ECLI:NL:RBROT:2026:4780

ECLI:NL:RBROT:2026:4780

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer ROT 24/8796
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beroep ongegrond, omdat de intrekking van eisers ZW-uitkering in verband met geschiktheid voor eerder geselecteerde functies juist is. Wel vergoeding van de proceskosten van het verzet. Het beroep tegen het bestreden besluit had op grond van artikel 6:20, derde lid van de Awb mede beoordeeld moeten worden in de beroepszaak tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/8796

(gemachtigde: mr. J. van der Stel),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [naam]).

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van eiseres per 28 november 2022. Eiseres is het niet eens met deze beëindiging. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk.

Procesverloop

2. Met het besluit van 29 november 2022 (het primaire besluit) heeft het UWV de ZW-uitkering van eiseres met ingang van 28 november 2022 beëindigd.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen van het UWV op het ingestelde bezwaar.

Met het besluit van 7 augustus 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres op 19 september 2024 beroep ingesteld. Met de uitspraak van 7 november 2024 is het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep te laat is ingediend.

Met de uitspraak van 16 december 2024 is het UWV opgedragen alsnog een beslissing op bezwaar te nemen.

Met de uitspraak van 22 oktober 2025 is het verzet van eiseres tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar beroep, na behandeling ter zitting van 15 augustus 2025, gegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en van het UWV.

Totstandkoming van het besluit

Voorgaande procedure

3. Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als groepsbegeleider voor gemiddeld 13 uur per week. Eiseres heeft zich, terwijl ze een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, op 12 augustus 2019 met lichamelijke klachten ziek gemeld. Het UWV heeft aan eiseres vanaf 5 november 2019 een ZW-uitkering toegekend. Ter beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft de verzekeringsarts op 18 juni 2020 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen geconcludeerd dat eiseres niet meer in staat is het eigen werk als groepsbegeleider te verrichten. Wel zijn met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiseres vier gangbare functies geduid. Op basis van die functies heeft eiseres een verdiencapaciteit van meer dan 65%.

Met het besluit van 10 juli 2020 heeft het UWV de ZW-uitkering van eiseres per 4 september 2020 beëindigd. Met het besluit van 23 augustus 2021 heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen dit besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 1 juni 2022 het beroep gegrond verklaard, omdat de medische heroverweging door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Na medisch onderzoek op 23 april 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 30 april 2024 geconcludeerd dat eiseres op 4 september 2020 belastbaar is conform de FML van 18 juni 2020. Met het besluit op bezwaar van 7 augustus 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit op bezwaar is geen beroep ingesteld.

Onderhavige procedure

Eiseres heeft zich, terwijl zij een WW-uitkering ontving, opnieuw ziek gemeld per 2 september 2022 vanwege vergeetachtigheid en rug- en buikpijnklachten. In verband met deze ziekmelding heeft op 27 oktober 2022 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. In het rapport van 28 november 2022 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat op basis van de bevindingen en voorhanden zijnde informatie ten aanzien van de klachten en belemmeringen geen sprake is van toename van de reeds bekende beperkingen. Eiseres is met inachtneming van de beperkingen zoals deze zijn vastgesteld in de FML van 18 juni 2020 geschikt om arbeid, zoals de eerder geduide functie van baliemedewerkster, te verrichten.

Het UWV heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts, vervolgens het primaire besluit genomen.

In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 30 april 2024 geconcludeerd dat er geen aanleiding is de FML van 18 juni 2020 aan te passen. De ingebrachte bezwaren leiden niet tot aanpassing van het eerder ingenomen standpunt van de verzekeringsarts.

Met het bestreden besluit heeft het UWV, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het primaire besluit gehandhaafd. Eiseres wordt geschikt geacht voor haar werk, zijnde de voorbeeldfuncties van de beoordeling, per 4 september 2020.

Standpunt eiseres

4. In beroep voert eiseres aan dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met de aard en de ernst van haar klachten en beperkingen, in onderlinge samenhang beschouwd. Eiseres heeft sinds haar operatie in 2020 psychische klachten, zoals vergeetachtigheid, concentratieproblemen, moeilijk focussen en woorden ‘kwijt zijn’. Eiseres heeft deze klachten gemeld bij haar huisarts. Verder zijn deze beperkingen bij het multidisciplinaire onderzoek van Winnock naar voren gekomen. Er hadden bij eiseres meer beperkingen voor het persoonlijk functioneren moeten worden aangenomen. Daarnaast heeft het UWV onvoldoende rekening gehouden met de pijnklachten van haar buik en rug. Verder hadden zware beperkingen aangenomen moeten worden op lopen en zitten. Gelet op de combinatie van klachten, haar vermoeidheidsklachten en benodigde (preventieve) recuperatietijd, had een urenbeperking voor haar vastgesteld moeten worden. Eiser acht zich niet in staat de voor haar geduide functies te verrichten.

