ECLI:NL:RBROT:2026:4781

ECLI:NL:RBROT:2026:4781

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer C/10/691846 / FA RK 24-9657 en C/696580 / FA RK 25-2267
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Rechtbank sluit voor het bepalen van de behoefte niet aan bij de hofnorm. Partijen hebben maar kort samengewoond. Onduidelijk is waar partijen in die periode precies van hebben geleefd. Rechtbank stelt behoefte van de man daarom gelijk aan zijn uitkering ingevolge de Participatiewet. Verdeling beperkte gemeenschap. Edelmetalen en bitcoins.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/691846 / FA RK 24-9657 (echtscheiding) en C/696580 / FA RK 25-2267 (verdeling)

Beschikking van 31 maart 2026 over de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. E.L.M. Louwen te Utrecht,

t e g e n

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. R. Westendorp-Hertgers te Deventer.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlage van de vrouw, ingekomen op 30 december 2024;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 24 maart 2025;

het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 20 mei 2025;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 19 februari 2026;

het bericht met bijlagen van de man van 20 februari 2026, tevens inhoudende een aanvullend verzoek.

Buiten de toegestane termijn is overgelegd:

het bericht met bijlagen van de vrouw van 27 februari 2026;

het bericht met bijlagen van de man van 2 maart 2026.

De rechtbank zal deze stukken toelaten omdat partijen daar over en weer geen bezwaar tegen hebben.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn volgens de overgelegde vertaling van de huwelijksakte met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] , op [datum] . Het huwelijk is niet vermeld op de uittreksels van partijen uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).

Partijen hebben allebei de Nederlandse nationaliteit. De man heeft daarnaast de Peruaanse nationaliteit.

3. De beoordeling

Scheiding

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van ten minste één van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Rechtsgeldigheid en erkenning huwelijk

Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het verzoek tot echtscheiding, moet zij ambtshalve beoordelen of het in Peru gesloten huwelijk rechtsgeldig is, en zo ja, of dit huwelijk in Nederland kan worden erkend. De vrouw heeft een (vertaling van een) kopie van de Peruviaanse huwelijksakte overgelegd, waarin is opgenomen dat partijen op [datum] te [plaatsnaam] , zijn gehuwd.

Artikel 10:31 lid 1 BW bepaalt dat een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig wordt erkend. De rechter vervult daarin een actieve rol, omdat de rechtsgeldigheid van een huwelijk niet ter vrije bepaling van partijen staat.

Naar Peruviaans recht moeten de aanvragers van een huwelijk de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Zij moeten ook het bewijs leveren, bevestigd door getuigen, dat zij niet getroffen zijn door een van de in het Peruviaans Burgerlijk Wetboek geregelde huwelijksbeletselen. De huwelijksplechtigheid dient te worden voltrokken door de burgemeester (artikel 259 van het Peruviaans Burgerlijk Wetboek). Een huwelijk komt tot stand door het uitspreken van het jawoord ten overstaan van de burgemeester. Het bewijs van het huwelijk komt tot stand door het opmaken en ondertekenen van een huwelijksakte door betrokken partijen (art. 248 van het Peruviaans Burgerlijk Wetboek).

Artikel 10:31 lid 4 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, als een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

Nu de vrouw een (vertaling van een) kopie van de Peruviaanse huwelijksakte heeft overgelegd, gaat de rechtbank ervan uit dat er is voldaan aan de huwelijksvereisten. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat er tussen partijen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Dit huwelijk komt op grond van het bepaalde in artikel 10:31 lid 1 BW voor erkenning in Nederland in aanmerking tenzij deze erkenning onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland. Van dit laatste is niet gebleken. Het huwelijk kan dan ook in Nederland worden erkend.

De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.

Onderhoudsbijdrage

De man verzoekt – na vermindering van zijn verzoek tijdens de mondelinge behandeling – bij wijze van aanvullend verzoek een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.651,- per maand vast te stellen vanaf het moment dat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over het alimentatieverzoek.

Op het verzoek tot alimentatie voor de man zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen partnerbijdrage in geschil. De rechtbank zal de partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).

