ECLI:NL:RBROT:2026:4809

ECLI:NL:RBROT:2026:4809

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer C/10/701586 / FA RK 25-4618 en C/10/710549 / FA RK
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

uitbreiding zorgregeling en verdeling zorgkosten

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/701586 / FA RK 25-4618 en C/10/710549 / FA RK 25-8928

Beschikking van 3 april 2026 over de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. P.C.E. van den Hoek te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 16 juni 2025;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 3 september 2025;

het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 30 september 2025;

het verweerschrift op aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 18 november 2025;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 18 februari 2026;

het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 24 februari 2026;

het bericht met bijlagen van de man van 25 februari 2026;

het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 26 februari 2026;

de berichten met bijlagen van de man van 2 maart 2026 en 5 maart 2026

De financiële stukken overgelegd door de vrouw bij haar bericht van 4 maart 2026 zijn buiten de toegestane termijn overgelegd. Deze stukken zal de rechtbank buiten beschouwing laten. Op de niet-financiële stukken zal de rechtbank wel acht slaan.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .

De oudste minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft met de kinderrechter gesproken.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam 1] op [datum] .

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteland] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] .

Bij beschikking van 26 augustus 2025 over voorlopige voorzieningen is bepaald dat:

de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ;

de minderjarigen aan de man worden toevertrouwd;

de vrouw een kinderbijdrage voldoet van € 114,- per maand per kind;

de zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarigen als volgt zal zijn:

op dinsdag en donderdag uit school tot 19.00 uur, waartoe de vrouw de minderjarigen van school haalt en hen terugbrengt naar de man;

eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur, waartoe de vrouw de minderjarigen op vrijdag uit school haalt en de man de minderjarigen op zondag ophaalt bij de vrouw.

Partijen hebben ingestemd met een mediationtraject.

3. De beoordeling

Scheiding

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet en verzoekt eveneens de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Omdat zij voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.

De minderjarigen

Beide partijen verzoeken te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem/haar zal zijn en beide partijen verzoeken een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen.

De vrouw verzoekt primair een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen te bepalen waarbij de minderjarigen bij de man zijn één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagmiddag en een nader te bepalen doordeweeks contact in de andere week.

Subsidiair verzoekt de vrouw een co-ouderschapsregeling, waarbij de minderjarigen iedere week bij haar zijn van maandagochtend tot woensdagavond bij de voetbal om 18:30 uur en van woensdagavond na de voetbal om 19:30 uur tot vrijdagochtend naar school bij de man, met verdeling van de weekenden om en om.

Meer subsidiair, voor de situatie dat de rechtbank het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de man bepaalt, verzoekt de vrouw een zorgregeling tussen haar en de minderjarigen te bepalen waarbij de minderjarigen bij haar zijn een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend en in de week dat de minderjarigen niet in het weekend bij haar zijn van maandagmiddag uit school tot woensdagavond 19:00 uur.

Voor alle situaties verzoekt de vrouw de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen en het halen en brengen te delen.

De man verzoekt primair een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarigen te bepalen waarbij de minderjarigen bij de vrouw zijn iedere dinsdag en donderdag uit school tot 19:00 uur en eenmaal in de twee weken van zaterdag na de voetbal tot zondag 19:00 uur waarbij de vrouw zorg zal dragen voor het halen en brengen van de minderjarigen.

Subsidiair, voor de situatie dat de rechtbank het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw bepaalt, verzoekt de man, na wijziging van zijn verzoek tijdens de mondelinge behandeling, een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen op maandag en dinsdag bij de vrouw zijn, de rest van de week bij hem en de weekenden om en om.

Tussen partijen staat vast dat partijen voor het uiteengaan als gezin verbleven bij de ouders van de man in [plaatsnaam 3] om de periode te overbruggen dat de verbouwing van de echtelijke woning van partijen klaar zou zijn. De vrouw is op 13 december 2024 bij het gezin vertrokken en heeft sindsdien op verschillende adressen verbleven in Noord Holland. Ten tijde van de voorlopige voorzieningenprocedure verbleef zij in Heerjansdam. De man en de minderjarigen wonen nog steeds bij de ouders van de man. Per 19 januari 2026 heeft de vrouw een eengezinswoning in [plaatsnaam 2] . De minderjarigen gaan naar een basisschool in [plaatsnaam 3] . De vrouw werkt 20 uur per week onder schooltijd (en gedeeltelijke thuis) in [plaatsnaam 4] . De man heeft onweersproken gesteld dat hij met zijn werkgever heeft afgesproken dat hij de minderjarigen elke dag naar school kan brengen. Op dinsdag en donderdag haalt de vrouw de minderjarigen op, op maandag zijn moeder of zijn nieuwe partner, op woensdag hijzelf en op vrijdag zijn vader of hijzelf.

