ECLI:NL:RBROT:2026:4815

ECLI:NL:RBROT:2026:4815

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 11947195 CV EXPL 25-23471
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Huur bedrijfsruimte, ontbinding, ontruiming

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11947195 CV EXPL 25-23471

datum uitspraak: 3 april 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

Marcan Vastgoed B.V.,

vestigingsplaats: Barendrecht,

eiseres,

gemachtigde: mr. Th.C. Visser,

tegen

[gedaagde] B.V.,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.N.M. Dijkstra.

De partijen worden hierna ‘Marcan’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 27 oktober 2025, met bijlagen;

het antwoord, met één bijlage;

de akte van Marcan, met een wijziging van de eis.

[gedaagde] heeft, ondanks dat zij daartoe op de juiste wijze in de gelegenheid is gesteld, niet meer gereageerd op de akte van Marcan en heeft ook geen uitstel gevraagd.

2. De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

[gedaagde] huurt van Marcan de bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] . De huur is nu € 5.470,57 per maand. Volgens Marcan is er een huurachterstand. Marcan eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt, dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt, dat [gedaagde] de bedrijfsruimte ontruimt en dat [gedaagde] de lopende huur dan wel een gebruiksvergoeding betaalt. Ook eist Marcan dat [gedaagde] buitengerechtelijke kosten en een contractuele boete betaalt. De kantonrechter wijst de eis van Marcan voor het grootste deel toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.

[gedaagde] moet een huurachterstand van € 21.882,28 betalen

Marcan heeft in haar dagvaarding betaling geëist van de huurachterstand over september en oktober 2025 van in totaal € 7.470,57. Partijen zijn het er over eens dat [gedaagde] die achterstand ná het uitbrengen van de dagvaarding volledig heeft betaald. Marcan heeft echter in haar akte gesteld dat [gedaagde] vervolgens de huur van de maanden november 2025 tot en met februari 2026 (ook) niet heeft betaald. Marcan heeft daarom haar eis gewijzigd, in die zin dat zij nu eist dat [gedaagde] de huurachterstand over november 2025 tot en met februari 2026 van in totaal € 21.882,28 betaalt en dat de huurovereenkomst, vanwege die huurachterstand, wordt ontbonden en de bedrijfsruimte wordt ontruimd. [gedaagde] heeft, hoewel zij daartoe behoorlijk in de gelegenheid is gesteld, niet meer op de eiswijziging van Marcan gereageerd. Dat betekent dat de kantonrechter er van uit gaat dat het door Marcan genoemde bedrag aan huurachterstand juist is. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld de huurachterstand van € 21.882,28 aan Marcan te betalen. De huur tot en met februari 2026 zit hier dus bij.

De huurovereenkomst wordt ontbonden

De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Hierbij wordt rekening gehouden met alle omstandigheden. De kantonrechter houdt er in dit geval rekening mee dat, ondanks dat [gedaagde] de huurachterstand over september en oktober 2025 na dagvaarding heeft betaald, [gedaagde] de huur vanaf november 2025 helemaal niet meer heeft betaald en daardoor de achterstand tijdens deze procedure heeft laten oplopen tot vier maanden. [gedaagde] heeft niet uitgelegd wat de reden daarvan is. Ook speelt mee dat [gedaagde] in het (recente) verleden al vaker huurachterstanden heeft laten ontstaan.

[gedaagde] moet de huur betalen tot de ontbinding van de huurovereenkomst

Marcan eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de huur vanaf 1 maart 2026 te betalen De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar stelling dat Marcan geen betaling van toekomstige huurpenningen kan eisen. Marcan heeft namelijk onweersproken gesteld dat zij goede gronden heeft om te vrezen dat [gedaagde] in de nakoming van haar betalingsverplichting uit de huurovereenkomst tekort zal (blijven) schieten, omdat [gedaagde] de huur inmiddels al vier maanden lang niet heeft betaald. Gelet op die omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat ook dit deel van de eis van Marcan kan worden toegewezen. Omdat de toewijsbare huurachterstand is berekend tot en met februari 2026 en de huurovereenkomst per de datum van dit vonnis wordt ontbonden gaat het om de huur tot 3 april 2026. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld de huur vanaf 1 maart 2026 tot 3 april 2026 te betalen.

[gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen

Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de bedrijfsruimte met al haar spullen verlaten. Marcan heeft niet uitgelegd waarom zij wil dat [gedaagde] de bedrijfsruimte binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis ontruimt. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn dan ook in redelijkheid bepalen op veertien dagen na de datum van dit vonnis.

[gedaagde] moet vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst tot en met de dag van de ontruiming een gebruiksvergoeding van € 5.450,57 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.

[gedaagde] moet € 1.800,- aan contractuele boete betalen

In artikel 25.3 van de toepasselijke algemene bepalingen is een boetebeding opgenomen. Daarin staat dat, als de huur niet op tijd wordt betaald, [gedaagde] een direct opeisbare boete aan Marcan moet betalen van 1% van de verschuldigde huurprijs, met een minimum van € 300,- per maand. Marcan eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld deze boete aan haar te betalen over de maanden dat zij de huur niet op tijd heeft betaald. Volgens Marcan is [gedaagde] over de huur tot en met februari 2026 een bedrag van € 1.800,- (6 x € 300,-) aan boetes aan haar verschuldigd. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld € 1.800,- aan contractuele boete aan Marcan te betalen.

[gedaagde] moet alleen rente over de contractuele boete betalen

Marcan eist betaling van de wettelijke (handels)rente over de huurachterstand tot en met februari 2026. Die eis wordt afgewezen. [gedaagde] moet al een boete betalen vanwege het niet op tijd betalen van de huur. Een boete komt in de plaats van een schadevergoeding op grond van de wet, zoals wettelijke (handels)rente (artikel 6:92 BW). Daarom heeft Marcan geen recht op rente over de huurachterstand.

Marcan maakt wel terecht aanspraak op de wettelijke rente over de contractuele boete zelf. De wettelijke rente over een op grond van een boetebeding verbeurde boete is echter pas verschuldigd na een schriftelijke aanmaning in de zin van artikel 6:82 BW.

Voor wat betreft de boete vanwege het niet tijdig betalen van de huur van september en oktober 2025 heeft Marcan [gedaagde] al in haar e-mail van 15 oktober 2026 aangemaand, zodat zij voor dit deel van de boete (€ 600,-) in beginsel vanaf 15 oktober 2026 recht heeft op rente. Marcan eist echter pas rente vanaf de dag van dagvaarding, oftewel 27 oktober 2025. Dat wordt dan ook toegewezen. De kantonrechter kan namelijk niet meer toewijzen dan is geëist.

Voor wat betreft de boete vanwege het niet tijdig betalen van de huur van november 2025 tot en met februari 2026 is niet gesteld of gebleken dat op een eerder moment dan de akte van 5 februari 2026 een aanmaning voor die boete heeft plaatsgevonden. Voor dat deel van de boete (€ 1.200,-) wordt de wettelijke rente dan ook toegewezen vanaf 5 februari 2026.

[gedaagde] moet € 748,53 aan incassokosten betalen

Marcan heeft, na wijziging van haar eis, betaling geëist van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 1.068,35, waarbij zij heeft verwezen naar hetgeen tussen partijen is overeengekomen in artikel 30.1 van de algemene bepalingen. De kantonrechter ziet echter aanleiding om de afgesproken vergoeding te matigen tot het bedrag waarop Marcan, op basis van de bij dagvaarding gevorderde hoofdsom, recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv). Marcan heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze kosten te maken. Dat Marcan slechts één e-mail heeft gestuurd, zoals [gedaagde] stelt, staat niet aan toewijzing van een vergoeding in de weg. Het versturen van een enkele brief (of e-mail) is namelijk al voldoende. Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom € 748,53 toegewezen.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Marcan moet betalen op € 122,35 aan dagvaardingskosten, € 543,- aan griffierecht, € 540,- aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punten x € 360,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal

€ 1.349,35. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Marcan dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Marcan te betalen € 21.882,28 aan achterstallige huur, berekend tot en met februari 2026;

ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis de bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Marcan te stellen;

veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 maart 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Marcan te betalen € 5.450,57 per maand met de verhoging die is toegestaan;

veroordeelt [gedaagde] om € 1.800,- aan contractuele boete tot en met februari 2026 te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 600,- vanaf 27 oktober 2025 tot de dag dat volledig is betaald en over € 1.200,- vanaf 5 februari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;

veroordeelt [gedaagde] om aan Marcan te betalen € 748,53 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Marcan worden begroot op € 1.349,35 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.

44487

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand