Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10/144042-24 en 10/230463-25
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Datum zitting: 25 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1994 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres:
[adres 1] ([postcode]) te [plaatsnaam],
gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam.
Advocaat van de verdachte: mr. N. Stegerhoek
Officier van justitie: mr. T.J. Lindhout
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich in vereniging schuldig gemaakt aan de handel in verdovende middelen. Dit feit heeft hij bekend. Verder is bewezen dat hij 1 gram cocaïne en een automatisch vuurwapen voorhanden heeft gehad. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het voorhanden hebben van een patroonhouder met munitie en criminele uitbuiting. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in verdovende middelen, het voorhanden hebben van heroïne en cocaïne, het voorhanden hebben van een patroonhouder, munitie, een automatisch vuurwapen en daarnaast criminele uitbuiting van [naam 1] en [naam 2] (sub 1, 4, 6 en 9).
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
10/144042-24
1
hij in de periode van 19 maart 2024 tot en met 10 februari 2025 te Rotterdam en/of
Schiedam en/of Delft, althans in Nederland, op een of meerdere tijdstip(pen)
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
(telkens) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval
(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) (een)
middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 9 juli 2024 en/of 11 februari 2025 te Delft en/of Rotterdam,
althans in Nederland, op een of meerdere tijdstip(pen)
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad,
(namelijk) op 9 juli 2024:
- ongeveer 8,3 gram van een materiaal bevattende heroïne en/of
- ongeveer 15,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde heroïne en/of cocaïne, en/of
op 11 februari 2025:
- ongeveer 935,79 gram (bruto) van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne, althans een hoeveelheid harddrugs,
(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan
wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks 11 februari 2025 te Rotterdam
een onderdeel van een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de
Wet wapens en munitie,
te weten een patroonhouder, in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, en/of
(bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2,
categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere
kogelpatro(o)n(en) van het kaliber 9 mm,
voorhanden heeft gehad;
4
hij,
in of omstreeks de periode van 27 februari 2024 tot en met 10 februari 2025 te
Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in verenging met een of meer anderen, althans alleen,
een ander en/of anderen, genaamd [naam 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1973)
en/of [naam 2] (geboren op [geboortedatum 3] 1973),
(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van
Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld/ en/of een
andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door
afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke
omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare
positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de
instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [naam 1]
en/of [naam 2], heeft,
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het
oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1),
en/of
2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van
arbeid of diensten (van criminele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen
waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader wist(en) of redelijkerwijs moest(en)
vermoeden dat die [naam 1] en/of [naam 2], zich daardoor beschikbaar
zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van criminele aard)
(artikel 273f lid 1 sub 4),
3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader te
bevoordelen uit de opbrengst van (de criminele) handelingen van die [naam 1]
en/of [naam 2], althans een of meer personen, met of voor een derde tegen
betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),
en/of
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [naam 1]
en/of [naam 2] (artikel 273f lid 1 sub 6),
waarbij die dwang en/of dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging
met geweld of een andere feitelijkheid en/of de misleiding en/of misbruik van
voortvloeiend overwicht en/of van kwetsbare positie heeft/hebben bestaan uit:
- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins)dreigende en/of
overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [naam 1] en/of
[naam 2],
- het onder controle (laten) houden van die [naam 1] en/of [naam 2], door die
[naam 1] en/of [naam 2] cocaïne te geven en/of (dagelijks) met die [naam 1] in contact
te zijn en/of bij hem langs te gaan,
- het in het bezit zijn van een sleutel van de woning en/of de kelderbox van die B.
[naam 1] en/of [naam 2] (waardoor het voor die [naam 1] en/of [naam 2]
werd bemoeilijkt zich aan de controle van verdachte en/of zijn mededader en/of
aan de arbeid en/of diensten (van criminele aard) te onttrekken);
- het vragen en/of bepalen dat die [naam 1] en/of [naam 2], zijn/hun woning
en/of zijn/hun kelderbox ter beschikking zou(den) stellen voor de bereiding van
cocaïne en/of heroïne en/of het opbergen van de voorraad cocaïne en/of heroïne
en/of verpakkingsmaterialen, wetende dat die [naam 1] en/of [naam 2] op dat
moment verslaafd was/waren aan cocaïne;
- het aanbieden en/of ter beschikking stellen van cocaïne en/of heroïne aan die B.
