ECLI:NL:RBROT:2026:4820

ECLI:NL:RBROT:2026:4820

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer ROT 25/97
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Intrekking, terugvordering en invordering van WW-, Ziektewet- en WIA-uitkering. Gefingeerd dienstverband. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/97

(gemachtigde: mr. A. Dinç),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. C. Nobel).

Procesverloop

Met de besluiten van 25 maart 2024, 26 maart 2024 en 9 april 2024 zijn de uitkeringen van eiser op grond van de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) ingetrokken. Met drie afzonderlijke besluiten van 12 april 2024 heeft het UWV de betaalde uitkeringen van eiser teruggevorderd. Met drie afzonderlijke besluiten van 24 april 2024 heeft het UWV de teruggevorderde bedragen ingevorderd.

Met het bestreden besluit van 26 november 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de hiervoor genoemde besluiten gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Op 25 maart 2021 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd naar aanleiding van het einde van een dienstverband met [naam werkgever] . (hierna: [naam werkgever] ). Met ingang van 1 april 2021 is deze uitkering aan eiser toegekend. Met ingang van 3 mei 2021 heeft eiser zich vanuit de WW ziek gemeld. Vanaf 1 juli 2021 is aan eiser een ZW-uitkering toegekend en vanaf 1 mei 2023 een WIA-uitkering.

Nadat op 17 maart 2021 met terugwerkende kracht per 1 april 2020 in de loonaangifte voor eiser de code 17 van een “niet verzekerde DGA” naar de code 15 voor een werknemer was aangepast, is het UWV in het kader van een steekproef een onderzoek gestart. Het UWV heeft de bevindingen vastgelegd in het onderzoeksrapport van 19 maart 2024. In dit rapport is geconcludeerd dat de wijziging van de code van de soort inkomstenverhouding niet juist is geweest. Volgens het UWV is er geen sprake geweest van werknemerschap en verzekeringsplicht en gaat het om een gefingeerd dienstverband.

Met het besluit van 25 maart 2024 heeft het UWV eisers WWuitkering ingetrokken, omdat hij niet verzekerd is voor de WW. Met het besluit van 26 maart 2024 heeft het UWV eisers ZWuitkering ingetrokken, omdat hij voorafgaand aan zijn eerste ziektedag geen WW heeft ontvangen en hij daardoor niet meer verzekerd is vanuit de WWuitkering. Met het besluit van 9 april 2024 heeft het UWV eisers WIAuitkering ingetrokken, omdat eiser als enig aandeelhouder niet als werknemer in dienst kan zijn en er sprake was van een gefingeerd dienstverband. Met drie afzonderlijke besluiten van 12 april 2024 heeft het UWV een bedrag van bruto € 10.689,69 aan WW-uitkering, bruto € 78.401,84 aan ZW-uitkering en bruto € 38.760,63 aan WIAuitkering van eiser teruggevorderd. Met drie besluiten van 24 april 2024 heeft het UWV deze bedragen (wat betreft de WIA-uitkering het corresponderende nettobedrag) ingevorderd met een betalingstermijn van zes weken. Met het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiser tegen de hiervoor genoemde besluiten ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

3. Voor zover eiser in het beroepschrift heeft verzocht om de gronden die hij tijdens de bezwaarprocedure heeft aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Het is aan eiser om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit. Een verwijzing naar de bezwaargronden wordt niet als een gemotiveerde en specifieke betwisting beschouwd. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit.

4. In het onderzoeksrapport van 19 maart 2024 heeft het UWV de uitgebreide onderzoeksbevindingen weergegeven en onder meer verwezen naar verkregen informatie uit gesprekken met eiser, met de boekhouder [persoon A] en de eigenaren van de door [naam werkgever] gehuurde panden. Op basis van het geheel aan bevindingen is het UWV tot de conclusie gekomen dat sprake was van een gefingeerd dienstverband van eiser bij [naam werkgever] . Op hetgeen eiser hiertegen heeft aangevoerd, wordt hierna puntsgewijs ingegaan.

