RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8415
(gemachtigde: mr. M.G.J. Maas-Cooymans),
en
(gemachtigden: mr. drs. R. Bassie en mr. N.S. Amoah).
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning (revisievergunning) voor de inrichting van eiseres. Eiseres is het niet eens met een aantal voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de voorschriften aan de omgevingsvergunning kon verbinden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft een aantal voorschriften niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door een aantal vervangende voorschriften en één nieuw aanvullend voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden op de manier die partijen na gezamenlijk overleg hebben voorgesteld. Verder oordeelt de rechtbank dat het college voorschrift 7.2.1 aan de omgevingsvergunning mocht verbinden. Dit voorschrift blijft daarom in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 23 juli 2024 heeft het college aan eiseres een revisievergunning verleend voor haar inrichting aan de [adres] in Spijkenisse.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres en het college hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [persoon A] en [persoon B] en de gemachtigden van het college, [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting niet gesloten. De rechtbank heeft partijen op hun verzoek een termijn van zes weken gegeven om met elkaar in overleg te gaan. Deze termijn is op verzoek van partijen verlengd tot 6 maart 2026. Eiseres en het college hebben nadere stukken ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 juli 2018. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiseres heeft een bedrijf voor logistieke dienstverlening op het gebied van transport, (tijdelijke) opslag en distributie van petrochemische producten, brandstof, gas, stukgoed en glas aan de [adres] in Spijkenisse. De activiteiten bestaan grotendeels uit transport en op- en overslag van niet-ADR geclassificeerde stoffen en ADR geclassificeerde stoffen. Het bedrijf is een type C-inrichting.Op 16 juli 2018 heeft eiseres een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen van de inrichting (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo). De aanvraag betreft een revisievergunning voor de gehele inrichting. De veranderingen van de inrichting houden in: uitbreiding van de inrichting met een parkeerterrein voor het stallen van lege ongereinigde LNG-tankwagens/tankcontainers en/of opleggers, verplaatsing van het parkeerterrein voor niet-gevaarlijke stoffen, het beëindigen van het overpompen van toxische vloeistoffen en het beëindigen van de opslag van tankcontainers met stoffen van ADR-klassen 3 en/of 6.1 en stoffen met bijkomend gevaar 3 en/of 6.1 in de containerstack. Door de wijzigingen valt het bedrijf niet meer onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015.
5. Met het bestreden besluit heeft het college aan eiseres een revisievergunning voor de gehele inrichting verleend. Deze vergunning vervangt de voor de inrichting verleende revisievergunning van 25 maart 2008 met de daarbij behorende wijzigingen. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Eiseres heeft beroep ingesteld, omdat zij het niet eens is met een aantal van de voorschriften die aan de omgevingsvergunning verbonden zijn. Het gaat vooral om voorschriften over (brand)veiligheid en het lozen van stoffen.Toetsingskader
7. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting. Uit de artikelen 2.22, tweede lid, en 2.14, derde lid, van de Wabo volgt dat aan een omgevingsvergunning voor deze activiteit de voorschriften worden verbonden die nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wat in het belang van de bescherming van het milieu nodig is.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, zoals deze vóór 1 januari 2024 luidden, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Overleg tussen partijen en gevolgen voor het beroep
8. Eiseres en het college zijn naar aanleiding van het beroep met elkaar in overleg gegaan. Dit heeft er in de eerste plaats toe geleid dat eiseres een aantal beroepsgronden heeft ingetrokken. Vóór de zitting heeft eiseres de beroepsgronden over het brandveiligheidsplan als onderdeel van de omgevingsvergunning en de voorschriften 3.5.2, 5.3.4 en 7.8.2 ingetrokken. Na de zitting heeft eiseres ook de beroepsgronden over de voorschriften 1.6.6, 3.2.2, 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.3 ingetrokken. De rechtbank zal daarom geen oordeel meer geven over deze beroepsgronden.
9. Over een aantal andere voorschriften hebben eisers en het college ook overeenstemming bereikt. Zij zijn het eens geworden over een wijziging van de tekst van deze voorschriften en hebben de rechtbank gevraagd om op dit punt zelf in de zaak te voorzien. Het gaat om de voorschriften 1.6.5, 5.3.9, 5.5.1, 7.7.1 en 7.8.4.Omdat het college zich wat betreft deze voorschriften op een ander standpunt stelt dan in het bestreden besluit en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank zal de genoemde voorschriften vernietigen en zelf in de zaak voorzien door vervangende voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden op de manier die partijen hebben voorgesteld.
10. Verder zijn partijen het erover eens geworden dat naast de voorschriften 5.3.5 en 5.3.6, die eiseres in beroep heeft bestreden, een aanvullend voorschrift 5.3.6a aan de omgevingsvergunning moet worden verbonden. Nu het college zich op dit punt op een ander standpunt stelt dan in het bestreden besluit en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit ook in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarin geen aanvullend voorschrift bij de voorschriften 5.3.5 en 5.3.6 is opgenomen, en zelf in de zaak voorzien door het door partijen voorgestelde voorschrift 5.3.6a aan de omgevingsvergunning te verbinden.
11. Het enige onderwerp waarover eiseres en het college geen overeenstemming hebben bereikt, is voorschrift 7.2.1. De rechtbank zal de beroepsgrond over dit voorschrift hierna beoordelen.