[naam 1] en/of [naam 2], in ruil voor het ter beschikking stellen van zijn/hun
woning en/of zijn/hun kelderbox voor de bereiding van cocaïne en/of heroïne en/of
het opbergen van de voorraad cocaïne en/of verpakkingsmaterialen, wetende dat
die [naam 1] en/of [naam 2] op dat moment verslaafd was/waren aan cocaïne;
- het op de pof geven van cocaïne aan die [naam 1] en/of [naam 2], in ruil voor
het ter beschikking stellen van zijn/hun woning en/of de kelderbox voor de
bereiding van cocaïne en/of heroïne en/of het opbergen van de voorraad cocaïne
en/of heroïne en/of verpakkingsmaterialen, wetende dat die [naam 1] en/of [naam 2]
op dat moment verslaafd was/waren aan cocaïne;
en/of waarbij voornoemde (onder 2)) "enige handeling" heeft bestaan uit:
- het regelen en/of het bepalen dat die [naam 1] en/of [naam 2] zijn/hun
woning en/of kelderbox ter beschikking zou stellen voor de bereiding van cocaïne
en/of heroïne en/of het opbergen van de voorraad cocaïne en/of heroïne en/of
verpakkingsmaterialen;
- het regelen van de sleutels van de woning en/of de kelderbox van die [naam 1]
en/of [naam 2] om zich en/of een ander de toegang tot die woning en/of de
kelderbox te kunnen verschaffen om het opslaan en/of verpakken van cocaïne en/of
heroïne mogelijk te maken;
- het dagelijks langskomen in de woning van die [naam 1] en/of [naam 2];
10/230463-25
5
hij op een of meer momenten in de periode van 27 februari 2024 tot 11 februari
2025 te Schiedam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 2º van de Wet wapens en
munitie,
te weten
- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een
(automatisch) pistool van het merk Glock, type Model 17, kaliber 9 mm,
zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren,
voorhanden heeft gehad.
2. Bewijs / Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de overige feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Feit 1
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de handel in harddrugs. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft dit feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit.
Gelet op het voorgaande worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, herkenning verdachte
3. Verhoor van de getuige
4. Proces-verbaal van de politie, analyse telefoon verdachte
5. Proces-verbaal van de politie, uitgewerkte tapgesprekken
6. Proces-verbaal van de politie, telefoonnummer [naam 3]
7. Proces-verbaal van de politie, reclame [naam 3]
Feit 2
Bewezen is dat de verdachte 1 gram cocaïne voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen.
De verdediging heeft – ondanks de aangetroffen 1 gram cocaïne – integrale vrijspraak van dit feit bepleit, omdat dit niet een hoeveelheid is waarvoor mensen doorgaans worden gedagvaard. Aan een bewezenverklaring staat dit echter niet in de weg. De rechtbank is dan ook, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verdachte voor het begaan van dit feit wel moet worden veroordeeld. Voor de overige hoeveelheden is de rechtbank het met de verdediging en de officier van justitie eens dat die op basis van het dossier niet bewezen kunnen worden.
Gelet op het voorgaande worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven.
8. Proces-verbaal van de politie, doorzoeking woning [adres 3]
9. Kennisgeving van inbeslagneming
10. Proces-verbaal van de politie, onderzoek verdovende middelen
11. Deskundigenverslag - rapport van het Nederlands Forensisch Instituut
Feit 5
Bewezen is dat de verdachte een automatisch vuurwapen voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van feit 5 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
12. Proces-verbaal van de politie, doorzoeking woning [adres 2]
Op 11 februari 2025 werd de woning aan het [adres 2] betreden. Van de doorzoeking in de berging is een afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Bij deze doorzoeking werd een vuurwapen aangetroffen (2025031267-39, goednummer 6910867).
13. Proces-verbaal van de politie, doorzoeking berging [adres 2]
In het slot van de voordeur aan de binnenzijde van de woning hing een sleutelbos met meerdere sleutels eraan. Eén van die sleutels bleek een sleutel te zijn van de berging behorende bij deze woning. Middels die sleutel werd de voordeur van de berging geopend. In deze berging werd in een doos een plastic tas aangetroffen van supermarktketen Plus met daarin een zwart vuurwapen.
14. Proces-verbaal van de politie, onderzoek vuurwapen
Het in beslag genomen voorwerp is een automatisch pistool bestemd om projectielen door een loop af te schieten. Het vuurwapen is voorzien van een zogenoemde ‘autoswitch’: een after market vuurregelaar; hierdoor is het in beslag genomen vuurwapen bestemd om automatisch te vuren. Derhalve is dit een vuurwapen in de zin van artikel l onder 3 gelet op artikel 2, lid 1, categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie.
15. Proces-verbaal vooronderzoek lab
16. Deskundigenverslag - rapport van het Nederlands Forensisch Instituut
[afbeeldingen deskundigen verslagen]
17. Proces-verbaal van de politie, screenshot
Op 11 februari 2025 wordt er in de woning aan het [adres 2] een vuurwapen aangetroffen tijdens een onderzoek naar de handel in verdovende middelen. Op het vuurwapen wordt het DNA van zowel [naam 4] als [naam 5] aangetroffen waarvan uit onderzoek is gebleken dat zij beiden gebruik maakten van de deallijn [telefoonnummer] onder de naam van ‘[naam 3]’.