5. Eiser was enig bestuurder van [naam werkgever] en enig bestuurslid van Stichting [naam stichting] (hierna: [naam stichting] ), de enig aandeelhouder van [naam werkgever] . Tussen partijen is niet in geschil dat [naam stichting] steeds enig aandeelhouder van [naam werkgever] is geweest. Eiser stelt dat hij, blijkens een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (de rechtbank begrijpt: van [naam werkgever] ) van 25 maart 2020, per die datum is afgetreden als bestuurder van zowel [naam werkgever] als [naam stichting] en dat per dezelfde datum de heer [persoon B] is benoemd als enige en zelfstandig bevoegde bestuurder van [naam werkgever] en [naam stichting] . [persoon B] zou de wijzigingen doorgeven bij de diverse instanties, waaronder de Kamer van Koophandel. Eiser heeft voorts een arbeidsovereenkomst overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij van 1 april 2020 tot en met 31 maart 2021 (hierna: het dienstverband) in dienst is geweest bij [naam werkgever] . Volgens eiser stelt het UWV in het bestreden besluit ten onrechte dat hij geen bewijsstuk van een aandelenoverdracht van [naam stichting] heeft overgelegd, omdat [naam stichting] als stichting geen in aandelen verdeeld kapitaal heeft.

De rechtbank kan dit standpunt van eiser wat betreft de aandelenoverdracht volgen, maar het UWV heeft daarover in het bestreden besluit slechts een opmerking gemaakt en in het licht van wat het UWV verder in het bestreden besluit heeft opgenomen komt daaraan geen gewicht toe. Uit de historie van de Kamer van Koophandel van [naam stichting] blijkt namelijk dat eiser in de periode van 7 januari 2014 tot 1 januari 2022 (enig) bestuurder was van deze stichting en alleen/zelfstandig bevoegd. Aldus is niet gebleken dat eiser het bestuurderschap van de stichting heeft overgedragen. Verder blijkt uit de historische gegevens van de Kamer van Koophandel dat eiser, naast eerdere periodes, van 21 april 2016 tot 1 januari 2022 als alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [naam werkgever] ingeschreven heeft gestaan. Het UWV heeft in zoverre terecht geconcludeerd dat eiser gedurende het gehele dienstverband zelfstandig bevoegd bestuurder was, waarmee een arbeidsrelatie met [naam werkgever] onverenigbaar is. De stukken waar eiser op wijst zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank gaat daarop hierna onder 9 verder in.

6. Het UWV heeft voorts verwezen naar de gegevens van de Belastingdienst waaruit blijkt dat tijdens het dienstverband twee personen bevoegd waren tot het doen van de belastingaangiftes, te weten eiser voor de omzetbelasting en [persoon A] , de voormalige boekhouder, voor de loonbelasting. Het UWV heeft erop gewezen dat eiser volgens de Belastingdienst degene is geweest die tot in ieder geval november 2023 de aangifte omzetbelasting heeft gedaan, dus ook na het gestelde dienstverband. Eiser heeft hierover ter zitting verklaard zich niet te kunnen herinneren dat hij de belastingaangiftes heeft gedaan, maar hij heeft ook geen verklaring gegeven voor hoe dat dan wel is gegaan.

7. Ten aanzien van de bij de Kamer van Koophandel op 18 juni 2021 geregistreerde adreswijziging van [naam werkgever] heeft eiser zijn standpunt dat het feit dat hij de adreswijziging heeft doorgevoerd te maken heeft met een storing in de e-herkenning, niet nader onderbouwd. Niet duidelijk is geworden waarom eiser op dat moment – toen het door hem gestelde dienstverband al was geëindigd en hij al een WW-uitkering ontving – nog een adreswijziging heeft doorgevoerd voor [naam werkgever] . De stellingen van eiser ter zitting dat hij werd gebeld door instanties, omdat de nieuwe bestuurder niet bereikbaar was, en dat eiser toen hij al een WW-uitkering ontving op verzoek van de nieuwe bestuurder nog af en toe (onbetaald) hielp, zijn niet onderbouwd en bieden geen geloofwaardige verklaring.