Ingangsdatum

Op grond van artikel 1:157 lid 6 BW vangt de termijn voor het verstrekken van levensonderhoud aan op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal deze datum dan ook als ingangsdatum vaststellen.

Behoefte

De vrouw betwist de stelling van de man dat voor de berekening van zijn behoefte de ‘hofnorm’ als uitgangspunt moet gelden. Partijen hebben slechts kort samengewoond en tijdens hun samenwoning niet gewerkt waardoor de hofnorm niet geschikt is om de behoefte te bepalen, aldus de vrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de hoogte van de behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Normaal gesproken zal de rechter zowel in aanmerking moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand redelijke – kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. De hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van de echtgenoten gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. Indien de huwelijksgerelateerde behoefte in geschil is, kan het hanteren van de hofnorm als (enige) maatstaf voor die behoefte op gespannen voet komen te staan met het door de Hoge Raad verlangde maatwerk. Niet voorbijgegaan mag worden aan de door partijen in dit verband aangevoerde relevante omstandigheden.

De vrouw stelt dat de hofnorm niet kan worden toegepast. Partijen zijn in juni 2022 gaan reizen. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij tijdens hun reis leefden van de verhuurinkomsten van de woning van de vrouw in Amsterdam. In oktober 2023 is de relatie van partijen verbroken en in december 2023 is de vrouw in dienst getreden bij de gemeente Rotterdam. Partijen hadden ten tijde van hun samenwoning (ten tijde van het huwelijk) dus geen ander inkomen dan de inkomsten uit verhuur.

De man stelt daarentegen dat – ter bepaling van de behoefte – voor het berekenen van het NBI van de man tijdens het huwelijk uitgegaan moet worden van een winst uit onderneming van € 11.939,-. Voor het berekenen van het NBI van de vrouw tijdens het huwelijk moet volgens de man uitgegaan worden van een winst uit onderneming van € 18.275,- zoals opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting van 2023 (productie 21 van de vrouw). De vrouw voert daartegen gemotiveerd verweer. De man had volgens de vrouw tijdens hun samenwoning geen inkomen uit zijn onderneming waar partijen van hebben geleefd, zoals hiervoor vermeld. Daarnaast heeft de vrouw haar onderneming in 2022 gestaakt en de financiële afwikkeling heeft in 2023 plaatsgevonden. Het bedrag waar de man mee rekent is dan ook de stakingswinst van haar onderneming. Met dit bedrag moet volgens de vrouw geen rekening worden gehouden. Als de rechtbank al van oordeel is dat de man een huwelijksgerelateerde behoefte heeft, moet die worden vastgesteld op de bijstandsnorm, aldus de vrouw.

Het is gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw voor de rechtbank niet inzichtelijk geworden waar partijen tijdens het huwelijk van hebben geleefd. De man heeft ook geen behoeftelijst overgelegd. De behoefte van de man kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet worden gebaseerd op het netto-inkomen van partijen en de toepassing van de hofnorm. De rechtbank zal de behoefte van de man daarom gelijkstellen aan de bijstandsnorm zoals volgt uit productie 34 van de man, namelijk € 1.331,- netto per maand in 2026. De gebruteerde behoefte van de man bedraagt dan € 1.805,- per maand (waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening).

Behoeftigheid

Tussen partijen is niet in geschil dat de man niet in staat is om volledig in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De bruto aanvullende behoefte van de man is dus gelijk aan zijn gebruteerde behoefte, ofwel € 1.805,- per maand.

Draagkrachtberekening

De vrouw betwist dat zij, in ieder geval vanaf de ingangsdatum, draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen.

De rechtbank zal de draagkracht van de vrouw berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport.

Draagkracht vrouw

De vrouw volgt een re-integratietraject. Dat heeft op dit moment geen gevolgen voor de hoogte van haar salaris, maar wel voor de vraag of haar arbeidsovereenkomst, die loopt tot 30 april 2026, wordt verlengd. De vrouw gaat ervan uit dat haar arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd zodat zij waarschijnlijk – net zoals de man – aanspraak zal maken op een uitkering ingevolge de Participatiewet. Het is volgens de vrouw dus maar de vraag of zij op de ingangsdatum nog draagkracht heeft. De man stelt dat van deze onzekerheid niet moet worden uitgegaan en dat voor het berekenen van de draagkracht van de vrouw gekeken moet worden naar haar huidige inkomen.