Op dit moment loopt de regeling zoals die is bepaald in de voorlopige voorzieningen, waarbij de minderjarigen iedere dinsdag en donderdag uit school tot 19:00 uur bij de vrouw verblijven en om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19:00 uur. De vrouw is sindsdien nog dichter bij [plaatsnaam 3] gaan wonen, in [plaatsnaam 2] . De rechtbank ziet in die omstandigheid een reden om de zorgregeling verder uit te breiden, waarbij de minderjarigen ook doordeweeks bij de vrouw overnachten. Zij kan de minderjarigen namelijk nu ook naar school brengen omdat zij een stuk dichterbij woont. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat er voor hen niet te veel veranderd. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de minderjarigen, die bij haar zijn op dinsdag en donderdag, die dagen ook bij de vrouw overnachten. Dat betekent concreet dat de minderjarigen iedere week van dinsdag na school tot woensdag naar school en donderdag uit school tot vrijdag naar school bij de vrouw verblijven. De rechtbank begrijpt de wens van de vrouw om op haar vrije maandagen en woensdagen ook voor de minderjarigen te willen zorgen, maar acht dit niet in het belang van de minderjarigen op dit moment. Daarbij komt dat de man ook op de woensdagen vrij is. Het staat partijen vrij om op enig moment, in goed onderling overleg, de zorgverdeling praktisch anders in te vullen, bijvoorbeeld door meer aaneengesloten periodes, als dit meer aan de belangen van de minderjarigen tegemoet komt. De rechtbank acht het van belang om een dergelijke afspraak dan aan te sluiten bij een natuurlijk moment voor de minderjarigen, bijvoorbeeld na een vakantie.

Verder zal de rechtbank bepalen dat de minderjarigen om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vrouw verblijven. De vrouw is nu in de gelegenheid de minderjarigen naar school te brengen, zodat de minderjarigen tot maandagochtend bij de vrouw kunnen blijven. Over het delen van de vakanties en feestdagen bij helfte bestaat geen geschil.

De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man bepalen.

In rechtspraak en literatuur wordt vaak als uitgangspunt genomen dat de hoofdverblijfplaats van een kind de plaats is waar het kind feitelijk het meest verblijft. De hoofdverblijfplaats is daarbij dus nauw verweven met de zorgregeling: daar waar het zwaartepunt van de zorg ligt, is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. Met vorenstaande regeling is er geen sprake meer van een echt zwaartepunt. Wat voor de rechtbank de doorslag geeft, is dat de minderjarigen in [plaatsnaam 3] zijn geworteld en daar ook naar de basisschool gaan. In die zin speelt hun leven zich daar af. De man heeft sinds 13 december 2024 al (noodgedwongen) de zorg over de minderjarigen in [plaatsnaam 3] , doordat de vrouw – met een voor de rechtbank onbekende aanleiding – is vertrokken. Weliswaar stelt de vrouw dat de man zijn zorgtaken niet kan nakomen, maar de door de vrouw in dat verband aangedragen voorbeelden acht de rechtbank onvoldoende. Gesteld noch gebleken is dat Veilig Thuis en het Jeugdteam zorgen hebben over de minderjarigen bij de man thuis. Door hun hoofdverblijf in [plaatsnaam 3] te bepalen, verandert er voor hun zo min mogelijk, ook als het gaat om school en bijvoorbeeld huisarts. Terwijl de vrouw net is verhuisd en zich daar zal moeten settelen.

Tenslotte geeft de rechtbank partijen dringend in overweging om, net als de raad, in het belang van hun dochters, hulpverlening in te schakelen om hun onderlinge verstandhouding en communicatie te verbeteren. Het doel moet zijn dat de minderjarigen met beide ouders onbelast contact kunnen hebben, mits dat voor hen veilig is. Beide partijen hebben zorgen geuit over het verblijf van de minderjarigen bij de ander. De man heeft zorgen geuit over knijpen, boosheid en te weinig eten, de vrouw over het vergeten van zorgtaken, het inschakelen van derden daarvoor, het weghouden van de kinderen en het belasten van de minderjarigen met volwassen zaken, te zien in een filmpje. Als er zorgen blijven over onbelast contact en/of de veiligheid / verzorging van de minderjarigen bij één van de ouders, zullen partijen een manier moeten vinden om dit eerst samen te bespreken alvorens daaraan consequenties te verbinden zodat de minderjarigen daar niet mee worden belast.