Juridisch kader

5. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. De maatstaf die geldt bij een ziekmelding na een EZWb, als de verzekerde niet in enig werk heeft hervat, is volgens vaste rechtspraak, gangbare arbeid, zoals nader geconcretiseerd bij de EZWb. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake als de verzekerde geschikt is voor ten minste drie van de geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties zijn geselecteerd in het kader van de EZWb.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.

Ten aanzien van de tijdigheid van het beroep

Voordat de rechtbank een inhoudelijk oordeel geeft, beoordeelt de rechtbank eerst of het beroep tijdig is ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres verschoonbaar te laat beroep ingesteld. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt dat een beroep tegen het niet-tijdig beslissen, wanneer alsnog een beslissing op bezwaar wordt genomen voordat de rechtbank uitspraak doet, het beroep geacht moet worden mede te zijn gericht tegen die reële beslissing op bezwaar. Eiseres had beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar bezwaar. Op het moment dat het UWV op 7 augustus 2024 het bestreden besluit had genomen, had het beroep mede betrekking op de beslissing op bezwaar. Eiseres had daarmee reeds tijdig beroep ingesteld. Het nieuwe beroep had moeten worden aangemerkt als een aanvulling op de gronden. Omdat het bestreden besluit niet aan de rechtbank was gezonden is eiseres met de uitspraak van 7 november 2024 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet tegen deze uitspraak is door eiseres terecht ingesteld. Als gevolg daarvan heeft zij recht op een vergoeding van haar proceskosten voor het instellen van verzet.

Terecht hersteld verklaard?

Bij een beroep tegen een hersteldverklaring gaat het uitsluitend om de vraag of de betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid. Daarbij staat in het bijzonder ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen.

De rechtbank stelt voorop dat de in het kader van de EZWb opgestelde FML en de daarop gebaseerde functies het uitgangspunt vormen in deze procedure. Daarbij staat in het bijzonder ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen.

Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het gestelde in het bezwaarschrift, alsmede op de in het dossier aanwezige en in bezwaar verkregen informatie afkomstig van de behandelend sector. Het onderzoek heeft daarmee op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.

Motivering van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit verband in het rapport van 30 april 2024 inzichtelijk gemotiveerd waarom eiseres niet wordt gevolgd in haar standpunt dat er sprake is van geen benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten aanzien van haar lichamelijke klachten toegelicht dat er geen aanwijzingen zijn voor het stellen van meer beperkingen. Hierbij is toegelicht dat, mede gelet op de verkregen informatie, niet gebleken is dat op de datum in geding sprake was van knie- of schouderklachten. Daar is opgemerkt dat bij de voor eiseres geduide functies het ‘reiken’ ver onder de normwaarde van het CBBS zijn en maximaal één minuut achtereen boven schouderhoogte actief zijn, aan de orde is. Ten aanzien van de klachten van verslechterde concentratie, geheugen en vergeetachtigheid heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat het cognitieve functioneren van eiseres ten opzichte van vroeger achteruit is gegaan, maar dat geen sprake is van afhankelijk functioneren bij complexe dagelijkse activiteiten. Hierbij is ook toegelicht dat het wel mogelijk is dat bepaalde handelingen meer inspanning kosten dan vroeger of dat compensatoire strategieën moeten worden toegepast. Bij het psychisch onderzoek konden geen stoornissen in de aandacht, concentratie of overige cognitieve functies worden vastgesteld. De primaire verzekeringsarts heeft vastgesteld dat belanghebbende sporadisch een moment had dat ze even moest nadenken over wat ze wilde zeggen, maar dit stond een goede gespreksvoering niet in de weg. De primaire verzekeringsarts heeft tevens aangegeven dat belanghebbende haar klachten zelf goed kon verwoorden. Ook bij het medisch onderzoek in bezwaar was de gespreksvoering adequaat. Het psychisch onderzoek was in lijn met de ontbrekende cognitieve functiestoornissen bij het neuropsychologisch onderzoek.

Met inachtneming van de verkregen informatie is er geen reden om wegens de cognitieve klachten toegenomen beperkingen aan te nemen ten opzichte ven de eerdere EZWb. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd dat ondanks de cognitieve klachten eiseres ook per de datum in geding geschikt is voor het verrichten van de eerder gebruikte functies. De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan die conclusie.

Conclusie en gevolgen

7. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het UWV eiseres terecht met ingang van 28 november 2022 weer in staat heeft geacht tot het verrichten van haar arbeid zijnde drie van de eerder in het kader van de EZWb geselecteerde functies.

Het beroep van eiseres is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Omdat eiseres terecht verzet heeft ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring, veroordeelt de rechtbank het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten voor het verzet (zie overweging 6.1). Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van 15 augustus 2025 met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Deze uitspraak is gedaan rechter mr. C.A. Hage, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?