De rechtbank is van oordeel dat de situatie van de vrouw onzeker is, maar dat dit geen reden is om niet te rekenen met haar huidige inkomen. Het is onduidelijk of de arbeidsovereenkomst van de vrouw wel of niet wordt verlengd. Mocht dit niet het geval zijn, dan is onzeker of de vrouw een andere baan vindt of dat zij inderdaad net zoals de man aanspraak zal maken op een uitkering. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat partijen bij een onderbouwde daling van het inkomen aan de zijde van de vrouw met elkaar in overleg zullen treden. De rechtbank gaat ervan uit dat de man zich aan deze toezegging houdt en zal voor de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgaan van het huidige inkomen van de vrouw bij de gemeente Rotterdam.

Tussen partijen is niet in geschil dat het huidige NBI van de vrouw € 4.608,- per maand bedraagt in 2026. De vrouw stelt dat het berekende woonbudget ontoereikend is, omdat haar werkelijke woonlasten hoger zijn dan 30% van het NBI. De vrouw berekent haar draagkracht – rekening houdend met haar werkelijke woonlasten – vervolgens op € 1.737,- bruto per maand.

De vrouw heeft in het licht van de betwisting van de man niet met stukken onderbouwd hoe hoog haar werkelijke woonlasten zijn. De rechtbank constateert echter ook dat de draagkracht van de vrouw, ook wanneer rekening wordt gehouden met de door haar gestelde werkelijke woonlasten (die hoger zijn dan het woonbudget), hoger is dan de door de man verzochte bijdrage. De vrouw heeft dus – in ieder geval op dit moment – voldoende draagkracht om de door de man verzochte bijdrage te voldoen.

Conclusie

Derhalve is een uitkering tot levensonderhoud van de man van € 1.651,- bruto per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de man zal tot dit bedrag worden toegewezen.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Verdeling

De man verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek ten aanzien van de verdeling van de (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen:

- te bepalen dat de vrouw de volgende inboedelgoederen binnen twee weken na de datum van deze beschikking aan de man dient af te geven:

a) Zwart tafeltje met een bloem erop;

b) Werktafel met bureaustoel en archiefkast;

c) Bed (90x200) met matras en bedlinnen;

d) Twee marmeren bedtafels;

e) Drie nachtlampen;

f) Zwarte kast waarde grillplaat en andere kleine items op passen;

g) Vitrinekast;

h) Nyomans’ glazen die in de vitrinekast staan;

i) Zwarte stoel;

j) Tapijt;

k) Whiteboard; bruine bank;

l) Drie stoffen zitligkussens;

m) Wasmachine/wasdroger;

n) Grote kast;

o) Bestek, borden, glazen en overige keukenspullen;

p) Afvalbak;

q) Twee lampen die boven de barkrukken hangen;

r) Grillplaat, rijstkoker en andere items voor koken.

de vrouw te veroordelen dat zij binnen twee weken na de te wijzen beschikking, de halve bitcoin naar de wallet van de man overboekt, dan wel dat partijen de afname tijdens het huwelijk van de hoeveelheid bitcoin delen en de vrouw 0,4 bitcoin naar de wallet van de man overboekt;

te bepalen dat de vrouw de helft van de nog openstaande schulden bij ARWA en de ouders van de man binnen veertien dagen na heden voldoet, dan wel te verstaan dat de schulden bij ARWA en de ouders van de man in de huwelijksgemeenschap vallen en dat partijen ieder voor de helft draagplichtig en aansprakelijk zijn ten aanzien van deze schulden.

Daarnaast verzoekt de man bij wijze van aanvullend verzoek:

te bepalen dat de waardevermeerdering van het goud, zilver en de bitcoins tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld;

te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 15.836,38 aan de man dient te vergoeden ter zake van de door de man gedane investeringen in de gezamenlijke woningen;

ten aanzien van de inboedel, voor zover de vrouw de goederen van de man niet aan hem kan verstekken, te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 5.000,- aan de man dient te betalen als vergoeding voor de inboedelgoederen van de man.