Eiser heeft tijdens de zitting uitleg gegeven over het “afstand doen” van de huurovereenkomst op 5 november 2020 en heeft daarover verklaard dat hij steeds door de verhuurder werd gebeld en dat hij tegen de verhuurder heeft gezegd dat hij er niets mee te maken had omdat hij in loondienst was. Maar eiser heeft ter zitting eveneens verklaard dat hij degene was die de sleutel van het bedrijfspand heeft ingeleverd en dat hij met de verhuurder is overeengekomen om de borg te verrekenen met de huurachterstand. Deze stellingen zijn tegenstrijdig en daarnaast zijn deze stappen en contacten voor een werknemer bepaald ongebruikelijk, in aanmerking genomen dat de huurovereenkomst, naar eiser heeft verklaard, op naam van [naam werkgever] stond. Verder blijkt uit niets dat [persoon B] hem heeft verzocht dit te doen.

Eiser heeft ter zitting nog als verklaring gegeven dat hij, omdat hij volgens de Kamer van Koophandel nog bestuurder was, de zaak toen heeft afgehandeld. Dat moge wat betreft de huurovereenkomst een verklaring geven, maar in dat geval moet ook worden geconstateerd dat eiser in november 2020 dus op de hoogte was van de onjuiste registratie bij de Kamer van Koophandel, zodat het op zijn weg en in de rede had gelegen die registratie op de kortst mogelijke termijn aan de feitelijke situatie aan te passen. Dat hij dat kennelijk niet heeft gedaan en integendeel – zoals hiervoor al is overwogen – nog (ver) na die datum betrokken was bij [naam werkgever] , biedt steun aan de stelling van het UWV dat sprake was van een gefingeerd dienstverband.

8. Eiser heeft betwist dat de codes voor het soort inkomstenverhouding achteraf zijn gewijzigd en heeft gesteld dat de eerdere aangiften niet volledig waren en dat er iets was misgegaan waardoor de aangiften met terugwerkende kracht nogmaals zijn ingediend. Ook deze stellingen zijn niet onderbouwd. Ter zitting heeft eiser dit standpunt genuanceerd door te verklaren dat hij ervan uit ging dat de code ten tijde van zijn indiensttreding al gewijzigd was, dat later bleek dat dit niet het geval was en dat de codes daarom achteraf gecorrigeerd zijn. Niet gebleken is echter dat over het wijzigen van de code een afspraak is gemaakt tussen eiser en [persoon B] . Het overgelegde besluit van de algemene vergadering spreekt slechts over het doorgeven van de wijzigingen van de bestuurders en de arbeidsovereenkomst is enkele dagen later overeengekomen. Eiser wist dat hij, in ieder geval tot 25 maart 2020, als directeur-grootaandeelhouder geregistreerd stond. Eisers aanname dat de code gewijzigd zou zijn, komt dan ook voor zijn rekening en risico. Ten slotte valt eisers standpunt niet goed te rijmen met de verklaring van boekhouder [persoon A] , dat eiser degene is geweest die de opdracht heeft gegeven voor het wijzigen van de code met terugwerkende kracht.

9. Eisers beroepsgrond dat zijn inschrijving als bestuurder bij de Kamer van Koophandel vanaf 25 maart 2020 ten onrechte is geweest, komt erop neer dat eiser stelt dat het UWV daaraan geen waarde heeft mogen hechten. Volgens eiser vloeit uit het besluit van de algemene vergadering voort dat [persoon B] verplicht was om de wijziging door te voeren. Het UWV heeft echter terecht aangevoerd dat afgezien van twee briefjes waar een niet te verifiëren handtekening op staat, geen enkel bewijs is overgelegd van het bestaan van [persoon B] en ook niet van enige betrokkenheid van deze persoon bij [naam werkgever] of [naam stichting] . Verder komt het voor rekening en risico van eiser als [persoon B] de afspraak niet nakomt. Het is aan eiser om dit tijdig te controleren. Dat eiser, zoals hij stelt, er niet bij heeft stilgestaan of de wijziging was doorgevoerd, komt voor zijn rekening en risico. Dat eiser stelt dat hij in de coronaperiode ziek is geworden en daarvan zes maanden heeft moeten herstellen, kan hem niet baten. De ziekenhuisopname waarvan eiser een bewijsstuk heeft overgelegd, betreft een periode van enkele dagen in januari 2021. Dit is ruim na de gestelde overdracht op 25 maart 2020.