Uit een nader onderzoek in één van de telefoons van [naam 1] werd het volgende screenshot aangetroffen waarin openlijk over kogels en houder gesproken wordt.
[afbeelding screenshot]
De afbeelding was gemaakt en opgeslagen op de telefoon op 23 november 2024 om 00:41 uur.
18. Verklaring van de verdachte
Ik heb wel eens gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Ik heb daarmee ook wel eens contact gehad met [naam 1].
19. Proces-verbaal van de politie, gesprek [naam 2]
Ineens kwam de Marokkaanse jongen over de vloer en af en toe gebruikte hij ook de huissleutels van [naam 1], zowel voor de berging als de voordeur.
20. Verhoor [getuige] 13 februari 2025
Aan de getuige wordt een foto van de [verdachte] getoond.
A: Ja dit is hem, dit is de Marokkaanse man. Dit is ook de man die als [naam 3] in [naam 1] zijn telefoon staat.
Bewijsmotivering
In de berging van de woning van [naam 1] is een vuurwapen aangetroffen. Op de trekker, de ruwe delen, de binnenzijde van de loop en het patroonmagazijn is onder andere het DNA van de verdachte aangetroffen. Het betreft dus verschillende plekken verspreid over het hele vuurwapen, waaronder onderdelen aan de binnenkant van het vuurwapen. Daarnaast bevat het dossier een chatgesprek tussen [naam 1] en [naam 3] ([telefoonnummer]) waarin door [naam 3] wordt gestuurd: ‘alles schoonmaken met ammoniak, de kogels en houder’. Van het telefoonnummer dat hieraan wordt gekoppeld, heeft de verdachte op zitting verklaard dat hij daar wel eens gebruik van heeft gemaakt en dat hij met dit nummer ook contact heeft gehad met [naam 1]. Verder heeft de [getuige] de verdachte herkend als zijnde de ‘Marokkaanse jongen’, die volgens haar ook in de berging kwam, waar het vuurwapen gevonden is. De verdachte zelf heeft geen enkele verklaring gegeven voor hoe zijn DNA op het wapen terecht gekomen is.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte zowel de beschikkingsmacht had over het wapen alsook wetenschap heeft gehad dat het wapen in de berging lag. Het feit is wettig en overtuigend bewezen. Daarbij is sprake van medeplegen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij in de periode van 19 maart 2024 tot en met 10 februari 2025 te Rotterdam en/of
Schiedam en/of Delft op meerdere tijdstippen
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
opzettelijk
heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt,
een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens
middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op 11 februari 2025 te Rotterdam,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad,
- 1 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
5
hij in de periode van 27 februari 2024 tot 11 februari 2025 te Schiedam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 2º van de Wet wapens en
munitie,
te weten
- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een
(automatisch) pistool van het merk Glock, type Model 17, kaliber 9 mm,
zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren,
voorhanden heeft gehad.
Vrijspraak feit 3 en 4
Feit 3
In de woning aan de [adres 3] is een patroonhouder aangetroffen in een slof, die in de wasmand lag. Weliswaar kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat de verdachte regelmatig in de woning verbleef, maar verder bevat het dossier geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte wetenschap van en/of beschikkingsmacht over de patroonhouder heeft gehad. De verdachte wordt daarom van dit feit vrijgesproken.
Feit 4
De tenlastelegging is geënt op de delictsomschrijving van artikel 273f, eerste lid, onderdelen 1, 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Zowel uit de wetsgeschiedenis als uit de jurisprudentie blijkt dat het begrip uitbuiting daarbij ruim moet worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van personen.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat sub 6 en 9 niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering wordt vrijgesproken.
Juridisch kader
Artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr
Artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr ziet op het – door middel van een (dwang)middel – werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander. Het gaat om activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijk bewegen of dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in onderdeel 4 van artikel 273f, eerste lid, Sr.
De (dwang)middelen zijn: dwang, (dreiging met) geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over een ander heeft. De inzet van een dwangmiddel dient ertoe te leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie belandt of dat iemand ervan wordt weerhouden zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.
De handelingen omschreven in onderdeel 1 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen.
De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van 'uitbuiting', is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene(n) meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren.
Uit jurisprudentie volgt dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.
De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden; voldoende is de onmiskenbare bedoeling van de dader. Wel moet het opzet gericht zijn op de uitbuiting. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.
Artikel 273f, lid 1, sub 4 Sr
Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in onderdeel 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij onder de in onderdeel 1 genoemde omstandigheden enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De gedragingen in onderdeel 4 volgen vaak op de gedragingen in de onderdelen 1 en 2, maar ze kunnen elkaar ook overlappen.