De kinderrechter zal de volgende brief aan [minderjarige 1] sturen:

Beste [minderjarige 1],

Op 9 maart 2026 heb ik met jou gesproken. Ik heb je gezegd dat ik over vier weken een beslissing ga nemen en dat ik jou dan een briefje zal sturen. Dat is nu.

Ik heb ook met je vader en moeder gesproken. Daarna heb ik beslist dat je bij papa blijft wonen en dat je vaker naar je moeder gaat. Nu moet ik nog uitleggen waarom ik dat heb beslist.

Ik begrijp dat het goed met je gaat als je bij je vader woont. Op dit moment is dat nog bij opa en oma. Ik heb besloten dat niet te veranderen. Je blijft dus bij papa wonen. Dan kun je ook gewoon in [plaatsnaam 3] op school blijven. Dat vind ik belangrijk.

Mama woont nu gelukkig een stuk dichterbij. Daarom is het makkelijker haar vaker te zien. Ook heeft zij nu een eigen huis met kamers voor jou en je zusje. Ik heb beslist dat je vaker een nachtje bij mama blijft slapen. Dat is op de dagen dat je toch al bij mama bent, op de dinsdag en de donderdag. Mama brengt jullie dan de volgende dag naar school. Ook blijven jullie om de week een weekend naar mama gaan. Mama brengt jullie dan op maandag naar school.

Je hebt mij ook verteld over dat mama knijpt en krabt. Dat had ik al gelezen in een brief van papa en heb ik ook met papa en mama besproken. Niemand mag jou pijn doen (behalve natuurlijk een dokter als het echt echt nodig is). Als dat wel gebeurt, als iemand jou wel pijn doet, dan is het goed om dat aan een volwassen iemand te zeggen. Dat kan papa of mama of opa of oma zijn maar ook een juf of een meester, een buurvrouw of de moeder of vader van een vriendin. Die moet het dan voor en met jou proberen op te lossen.

[minderjarige 1] , ik hoop heel erg dat papa en mama er voor gaan zorgen dat het bij allebei fijn is en dat jullie geen last meer hebben van dat ze uit elkaar gaan. Ik wens je veel succes met alles!

Kinderbijdrage

De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 529,- per maand vast te stellen bij co-ouderschap of nagenoeg gelijkwaardige zorgregeling waarbij de minderjarigen bij de vrouw staan ingeschreven.

De man verzoekt een door de vrouw te bepalen kinderbijdrage van € 500,- per maand per kind vast te stellen.

De rechtbank heeft bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn. Dat betekent dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening dient te nemen. Feitelijk verblijven de minderjarigen echter bij iedere ouder even veel. De minderjarigen zijn namelijk in de ene week twee dagen (de dinsdag en de donderdag) en de andere week vijf dagen (de dinsdag, donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag) bij de vrouw. Over veertien dagen bekeken, is de zorg dus gelijkelijk verdeeld. De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw zo dat zij ook in deze situatie een kinderbijdrage van de man vraagt. De rechtbank worstelt met de formulering van het verzoek van de vrouw waarbij zij de bijdrage lijkt te koppelen aan waar de minderjarigen staan ingeschreven dan wel hun hoofdverblijf hebben. Het is echter in het belang van de minderjarigen dat wordt voorzien in hun behoefte. De man heeft ook rekening kunnen houden met een eventueel te betalen bijdrage, omdat de vrouw in haar inleidende verzoekschrift al om een kinderbijdrage verzoekt.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 23 december 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1924) blijkt dat de vraag of en, zo ja, in hoeverre de ouder bij wie het kind meer dan incidenteel verblijft, maar niet zijn hoofdverblijf heeft, jegens de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten die zijn gemoeid met verzorging en opvoeding van het kind gedurende dat meer dan incidentele verblijf, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte. Voor het opleggen van een verplichting aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, om bij te dragen in de zorgkosten van de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, is niet vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank zal beide verzoeken van partijen dan ook beoordelen.

De vrouw heeft haar verzoek om wijziging van de beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen ten aanzien van de kinderbijdrage ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer over kan beslissen.

