Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/699943 / FA RK 25-3908
Beschikking van 2 april 2026 over een voorlopige regeling
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.L.P. Heuts te Breda,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. F. Ergec te Bergen op Zoom.
1. De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 29 september 2025;
o het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 20 mei 2025;
o het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van de man van 22 augustus 2025;
o het bericht met bijlage van de vrouw van 1 september 2025.
het bericht van de man van 19 januari 2026;
het bericht van de vrouw van 18 december 2025;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 16 maart 2026.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op19 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
namens de man zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] ;
de gecertificeerde instelling, Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de
GI), als informant, vertegenwoordigd door [naam 2] .
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
De minderjarigen zijn al in het kader van de tussenbeschikking van 29 september 2025, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 4 september 2025 met de kinderrechter gesproken.
2. De verdere beoordeling
Bij beschikking van deze rechtbank van 29 september 2025 is een voorlopige zorgregeling bepaald inhoudende dat er wekelijks begeleid contact is tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats ] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats ] , van maximaal 90 minuten, waarbij de regie en de begeleiding in handen is van de GI.
De kinderen zijn onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd voor de duur van één jaar (tot 13 maart 2027).
Vast staat dat sprake is van een lopende echtscheidingsprocedure (bekend onder zaaknummer 675681 FA RK 24-2078) waarin bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 augustus 2021 de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken en onder meer een voorlopige zorgregeling is bepaald. In de onderhavige procedure werd in eerste instantie wijziging verzocht van die voorlopige zorgregeling op grond van artikel 824 Rv. Echter, de echtscheiding is op 26 oktober 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit artikel 826 Rv volgt dat een voorlopige voorziening over de contactregeling eindigt op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Dit betekent dat een voorlopige voorzieningenprocedure in het kader van de echtscheiding (artikel 821-826 Rv) niet meer mogelijk was. Tijdens de zitting op 4 september 2025 is dit met partijen besproken en naar aanleiding daarvan heeft de vrouw haar rechtsgrond gewijzigd en haar verzoek gebaseerd op artikel 223 Rv. Omdat er behoefte was aan een snelle beslissing over de tijdelijke regeling in het belang van de kinderen, is de vrouw ontvangen in haar verzoek. In aansluiting op dat wat in rechtsoverweging 3.1.3. van de tussenbeschikking is opgenomen, merkt de rechtbank nog het volgende op.
Het is, volgens de Hoge Raad, in gevallen als de onderhavige niet mogelijk om in het geval van een echtscheidingsprocedure een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv te treffen wanneer het gaat om voorzieningen die in artikel 822 Rv zijn opgenomen (Hoge Raad 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414). Er is namelijk sprake van een lex specialis, de voorlopige voorzieningen op grond van artikel 821-826 Rv, van de lex generalis van de voorlopige voorzieningen op grond van artikel 223 Rv. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval wel een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv, in het belang van de kinderen, mogelijk is. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het navolgende. Bij de Wet van 30 oktober 1997 tot wijziging van, onder meer, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Stb 1997, 506) is de geldigheidsduur van de met betrekking tot minderjarigen getroffen voorlopige voorzieningen op grond van artikel 821-826 Rv gewijzigd en bepaald dat een voorlopige voorziening in beginsel eindigt zodra de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Vóór die wetswijziging liepen deze voorlopige voorzieningen steeds door totdat de rechter had beslist over het gezag en dat gezag overeenkomstig artikel 1:253p BW was begonnen. Op dit moment eindigen deze voorzieningen in de meeste echtscheidingsprocedures – waarin de rechter meestal niet meer een voorziening in het gezag treft – op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Dit betekent dat zich sinds 1997 de situatie kan voordoen dat de voorlopige voorzieningen met betrekking tot de kinderen al zijn geëindigd, terwijl in de echtscheidingsprocedure nog geen definitieve beslissing is genomen over de daarmee corresponderende nevenvoorzieningen. Er is daarmee volgens de rechtbank een leemte in de wet ontstaan. De parlementaire geschiedenis biedt geen aanknopingspunt dat de wetgever dit gevolg bij de wijziging van artikel 826 lid 1 Rv voor ogen heeft gehad. Daar komt bij dat volgens artikel 4 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind de Staat de verplichting heeft alle passende wettelijke, bestuurlijke en andere maatregelen te nemen om de in het verdrag beschermde rechten van het kind te verzekeren. Het kennelijk door de wetgever niet voorziene effect van verkorting van de geldigheidsduur van door de rechter (mede) in het belang van een kind te treffen voorlopige voorziening kan bezwaarlijk als in overeenstemming met deze verdragsverplichting worden aangemerkt (zie ook de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1642). De rechtbank acht het in dit geval, zoals ook met partijen besproken, in het belang van de minderjarigen dat er een beslissing komt met een tijdelijke regeling.
Zorgregeling
De vrouw verzoekt – na wijziging – voor de duur van de echtscheidingsprocedure en met ingang van heden, ter vervanging van de voorlopige regeling die de rechtbank bij beschikking van 6 augustus 2021 heeft bepaald, thans te bepalen dat de man gerechtigd is tot wekelijks begeleid contact met de kinderen gedurende maximaal 90 minuten, waarbij de regie en de begeleiding in handen is van de GI.
De man voert gemotiveerd verweer en handhaaft zijn zelfstandige verzoek.
Het doel van de rechtbank van de gewijzigde voorlopige regeling, zoals die is bepaald in de tussenbeschikking van 29 september 2025, was het patroon te doorbreken waarin partijen zitten. Dit is een patroon waarbij er aanhoudende zorgen zijn over de veiligheid van de minderjarigen bij de man en die zorgen houden aan omdat de man zijn medewerking aan hulpverlening blijft weigeren. De rechtbank betreurt het te moeten constateren dat dit doel de afgelopen periode niet is behaald. Niet alleen is het patroon onveranderd gebleven, maar ook is het contact tussen de man en de minderjarigen helemaal stil komen te liggen. De man heeft aangegeven niet te willen meewerken aan de voorlopige zorgregeling. Hij is van mening dat de oude contactregeling moet worden hersteld en dat hij gecompenseerd moet worden voor de uren die hij de afgelopen tijd heeft moeten missen doordat de oude regeling niet meer wordt nageleefd.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI laten weten dat het beter gaat met de minderjarigen sinds er geen contact met de man is, zowel thuis, op school als mentaal. Tegelijkertijd blijven de eerdere zorgen bestaan. Hoewel de man inmiddels wel in contact staat met de jeugdbeschermer, is hij nog steeds niet bereid de GI toegang te verlenen tot zijn huis omdat hij dit ziet als controle, aldus de GI. Dat de GI heeft uitgelegd dat haar bemoeienis gericht is op het ondersteunen van het contact met de minderjarigen, heeft dit niet anders gemaakt. Hierdoor is er nog steeds geen zicht op de opvoedsituatie bij de man. Daarnaast zijn er nieuwe zorgen. De man heeft zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] opgezocht op school, wat tot nieuwe spanningen heeft geleid bij de minderjarigen. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling ook zorgen geuit over de boosheid van de man die de minderjarigen ervaren. De minderjarigen lijken volgens de raad volledig klem te zitten in hun eigen gedachten.
De rechtbank realiseert zich dat [minderjarige 1] nu geen contact wil met de man, maar sluit niet uit dat dit wellicht op termijn anders wordt. [minderjarige 2] daarentegen wil wel contact. Sinds de tussenbeschikking van 29 september 2025 is er tussen de man en [minderjarige 2] belcontact geweest. Dat is een tijdje goed verlopen, maar helaas is er nu geen enkel contact meer tussen hen. Partijen verschillen, zo is gebleken tijdens de mondelinge behandeling, over de oorzaak hiervan. [minderjarige 2] heeft bij de jeugdbeschermer aangegeven dat hij het (fysieke) contact met de man in eerste instantie onder begeleiding wil. Het is de rechtbank ook gebleken dat [minderjarige 2] dit contact met de man (ook) wil omdat [minderjarige 2] het gevoel heeft dat hij degene is die de ontstane patstelling en het genoemde patroon kan doorbreken. [minderjarige 2] denkt dat hij de enige persoon is die kan doordringen tot de man. Met de raad en de GI is de rechtbank het eens dat [minderjarige 2] hiermee een (ongezonde) druk op zichzelf legt en dit is niet in het belang van zijn welzijn en ontwikkeling.
De rechtbank constateert dat de volhardendheid van de man het contact tussen hem en de minderjarigen in de weg lijkt te staan. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het standpunt van de man, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de minderjarigen op dit moment het meest is gediend als zij alleen begeleid contact met de man hebben waarbij de regie in handen ligt van de GI, in beginsel voor 90 minuten per week. Dit contact kan, onder begeleiding van de GI, worden uitgebreid. De man zal dan wel over zijn boosheid en teleurstelling heen moeten stappen en moeten aansluiten bij dat wat in het belang van de minderjarigen is.
De rechtbank acht het aldus in het belang van de minderjarigen dat de huidige regeling, zoals vastgesteld in de tussenbeschikking van 29 september 2025, blijft gelden totdat er in de echtscheidingsprocedure een definitieve beslissing is genomen over de zorgregeling. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw dan ook toe.
In de echtscheidingsprocedure is inmiddels een mondelinge behandeling bepaald en de rechtbank roept de man op om van de gelegenheid gebruik te maken in de tussentijd het contact met de minderjarigen te herstellen. Het is een kans om weer met de minderjarigen in contact te komen. Daarnaast ligt hier ook een verantwoordelijkheid voor de vrouw om, met behulp van de ingezette opvoedondersteuning, de minderjarigen te blijven stimuleren in het contact.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig inhoudt dat er wekelijks begeleid contact is tussen de man en de minderjarigen van 90 minuten, waarbij de regie en de begeleiding in handen is van de GI;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H.L. van Dijkman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.M. de Witte, griffier, op 2 april 2026.