Rechtbank Rotterdam
[naam] , uit [woonplaats] , eiseres,
Dienst Toeslagen, verweerder.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/746
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer,
en
Procesverloop
Eiseres heeft bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 8 juli 2024 met kenmerk [kenmerk] .
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. In de regel wordt de dwangsom bepaald op € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Indien een sterke prikkel nodig is (hetzij vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan, hetzij vanwege het grote belang), wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat als op het moment van het beslissen op het beroep al 60 weken zijn verstreken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn, aan de opdracht om een besluit te nemen een sterke prikkel kan worden verbonden, bestaande uit een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sterke prikkel nodig. De hoofdoorzaak van de structurele overschrijding van de beslistermijnen ligt niet bij de organisatie en capaciteit van verweerder, maar bij de wetgever, die bewust een regeling met feitelijk onhaalbare beslistermijnen heeft aanvaard. Van gebleken weigerachtigheid bij verweerder is daarom geen sprake. Evenmin is gebleken dat het belang van eiser/es zo groot is, dat een hogere dwangsom gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom daarom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van A.S. Ay, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 april 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.