De ingangsdatum

Partijen zijn het erover eens dat een eventuele kinderbijdrage moet worden vastgesteld per de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De behoefte

Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) in 2024 € 735,- per maand per kind bedroeg. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 819,- per maand per kind.

Draagkrachtberekening

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.

De vrouw heeft drie loonstroken overgelegd, namelijk van januari 2025, februari 2025 en januari 2026. Met de man is de rechtbank van oordeel dat dit weinig is om het actuele inkomen van de vrouw te bepalen. Bij gebrek aan meer gegevens zal de rechtbank echter uitgaan van de laatste loonstrook. De man heeft zijn stelling dat uitgegaan moet worden van € 40.000,- bruto per jaar ook niet nader onderbouwd.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de vrouw, ook in het kader van de kinderbijdrage, een verdiencapaciteit heeft. De rechtbank is van oordeel dat dit op termijn zeker van de vrouw verwacht zou mogen worden. Gelet op de situatie tijdens het huwelijk waarover de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij altijd minder verdiende en concessies heeft gedaan, het feit dat er pas sinds januari 2026 weer stabiliteit is in het leven van de vrouw als het gaat om haar woonsituatie en het belang van de minderjarigen dat zij niets of zo min mogelijk te kort komen, is dat nu nog te vroeg.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar in deze beschikking als bijlage 1 opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.288,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens:

- basisloon € 2.230,73

- werkgeversbijdrage AOV € 5,56

- IKB € 380,34

- pensioenpremie € 140,-

- premie AOP € 3,71

- premie AOV € 10

- premie WIA-WGA € 3,39

De algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn in aanmerking genomen.

De rechtbank merkt hierbij op dat de vrouw zelf geen draagkrachtberekening heeft overgelegd en niet heeft kunnen toelichten op welke wijze haar IKB wordt opgebouwd, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat de vrouw maandelijks een IKB bedrag opbouwt gelijk aan het bedrag vermeld op haar loonstrook van € 380,34 en daarnaast niet apart vakantiegeld ontvangt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een belastbaar inkomen heeft van € 72.326,- per jaar. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking als bijlage 2 opgenomen berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man op € 4.881,- per maand.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 5.339,- per jaar, waar de man gelet op zijn inkomen recht op heeft.

De draagkracht van partijen wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 166,- per maand voor de vrouw en € 1.436,- per maand voor de man.

Draagkrachtvergelijking

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 166,- + € 1.436,- = € 1.602,-) lager is dan de behoefte van de minderjarigen (€ 1.638,-) kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.

Zorgkorting

Zoals overwogen hebben partijen gelijkelijk de zorg over de minderjarigen. Daarbij hoort een zorgkorting van 35%. Daarnaast wordt de man geacht de verblijfsoverstijgende kosten van 30% voor zijn rekening te nemen.

De behoefte van de minderjarige bedraagt € 1.638,- per maand (tweemaal € 819,-), zodat de zorgkosten voor de vrouw € 573,- per maand bedragen en de zorgkosten voor de man € 1.065,-.

Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort (€ 36,-) aan beide ouders voor de helft (ieder € 18,-) toegerekend. Dit betekent dat de uiteindelijke zorgkosten voor de vrouw € 555,- per maand bedragen en de zorgkosten van de man € 1.047,-.

Afgezet tegen de beschikbare draagkracht komt de vrouw dus maandelijks een bedrag van € 389,- (€ 166,- minus € 555,-) te kort om te voorzien in de kosten van de kinderen, terwijl de man een bedrag van € 389,- (€ 1.436,- minus € 1.047,-) “overhoudt”.

Conclusie

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 195,- per maand per kind in overeenstemming met voornoemde wettelijke maatstaven.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Partnerbijdrage

De vrouw verzoekt een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 240,- per maand. Tijdens de mondelinge behandeling geeft de vrouw aan dat dit verzoek niet afhangt van waar de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats krijgen.

De vrouw heeft dit verzoek pas gedaan bij aanvullend verzoek op 26 februari 2026. Anders dan de man is de rechtbank niet van oordeel dat hierdoor sprake is van strijd met de goede procesorde, omdat de man voldoende tijd heeft gehad om zich hierop voor te bereiden en bij de partnerbijdrage wordt uitgegaan van dezelfde gegevens als bij de kinderbijdrage.