De man heeft zijn verzoek ten aanzien van de schuld bij DCS Commercio BV voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingetrokken. Een beslissing op dit verzoek kan daarom achterwege blijven.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt te bepalen dat partijen hun gemeenschap van goederen (de rechtbank begrijpt: de inmiddels ontbonden beperkte gemeenschap van goederen) als volgt zullen verdelen:

ieder behoudt de saldi van de op zijn/haar eigen naam staande KNAB-bankrekeningen en overige rekeningen op zijn/haar naam;

de man behoudt het saldo van de rekening met nummer [nummer] ;

het zilver van de man wordt aan de man toebedeeld. De man dient de vrouw uiterlijk 2 weken na de datum van deze beschikking inzage te geven in de waarde van het zilver. De man dient de vrouw de helft van de waarde van het zilver per datum van deze beschikking voor zover dit € 380,00 te boven gaat, te vergoeden.

ieder van partijen behoudt de inboedel die hij/zij op dit moment in zijn/haar bezit heeft.

Daarnaast verzoekt de vrouw:

de man te veroordelen om aan de vrouw € 2.107,97 te voldoen;

en te bepalen dat partijen na bovenstaande verdeling over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Huwelijksvermogensrechtverordening).

Omdat partijen ná 29 januari 2019 getrouwd zijn, moet de rechtbank voor het toepasselijk recht kijken naar de bepalingen in de Huwelijksvermogensrechtverordening.

In de eerste plaats moet de rechtbank beoordelen of sprake is van een rechtskeuze (artikel 22). Daar is hier geen sprake van. In dat geval is op het huwelijksvermogensstelsel het recht van toepassing van de staat waar de echtgenoten na de huwelijkssluiting hun eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats hadden (artikel 26 lid 1 sub a). Vast staat dat de eerste gewone verblijfplaats van partijen na de huwelijksvoltrekking in Nederland was. Dat leidt tot de conclusie dat het Nederlandse recht van toepassing is op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen.

Partijen zijn na 1 januari 2018 in het huwelijk getreden, zodat zij in een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

Verdeling beperkte huwelijksgemeenschap

Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.

Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW).

De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd: goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift, pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen, rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhef en onder c BW.

Op grond van artikel 1:94 lid 3 BW omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.

Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op een bijzondere wijze verknocht zijn, vallen op grond van artikel 1:94 lid 5 BW slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder a tot en met c BW.

Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed op grond van artikel 1:94 lid 8 BW als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.

Wettelijke peildatum

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 30 december 2024.

Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.

Voor een schuld vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

De rechtbank bespreekt hierna de bestanddelen die volgens partijen, dan wel één van hen, tot de beperkte gemeenschap van goederen behoren.

Saldi bankrekeningen

Partijen zijn het met elkaar eens dat ieder het saldo op zijn/haar eigen bankrekening behoudt zonder verrekening. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.

Eenmanszaak man

De rechtbank overweegt dat een eenmanszaak geen goed is dat in de beperkte gemeenschap van goederen valt en als zodanig niet kan worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa (waaronder eventueel goodwill) en passiva valt in de beperkte gemeenschap van goederen. De activa kunnen worden verdeeld. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. Beide partijen zijn in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden die op de peildatum aanwezig zijn.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht om ‘de eenmanszaak’ toe te delen aan de man zonder verdeling van de waarde. De eenmanszaak vertegenwoordigt volgens de man geen waarde, met uitzondering van zijn arbeidskracht daarin. De vrouw is hiermee akkoord gegaan. De rechtbank constateert dat de man zich niet expliciet heeft uitgelaten over eventuele passiva en begrijpt dat het de bedoeling van de man is om ‘de eenmanszaak’ in de verdeling te betrekken voor een waarde van € 0,-. De rechtbank zal om die reden bepalen dat de activa aan de man worden toegedeeld en dat hij ook draagplichtig is voor de eventuele schulden van de onderneming op de peildatum, onder vrijwaring van de vrouw en dat de in de verdeling wordt betrokken € 0,-.

Vergoedingsrecht investeringen woning vrouw

De man stelt dat hij met zijn privévermogen € 15.836,38 heeft geïnvesteerd in de woning van de vrouw, zodat hij een vergoedingsrecht heeft op grond van artikel 1:95 lid 2 BW en artikel 1:87 lid 2 en 3 BW. Hij verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar productie 23 en productie 24.

De rechtbank constateert dat de door de man genoemde uitgaven in productie 23 allemaal betrekking hebben op de periode voordat partijen zijn gehuwd. De vrouw stelt dan ook dat de man geen beroep kan doen op de door hem aangehaalde artikelen, maar dat hij moet terugvallen op het algemeen vermogensrecht, zoals het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking of de onverschuldigde betaling. De vrouw voert verder aan dat de door de man genoemde uitgaven zijn gedaan met opnames van de cryptorekening van de vrouw. De man had in die periode geen eigen inkomen en geen eigen vermogen, zodat de man niet geïnvesteerd kan hebben met privévermogen. Wat er destijds is betaald, is betaald vanuit het vermogen van de vrouw zodat de man geen recht heeft op een vergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft een overzicht overgelegd met investeringen die hij zou hebben gedaan in 2021, maar alleen van de betaling van nummer 1 en nummer 2 heeft de man een bankafschrift overgelegd in productie 24. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw dan ook onvoldoende onderbouwd dat hij met privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning van de vrouw. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

Edelmetaal (zilver) man

Tussen partijen is niet in geschil dat de man 250 gram zilver al voor het huwelijk had. Deze behoren dan ook tot zijn privévermogen en komen niet voor verdeling in aanmerking. Het verzoek van de vrouw ten aanzien hiervan zal dan ook worden afgewezen.

Edelmetalen (goud en zilver) vrouw

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw deze edelmetalen al voor het huwelijk had. Deze behoren dan ook tot haar privévermogen. De man stelt desondanks dat de waardevermeerdering van het goud en zilver ontstaan tijdens het huwelijk bij helfte moet worden verdeeld, omdat de waardevermeerdering is veroorzaakt door het handelen van de man. Als de man niet had gehandeld met het edelmetaal was het niet in waarde gestegen, aldus de man. De vrouw voert gemotiveerd verweer.

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt de juridische grondslag voor het verzoek van de man. Het edelmetaal behoorde voor het huwelijk tot het privévermogen van de vrouw, zodat de waardevermeerdering tijdens het huwelijk ook tot haar privévermogen behoort. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Cryptovaluta, bitcoin (hierna: BTC)

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw voorafgaand aan het huwelijk 3,5 BTC had, die dus behoort tot haar privévermogen. De man stelt dat hij bij aanvang van het huwelijk 0,45 BTC had en dat hij tijdens het huwelijk zijn 0,45 BTC heeft overgeboekt naar de wallet van de vrouw. De man verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar productie 9 en 11.

De vrouw betwist dat de man voor het huwelijk in het bezit zou zijn geweest van BTC. Zij stelt dat de man een voorhuwelijkse schuld aan de vrouw heeft voldaan door voldoening van 0,5 BTC en verwijst ter onderbouwing daarvan naar een e-mail van 29 oktober 2022, waarin de man de schuld en aflossing daarvan erkent.

De rechtbank kan op basis van de overgelegde stukken niet vaststellen dat de man voorafgaand aan het huwelijk in het bezit was van 0,45 BTC. De man heeft slechts een overzicht overgelegd waaruit volgt hoeveel BTC hij heeft gekocht voorafgaand aan het huwelijk, maar niet wat hij heeft verkocht (en dus hoeveel BTC hij op de huwelijksdatum had). De man heeft een halve film getoond en geen foto. Mocht de man wel in het bezit zijn geweest van 0,45 BTC, dan volgt uit de overgelegde stukken naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze cryptovaluta is overgeboekt naar de wallet van de vrouw. Het door de man overgelegde transactieoverzicht is niet voorzien van data en het is voor de rechtbank niet inzichtelijk op wiens naam welke wallet staat. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat hij voorafgaand aan het huwelijk in het bezit was van 0,45 BTC. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de aanwezige BTC op de peildatum, zijnde 2,7 BTC, behoort tot het privévermogen van de vrouw. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

Schuld ouders man en [naam] (ARWA)

Tussen partijen is niet in geschil dat de (restant) schuld bij de ouders van de man € 2.500,- bedraagt en bij [naam] € 3.400,-. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat de vrouw de helft van deze schulden, vermeerderd met de overeengekomen rente tot aan de datum van voldoening door de vrouw, aan de man zal voldoen uiterlijk binnen zeven dagen na de datum van deze beschikking.

