericht met bijlagen van de man van 17 december 2025;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 8 januari 2026;
het bericht met bijlage van de man van 8 januari 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] hierna: [minderjarige] .
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
Partijen hebben na het beëindigen van hun relatie een ouderschapsplan opgesteld, dat zij respectievelijk op 7 september 2023 en 18 september 2023 hebben ondertekend.
Partijen zijn in het ouderschapsplan over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: onderhoudsbijdrage) van [minderjarige] als volgt overeengekomen:
“Met ingang van 01.09.2023 betaalt vader aan moeder een bedrag in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind ad. 530 euro per maand telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Deze kinderalimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:4024a BW, voor het eerst per 1 januari 2024.”
3. De beoordeling
Voorliggende verzoeken
De vrouw verzoekt:
te bepalen dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan haar toekomt;
een door de man te betalen onderhoudsbijdrage van € 562,84 per maand vast te stellen.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt zelfstandig een raadsonderzoek te gelasten waarvan in ieder geval deel uitmaakt of een ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] is, of eenhoofdig gezag dan wel gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] is en daarnaast of de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] in het geding is. Tijdens de mondeling behandeling is het verzoek namens de man zo toegelicht dat, mocht een eventueel uitgevoerd raadsonderzoek daartoe aanleiding geven, de man – aldus voorwaardelijk – om een ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzoekt.
Onderhoudsbijdrage
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage.
De rechtbank zal in deze beschikking opnemen wat partijen zijn overeengekomen.
Gezag
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Vast staat dat sinds het najaar van 2024 geen omgang meer plaatsvindt tussen [minderjarige] en de man. De man heeft de omgang destijds eigenhandig stopgezet. Naar eigen zeggen deed hij dat uit verantwoordelijk naar hemzelf en naar [minderjarige] toe. De druk vanuit verschillende instanties werd voor de man te hoog werd en hij zou overal te horen zou hebben gekregen dat hij niet zou deugen. Eveneens staat vast dat in januari 2025 een ‘tafelbespreking’ heeft plaatsgevonden bij het Jeugdbeschermingsplein, in bijzijn van onder meer Veilig Thuis, de raad en de consulent jeugd van de gemeente Voorne aan Zee. Aldaar is besproken dat de inzet van (specialistische) hulpverlening voor [minderjarige] noodzakelijk is vanwege de forse echtscheidingsproblematiek tussen partijen en de zorgen die daardoor leven over [minderjarige] . Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Dat betekent dat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling of er een reden is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag.
De vrouw stelt dat verschillende hulpverleningsinstanties, zoals schoolmaatschappelijk werk (SMW) en M4care steeds contact met de man hebben geprobeerd te krijgen om de inzet van hulp voor [minderjarige] te bespreken en om de benodigde toestemming te kunnen krijgen, maar dat de man niet bereikbaar was en dat daardoor de hulp voor [minderjarige] is vertraagd en zelfs gestagneerd. Daarnaast stelt de vrouw dat de man tweemaal zijn toestemming voor een buitenlandse vakantie met [minderjarige] heeft geweigerd. De vraag die thans voorligt, is of deze omstandigheden voldoende zijn om tot beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag te komen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het inzetten van hulpverlening aan [minderjarige] is uitgebleven door het ontbreken van de toestemming van de man. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij laat heeft gereageerd op de hulpverleningsinstanties. Hij schrijft dat toe aan zijn privéomstandigheden, waaronder een burn-out, en aan het feit dat hij zelf onvoldoende op de hoogte is gebracht door de hulpverleningsinstanties, waardoor hij telkens zelf moest vragen over de bedoelingen en achtergronden van de desbetreffende hulpverlening. De hierdoor ontstane vertraging kan hem niet worden aangerekend, aldus de man. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de keuzes die de man gedurende de afgelopen twee jaar heeft gemaakt niet altijd niet in het belang van [minderjarige] zijn geweest, dat op dit moment onvoldoende om zijn gezag over [minderjarige] te beëindigen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard voortaan zijn toestemming te geven voor buitenlandse reizen en mee te werken aan de hulpverlening en de benodigde toestemmingen daarvoor te verlenen, mits hij daarover geïnformeerd blijft. De rechtbank wijst de man er nadrukkelijk op dat gezag niet alleen het recht is om geïnformeerd te worden door instanties, maar dat het voor de man ook een wettelijke plicht met zich meebrengt om zichzelf daarvoor actief in te spannen. Daaronder valt ook het zelf actief informeren bij instanties naar het wel en wee van [minderjarige] . Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.
De man heeft aangevoerd dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] op dit moment het laatste lijntje tussen hem en [minderjarige] is, omdat er geen enkele omgang is. De rechtbank benadrukt dat de man er destijds zelf voor heeft gekozen om de omgang met [minderjarige] stop te zetten. Dat was geen keuze van de vrouw en zeker ook niet van [minderjarige] . Het siert de man dan ook niet dat hij in deze procedure dat feit naar voren brengt ter onderbouwing van zijn verweer tegen het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag. Hij heeft er immers zélf bewust voor gekozen om geen contact te hebben met [minderjarige] . De vrouw heeft aangeven dat zij nog steeds open staat voor herstel van het contact tussen [minderjarige] en de man. Hiervoor geldt eveneens dat de man zélf het initiatief zal moeten nemen, hetgeen ook onderdeel is van zijn wettelijke plicht als ouder.
De rechtbank wijst het verzoek van de man tot het gelasten van een onderzoek door de raad eveneens af. De rechtbank heeft – net als de raad – zorgen over de situatie waarin [minderjarige] zich momenteel bevindt. De onderlinge verstandhouding van ouders is slecht. Er zijn zorgen over [minderjarige] en het lijkt dat ouders hun onderlinge wantrouwen uitspelen over het hoofd van [minderjarige] . Echter het belang van [minderjarige] ligt nu in het verkrijgen van de hulp die al is ingezet en de man heeft toegezegd hieraan mee te zullen werken. De rechtbank ziet in dat kader – net als de raad – geen aanleiding om de raad daar verder onderzoek naar te laten doen, ook niet in het kader van een beschermingsonderzoek.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek van de vrouw tot beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag;
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de onderhoudsbijdrage hebben getroffen, te weten dat:
de man aan de vrouw met ingang van 1 december 2025, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 303,- per maand;
deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
hetgeen de man tot 1 december 2025 diende te betalen ten behoeve van de onderhoudsbijdrage gelijk staat aan hetgeen hij heeft betaald, zodat partijen over deze periode over en weer niets van elkaar te vorderen hebben;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Yalçin, griffier, op 12 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.