Met de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw haar verzoek onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Het had op de weg van de vrouw gelegen om onderbouwd te stellen hoe hoog haar behoefte is en waarom zij niet in staat is zelf in de gevraagde bijdrage te voorzien. Dit heeft zij nagelaten. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

Verdeling

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 16 juni 2025. In afwijking hiervan, zijn partijen overeengekomen dat 13 december 2024 als de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt. Om die reden zullen, zonder verdere verrekening, de goederen die in de periode tussen de gekozen peildatum en de wettelijke peildatum van de man of de vrouw in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen aan de man of de vrouw worden toegedeeld onder de verplichting om de schulden die in die periode in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen aan de zijde van de man of de vrouw voor zijn of haar rekening te nemen.

De rechtbank zal achtereenvolgens de bestanddelen van de gemeenschap per 13 december 2024 bespreken.

de echtelijke woning en de hypothecaire geldlening

Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de [adres] (hierna: de woning) moet worden verkocht. Zij zijn het eens over de verkopende makelaar [naam makelaar] .

De man voert echter aan dat hij de verbouwing van de echtelijke woning eerst wil afronden om zo een hogere verkoopopbrengst te realiseren. De vrouw stemt hier niet mee in. De rechtbank is van oordeel dat de woning zo snel mogelijk moet worden verkocht. De vrouw stelt onbetwist dat partijen nu al niet kunnen voldoen aan de hypothecaire verplichtingen. Daarbij komt dat om de verbouwing uit te voeren, partijen nog een lening (bij de werkgever van de man) moeten afsluiten. De man heeft verder onvoldoende onderbouwd gesteld dat na de door hem gewenste verbouwing de verkoopopbrengst daadwerkelijk hoger zal zijn. De omstandigheid dat partijen al veel bouwmaterialen hebben aangeschaft, maakt dit oordeel niet anders. Partijen zullen deze materialen moeten (mee)verkopen.

Op de verkoopopbrengst moet de hypothecaire schuld ten tijde van de overdracht van de woning in mindering worden gebracht. Voor zover de verkoopopbrengst hoger is dan de hypothecaire schuld, is sprake van overwaarde die partijen gelijkelijk verdelen, met inachtneming van hetgeen onder 3.5.14 wordt overwogen.

Als de verkoopopbrengst lager is dan de hoogte van de hypothecaire schuld, is sprake van onderwaarde, die partijen gelijkelijk dragen.

Persoonlijke zaken

Partijen zijn het eens dat ieder zijn eigen persoonlijke zaken krijgt toebedeeld. Voor de rechtbank is onduidelijk wat precies bedoeld is met de geboorte armbandjes van de minderjarigen. Partijen zijn het er evenwel over eens dat deze armbandjes de minderjarigen toebehoren. Voor zover de armbandjes al in de gemeenschap van partijen vallen, zal de rechtbank deze toedelen aan de minderjarigen.

Inboedel

Partijen zijn het eens dat de inboedel wordt verdeeld zoals weergegeven op de door de vrouw overgelegde inboedellijst.

Fiat

Partijen zijn het erover eens dat op 13 december 2024 tot de gemeenschap behoorde een Fait waarmee de vrouw een aanrijding heeft gehad. Naar de rechtbank begrijpt zijn partijen het eens dat de dagwaarde van de Fiat bij helfte moet worden verdeeld. De man stelt de dagwaarde op een bedrag van € 4.500,-, welk bedrag door de vrouw niet is weersproken. De rechtbank bepaalt dat de vrouw de helft van de dagwaarde, te weten een bedrag van € 2.250,- aan de man dient te voldoen.

De vrouw betwist niet dat zij een bedrag van € 1.500,- van de man heeft ontvangen, welk bedrag zij heeft gebruikt voor de aanschaf van een nieuwe auto (een Peugeot 2008 die niet tot de gemeenschap per 13 december 2024 behoort). Zij stelt dat de man dit bedrag aan haar heeft geschonken, maar, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd. Hieruit volgt dat zij een bedrag van € 1.500,- aan de man dient te voldoen.

Niet is gebleken dat de verzekeraar het bedrag van € 3.000,- heeft uitgekeerd vóór 13 december 2024. Dit bedrag valt dus niet in de te verdelen gemeenschap.

De rechtbank merkt op dat partijen het erover eens zijn dat de Ford Mustang een zakelijk auto is en dus niet in de gemeenschap is gevallen.