10. Volgens eiser is de verklaring van de boekhouder [persoon A] onjuist geïnterpreteerd. Voor zover eiser stelt dat het een werknemer niet aangaat hoe de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) wordt besteed, kan hij daarin worden gevolgd. [persoon A] heeft echter verklaard dat niet [persoon B] , maar eiser deze subsidie gebruikte als salaris en dat toen de boekhouder eiser vertelde dat hij dan in loondienst moest zijn, eiser degene was die toestemming gaf om de looncode te wijzigen. De omstandigheid dat eiser de boekhouder opdrachten gaf, heeft verweerder in aanmerking mogen nemen. Dat het gespreksverslag met [persoon A] , dat mede aan het onderzoeksrapport van het UWV ten grondslag ligt, niet door hem is ondertekend, doet hieraan niet af, nu daartoe geen verplichting bestaat en het wel is ondertekend door de onderzoeker handhaving die het verslag heeft opgesteld. Ook de enkele stelling van eiser dat hij altijd verloond is voor zijn werkzaamheden bij [naam werkgever] doet geen afbreuk aan de verklaring van de boekhouder. Verder heeft het UWV ook gewezen op de verklaring van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland dat eiser degene is die de TVL-subsidies voor 2020 en 2021 heeft aangevraagd en daarbij ook de enig bekende contactpersoon was.

11. Eiser wordt tegenover dit alles niet gevolgd in zijn standpunt dat ten onrechte te veel waarde is gehecht aan de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en dat de feitelijke situatie doorslaggevend is. Zoals eerder in deze uitspraak is overwogen, is niet gebleken van het bestaan van [persoon B] . Het enkele bestaan van een (niet verifieerbare) handtekening op een verslag van de algemene vergadering en op een arbeidsovereenkomst is daarvoor onvoldoende. Ook overigens heeft eiser zijn stellingnames en de door hem op onderdelen gegeven verklaringen, zoals hiervoor overwogen, niet met objectieve gegevens onderbouwd.

12. Gelet op al het voorgaande heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gefingeerd dienstverband. Het UWV heeft daarom de WW-, ZW- en WIA-uitkeringen van eiser terecht ingetrokken.

13. De beroepsgrond dat in het bestreden besluit geen belangafweging is gemaakt, met name als het gaat om de oorzaak en gevolgen van de terugvordering en gelet op eisers arbeidsongeschiktheid en bijstandsuitkering, slaagt niet. In het bestreden besluit is geconcludeerd dat het UWV geen rol heeft gespeeld in het ontstaan van de terugvordering. Verder heeft het UWV erop gewezen dat eiser tijdelijk uitstel heeft gekregen voor het terugbetalen en dat eiser een betalingsregeling kan treffen die past bij zijn situatie. Aldus is niet gebleken dat het UWV de oorzaken en gevolgen van de terugvordering niet heeft meegewogen. Verder kan eiser, nu sprake is van een gefingeerd dienstverband en dus een onjuiste code in de loonaangifte, niet aan het UWV tegenwerpen dat het eerder vragen had moeten stellen, nog daargelaten dat niet is gebleken dat eiser het UWV tijdig en correct heeft geïnformeerd over de feitelijke situatie. Het UWV heeft daarom niet hoeven afzien van het terugvorderen. Tegen de invordering ten slotte heeft eiser geen specifieke beroepsgronden aangevoerd, terwijl het UWV er in verband met eisers draagkracht nog op heeft gewezen dat in het invorderingstraject rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?