Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-350822-25
Datum uitspraak: 2 april 2026
Datum zitting: 19 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. E.B. Jobse
Officier van justitie: mr. K.P. Mandos
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het voorhanden hebben van twee vuurwapens. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij drie vuurwapens (pistolen) voorhanden heeft gehad. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 24 december 2025 te Rotterdam drie, althans één of meer, wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een pistool van het merk Makarov, model PM, kaliber 9mm Makarov, en/of
(in het nektasje van verdachte en/of op straat onder de auto):
- een pistool van het merk Blow, model TR34, kaliber 7,65 mm.
- een pistool van merk Blow, model mini 9, in het kaliber .380 Auto (9 mm kort)
voorhanden heeft gehad.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het voorhanden hebben van het pistool van het merk Makarov (model PM) en het pistool van het merk Blow (model mini 9). De verdachte moet partieel worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van het pistool van het merk Blow (model TR34).
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit van het tweede ten laste gelegde gedachtestreepje, het voorhanden hebben van het pistool van het merk Blow (model TR34).
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van twee pistolen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
Niet bewezen is dat de verdachte het pistool dat onder het voertuig is aangetroffen (Blow TR34 voorhanden heeft gehad. De verdachte wordt ten aanzien van dit deel van de beschuldiging (het tweede gedachtestreepje) partieel vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
3. Proces-verbaal van de politie
4. Proces-verbaal van de politie
5. Proces-verbaal van de politie
6. Proces-verbaal van de politie
7. Proces-verbaal van de politie
8. Proces-verbaal van de politie
9. Deskundigenverslag
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 24 december 2025 te Rotterdam twee wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een pistool van het merk Makarov, model PM, kaliber 9mm Makarov, en
- een pistool van merk Blow, model mini 9, in het kaliber .380 Auto (9 mm kort)
voorhanden heeft gehad.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest, zodat de verdachte niet terug de gevangenis in gaat. Als strafverzachtende omstandigheden wordt aangevoerd dat de verdachte niet wist dat op het voorhanden hebben van een vuurwapen zulke hoge straffen staan. Daarnaast betrof het vuurwapen uit de woning volgens de verdachte geen echt vuurwapen, maar een antiek vuurwapen dat hij wilde inlijsten. Verder heeft de verdachte geen strafblad, is hij fulltime kok, heeft hij een pasgeboren zoontje met zijn vriendin en is hij thuis kostwinner.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens, waarvan er één in zijn woning lag en hij er één in een nektasje bij zich droeg. Beide vuurwapens bleken tijdens het proefschieten door de politie goed te functioneren.
Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens levert een ernstig strafbaar feit op. Het bezit van vuurwapens leidt namelijk regelmatig tot het gebruik van die vuurwapens en vormt daardoor een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Vuurwapenbezit brengt daarnaast ernstige gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft sinds november 2025 een zoontje. Hij woont met zijn vriendin en hun zoontje en werkt fulltime als kok.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank houdt rekening met het strafblad van de verdachte, met het feit dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en zijn persoonlijke omstandigheden. Echter, gezien de ernst van het feit (twee vuurwapens), acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en daarnaast een taakstraf, niet passend.
Gelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf van 15 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 5 maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
5. Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 9 januari 2026 geschorst tot de einduitspraak in eerste aanleg. De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De rechtbank wijst dat verzoek af. De rechtbank zal ambtshalve de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw schorsen, omdat de persoonlijke belangen van de verdachte zwaarder wegen dan de strafvorderlijke belangen en de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd ook kunnen worden bereikt door het stellen van voorwaarden. De rechtbank zal de voorlopige hechtenis opnieuw schorsen, onder de voorwaarden die eerder zijn opgelegd, tot aan de dag dat dit vonnis onherroepelijk wordt.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat 5 (vijf) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Voorlopige hechtenis
schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden onder de voorwaarden die eerder zijn opgelegd, tot aan dag dat dit vonnis onherroepelijk wordt.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I. Bouter, voorzitter,
en mrs. A.M. van der Leeden en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.F. Meekhof, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 2 april 2026.
Mr. E.F. Meekhof is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.