Motor Ducati

Partijen zijn het erover eens dat de motor Ducati aan de man wordt toebedeeld. De man stelt dat de motor € 1.000,- waard is. De vrouw heeft zich niet uitgelaten over de waarde, zodat de rechtbank zal uitgaan van de door de man gestelde waarde. De man dient dan ook een bedrag van € 500,- aan de vrouw te voldoen.

Bankrekeningen

Partijen zijn het eens dat ieder van partijen het saldo van de op zijn of haar naam staande rekening krijgt toegedeeld zonder nadere verrekening.

Belastingteruggave

De man stelt dat de vrouw een belastingteruggave van € 6.172,- heeft ontvangen. In beginsel moeten teruggaven die zien op de huwelijkse periode verrekend worden. De vrouw betwist echter de genoemde teruggave te hebben ontvangen. Tegenover deze betwisting heeft de man zijn stelling niet nader onderbouwd. Niet valt in te zien waarom de man niet een bericht van de belastingdienst heeft overgelegd, waaruit de teruggave, die zou moeten zien op de huwelijkse periode, blijkt. De rechtbank kan er in rechte dus niet vanuit gaan dat de vrouw een teruggave heeft ontvangen. Het verzoek van de man op dit punt wordt dan ook afgewezen.

lening Defam, lening SVN en hypothecaire geldlening

Partijen zijn overeengekomen dat de schulden die bestaan uit rente en aflossing (de hypothecaire geldlening, lening bij SVN en lening bij Defam) per 13 december 2024 voor rekening en risico komen van beide partijen. Die schulden worden afgelost op de datum van verkoop van de woning. De man zal na 13 december 2024 de aflossingen voldoen, die worden verrekend bij de verkoop van de woning, zodat ieder uiteindelijk de helft van aflossingen draagt. Partijen gaan vanaf de datum van deze beschikking de hypotheekrente, de rente bij Defam en de rente bij SVN gezamenlijk bij helfte betalen. Gezien deze overeenstemming heeft de man zijn verzoek met betrekking tot de vaste lasten ingetrokken, zodat de rechtbank dit verzoek zal afwijzen.

De rechtbank zal beslissen dat partijen vanaf de datum van deze beschikking de gemeentelijke belastingen ook samen moeten dragen. Partijen zijn immers gezamenlijk eigenaar van de woning.

Creditcardschuld

De vrouw stelt dat op 13 december 2024 een creditcardschuld bestond met een omvang van € 2.000,-. Dit wordt door de man betwist. De vrouw heeft deze schuld niet nader (met stukken) onderbouwd, zodat deze schuld niet in rechte is komen vast te staan. Het verzoek van de vrouw op dit punt wordt afgewezen.

Schuld kinderopvangtoeslag

De vrouw stelt dat op 13 december 2024 een schuld aan de belastingdienst terzake de kinderopvangtoeslag over 2022 en 2023 met een totale omvang van € 3.972,- bestond. Ter onderbouwing van deze schuld legt de vrouw een aantal screenshots over. De man betwist het bestaan van de schulden, de rechtbank begrijpt, op de peildatum. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de betwisting door de man, de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de schulden er nog waren per peildatum. Uit de stukken volgt dat de uiterste betaaldata van de drie afzonderlijke schulden voorafgaand aan de peildatum waren. Verdere stukken zijn door de vrouw niet overgelegd. Het verzoek van de vrouw op dit punt wordt dan ook afgewezen.

Schuld motorrijtuigenbelasting, De Hypotheker en Reedijk Interieur.

Tussen partijen staat vast dat de man deze schuld met een omvang van € 192,- na 13 december 2024 heeft voldaan. De vrouw dient de helft van dit bedrag aan de man te voldoen.

Partijen zijn het eens dat de man de schuld aan De Hypotheker van € 3.495,- en de schuld bij Reedijk Interieur van € 7.827,50 heeft voldaan en dat de vrouw de helft van deze bedragen aan de man dient te vergoeden.

Overige

Als een echtgenoot tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot bij echtscheiding van rechtswege recht op pensioenverevening. Het verzoek van de vrouw op dit punt wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] 2013 te [plaatsnaam 1] ;

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn;

stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw zullen zijn als volgt

iedere dinsdag uit school tot woensdag naar school;

iedere donderdag uit school tot vrijdag naar school;

om de week een weekend van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school;

de helft van de vakanties en feestdagen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 195,- per maand per kind;

gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.5.4 tot en met 3.5.19;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.L. Visser, griffier, op 3 april 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.L. Visser

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?