De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van onderdeel 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in onderdeel 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, wanneer uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, met dien verstande dat die afweging bij minderjarigen anders kan uitvallen dan bij meerderjarigen.
Beoordeling door de rechtbank
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van sub 1 en 4 ten aanzien van [naam 1]. De verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van [naam 1].
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van criminele uitbuiting. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de in de tenlastelegging opgenomen gedachtestreepjes/handelingen, waaruit het van toepassing zijnde dwangmiddel zou hebben bestaan, heeft verricht. De relatie die de verdachte met [naam 1] had, wijst er weliswaar op dat de verdachte wist van de verslaving van [naam 1] en aldus ook op de hoogte was van de kwetsbare positie waarin [naam 1] zich bevond. Uit het dossier blijkt echter niet dat de verdachte, misbruik makend van de kwetsbare positie van [naam 1], enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [naam 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten. Het feit kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 5
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 tot en met 5 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
Voor het onderzoek aan de telefoons die onder de verdachte in beslag genomen zijn, is sinds het Landeck-arrest een machtiging van de rechter-commissaris vereist. Die is niet verstrekt en daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, hetgeen dient te leiden tot matiging van de op te leggen straf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende bijna een jaar schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs. Daarnaast heeft hij cocaïne en een automatisch vuurwapen voorhanden gehad. Het is algemeen bekend dat drugs, mede vanwege de verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in verdovende middelen dikwijls gepaard met andere vormen van criminaliteit. De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het drugscircuit. Verder leidt het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie veelal tot het plegen van ernstige geweldsdelicten en voedt het gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 21 januari 2026 blijkt dat de verdachte in 2019 veroordeeld is voor soortgelijke strafbare feiten. Deze veroordeling is echter nog niet onherroepelijk.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 14 juli 2025 wordt geadviseerd om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De verdachte zal volgens de reclassering zelf de keuze moeten maken om zijn leven anders te gaan inrichten en zich te focussen op pro-sociale doelen. Het inzetten van interventies zal niet leiden tot gedragsbeïnvloeding.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen; zij vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Verweer ex. artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering
Uit het Landeck-arrest volgt – kort gezegd – dat voor het onderzoek aan een telefoon in beginsel voorafgaande toestemming moet worden gegeven door een rechterlijke autoriteit.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat op basis van het dossier niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat een dergelijk bevel is afgegeven, omdat het bevel zelf in het dossier ontbreekt. Daarmee moet het ervoor worden gehouden dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. De rechtbank gaat, gelet op de ernst en de aard van de verdenking, in het kader waarvan het onderzoek aan de telefoons is verricht, ervan uit dat de rechter-commissaris, indien daartoe verzocht, toestemming zou hebben gegeven om de telefoons te onderzoeken. Om die reden zal de rechtbank geen consequenties verbinden aan het geconstateerde vormverzuim.
5. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat voor de laptops, de sieradendoos, memorykaarten, sleutels, acculader, garantiebewijs en het nephorloge een bevel tot teruggave aan de verdachte wordt gegeven. Verder heeft zij gevorderd dat het paspoort wordt teruggegeven aan de rechthebbende. De in beslag genomen verdovende middelen, het vuurwapen en de munitie moeten worden onttrokken aan het verkeer en de auto, dealtelefoon en € 450,00 moeten worden verbeurdverklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de beslissing over het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf voor feit 1 worden de in beslag genomen auto (Volkswagen Golf) en de dealtelefoon (G6949328) verbeurdverklaard. Het strafbare feit is met behulp van deze goederen gepleegd en de goederen behoren aan de verdachte toe.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank beslist dat de in beslag genomen verdovende middelen, het vuurwapen en de munitie worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.
Teruggave
De rechtbank beslist tot de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen laptops, sieradendoos, memorykaarten, sleutels, acculader, garantiebewijs, nephorloge en het geldbedrag van € 450,00. Het geldbedrag kan niet in verband gebracht worden met een strafbaar feit.
De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen paspoort aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
6. Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De rechtbank wijst dat verzoek af. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in het kader van de bewezenverklaring, is er sprake van ernstige bezwaren. Ook de recidivegrond is nog aanwezig. Een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering doet zich niet voor.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 5, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd voor feit 1: de auto (Volkswagen Golf) en de telefoon (G6949328);
- verklaart voor de strafbare feiten onttrokken aan het verkeer: verdovende middelen, het vuurwapen en de munitie;
- beveelt de teruggave aan de verdachte van de laptops, sieradendoos, memorykaarten, sleutels, acculader, garantiebewijs, nephorloge en het geldbedrag van € 450,00;
- beveelt de teruggave van het paspoort aan de rechthebbende.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. J.L. Luiten en L.B. Esser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Blom-den Haan, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 maart 2026.
Mrs. J.L. Luiten en L.B. Esser zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.