Schuld man aan vrouw

De vrouw stelt dat de man voorafgaand aan het huwelijk, in juli 2022, naar Miami, Verenigde Staten van Amerika, is gevlogen voor een business trip. Deze reis is door de vrouw betaald. Uit de overgelegde stukken volgt dat de man heeft bevestigd dat hij de kosten van deze reis aan de vrouw verschuldigd is. De man stelt dat hij deze voorhuwelijkse schuld aan de vrouw al heeft terugbetaald. De vrouw betwist dit.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man in het licht van de betwisting van de vrouw onvoldoende onderbouwd dat hij zijn schuld heeft afgelost. Een bankafschrift ontbreekt. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om de kosten van deze reis, oftewel een lening ten bedrage van € 2.107,97, terug te betalen zal daarom worden toegewezen.

Inboedel

De man verzoekt om afgifte van inboedelgoederen zoals hiervoor genoemd, die behoren tot zijn privévermogen. Mocht de vrouw de inboedelgoederen niet meer aan de man kunnen verstrekken, dan verzoekt de man te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 5.000,- aan de man voldoet als vergoeding.

De vrouw stelt onbetwist dat, voor zover het privé goederen betreft, zij niet langer in het bezit is van de door de man genoemde inboedelgoederen. Nadat de man meerdere keren een afspraak om de inboedelgoederen op te halen niet is nagekomen, heeft de vrouw besloten om de spullen weg te doen op het moment dat zij haar woning, waar de goederen zich bevonden, moest opleveren. De vrouw stelt uit praktisch oogpunt voor om deze inboedel weg te strepen tegen de inboedel van de woning in Peru. De man kan zich niet vinden in dit voorstel omdat de waarde van de inboedel niet vergelijkbaar is. De man schat de waarde van de inboedel in Peru op € 550,- en de inboedel in Nederland op € 5.000,-. De vrouw betwist de door de man gestelde waarde.

De rechtbank begrijpt uit hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw niet meer beschikt over de inboedelgoederen. De vraag is dan of de rechtbank kan bepalen dat de vrouw een vergoeding aan de man verschuldigd is. De rechtbank kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat de door de man genoemde inboedel behoort tot zijn privévermogen. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

De vrouw verzoekt te bepalen dat ieder van partijen behoudt de inboedel die hij/zij op dit moment in zijn/haar bezit heeft. De man heeft geen verweer gevoerd. Voor zover er sprake is van gemeenschappelijke inboedelgoederen die in de verdeling betrokken dienen te worden, komt dit verzoek de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw toewijzen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;

kent ten laste van de vrouw aan de man een uitkering tot levensonderhoud toe van € 1.651,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

bepaalt ten aanzien van de verdeling van de beperkte gemeenschap als volgt:

saldi bankrekeningen

ieder behoudt het saldo op zijn/haar eigen bankrekening zonder nadere verdeling;

eenmanszaak man

bepaalt dat de activa op de peildatum aan de man worden toegedeeld en dat de man draagplichtig is voor de eventuele schulden van de onderneming op de peildatum, onder vrijwaring van de vrouw en dat de in de verdeling wordt betrokken € 0,-;

schuld ouders man en [naam]

de vrouw voldoet de helft van deze schulden, vermeerderd met de overeengekomen rente tot aan de datum van voldoening door de vrouw, aan de man uiterlijk binnen zeven dagen na de datum van deze beschikking;

schuld man aan vrouw

bepaalt dat de man inzake de kosten van de reis naar Miami, Verenigde Staten van Amerika, € 2.107,97 aan de vrouw voldoet;

gemeenschappelijke inboedelgoederen

bepaalt dat ieder van partijen behoudt de inboedel die hij/zij op dit moment in zijn/haar bezit heeft;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C. Vogel, griffier, op 31 maart 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.C. Vogel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?