Voorschrift 7.2.1
12. Uit voorschrift 5.5.1 volgt dat een (tank)container met gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen bij (vermoeden van) lekkage op de calamiteitenplaats moet worden geplaatst, op voorwaarde dat veilig intern vervoer kan worden gewaarborgd. Uit voorschrift 7.2.1 volgt dat dit niet is toegestaan bij een lekkage groter dan een druppellekkage. In voorschrift 7.2.1 is het volgende bepaald: “In afwijking van voorschrift 10.5.4 van de PGS 15:2016 mogen op de calamiteitenplaats geen (tank)containers of voertuigen aanwezig zijn, waarbij sprake is van een lekkage groter dan een druppellekkage.Toelichting: De calamiteitenplaats conform voorschrift 10.5.4 is bedoeld om lekkende tankwagens/-containers en/of opleggers of verpakkingen op een veilige plek te kunnen afhandelen, op afstand van andere containers of opslagen met gevaarlijke stoffen. Bij [naam eiseres] is dit niet het geval. In de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018 (201700357/1/A1, ECLI:NL:RVS:2018:968) is aangegeven dat bij [naam eiseres] alleen druppellekkages naar de calamiteitenplaats worden vervoerd. Op basis hiervan heeft de Afdeling geoordeeld dat een grote plasbrand op de calamiteitenplaats niet waarschijnlijk is en een muur met een WBDBO van 60 minuten tussen de calamiteitenplaats en de dieseltank niet noodzakelijk is.”
13. Eiseres is het niet eens met voorschrift 7.2.1. Op grond van dat voorschrift is het niet toegestaan om (tank)containers of voertuigen naar de calamiteitenplaats te brengen wanneer sprake is van een lekkage groter dan een druppellekkage. Dit betekent volgens eiseres dat ook (tank)containers of voertuigen met een lekkage groter dan een druppellekkage van niet-brandgevaarlijke stoffen van klasse ADR 6.1, ADR 8, ADR 9 of CMR niet naar de calamiteitenplaats mogen worden gebracht. De calamiteitenplaats is echter ook, of primair, een bodembeschermende maatregel, die door dit voorschrift in het kader van grote lekkages met ADR 6.1, ADR 8, ADR 9 of CMR-stoffen teniet wordt gedaan. In het theoretische geval dat een lekkage op de calamiteitenplaats verergert van druppellekkage naar een grotere lekkage, moeten de (tank)containers of voertuigen daar op grond van voorschrift 7.2.1 worden weggehaald. Daardoor verergeren de effecten van de lekkage volgens eiseres juist.In de reactie op de zienswijzen heeft het college verwezen naar wat eiseres zou hebben gezegd tijdens een zitting bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Het college moet echter beslissen op de ingediende aanvraag. Uit de aanvraag blijkt onder meer dat in een aantal ongewone voorvallen een lekkage mogelijk is die groter is dan een druppellekkage. Het gaat daarbij vooral om incidenten waarbij een botsing de bodemafsluiter heeft beschadigd. In deze gevallen zal de lekkende tankcontainer conform PGS 15 naar de calamiteitenplaats worden verplaatst. Dat kan volgens eiseres veilig bij lekkages van vloeistoffen die bij de heersende buitentemperatuur moeilijk zijn te ontsteken; bij een grote lekkage van vloeistoffen die bij de heersende buitentemperatuur zeer makkelijk ontstoken kunnen worden, kan een lekkende tankcontainer niet veilig worden verplaatst en kan eiseres repressief handelen om effecten te beperken of te voorkomen.In haar reactie naar aanleiding van het overleg met het college stelt eiseres dat zij het college en de VRR ter plaatse heeft laten zien dat zij over een mobiele lekbak beschikt en dat daarnaast verschillende lekbakken kunnen worden geplaatst om een tankcontainer met een lekkage groter dan een druppellekkage naar de calamiteitenplaats te verplaatsen. Overigens is een lekkende tankcontainer hoogst uitzonderlijk.In deze reactie stelt eiseres ook dat volgens het college niet wordt voldaan aan de WBDBO-eis van 60 minuten uit voorschrift 5.5.4 van PGS 30:2011. Pas als aan deze eis wordt voldaan, kunnen volgens het college lekkages groter dan een druppellekkage naar de calamiteitenplaats worden gebracht en kan voorschrift 7.2.1 vervallen. Eiseres wijst erop dat de toepasselijkheid van voorschrift 5.5.4 is uitgezonderd in vergunningvoorschrift 7.7.1. Daarnaast betoogt zij dat het college ten onrechte uit de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:968, afleidt dat tankcontainers met lekkages groter dan een druppellekkage niet naar de calamiteitenplaats mogen worden verplaatst als niet is voldaan aan de WBDBO-eis of dat daarover geen oordeel is gegeven. De Afdeling heeft namelijk uitdrukkelijk geoordeeld dat óók in het geval dat de gehele lekbak gevuld zou raken met een brandbare stof, dat niet automatisch tot een grote plasbrand zal leiden, omdat daarvoor dan ook nog een ontsteking vereist is. Bovendien gaat het in de uitspraak om de lekbak op de calamiteitenplaats, die naar beneden afloopt. Daardoor stromen volgens eiseres alle vloeistoffen in een betonnen bak onder de calamiteitenplaats, die (veel) meer dan de volledige inhoud van de tankcontainer kan bevatten en kan worden afgesloten, zodat geen uitdamping kan plaatsvinden. Er kan daarom geen sprake zijn van een plas vloeistof die zou kunnen ontsteken op de calamiteitenplaats.
Het college acht de voorschriften 5.5.1 en 7.2.1 noodzakelijk. Deze voorschriften garanderen dat verplaatsing van lekkende tankcontainers naar de calamiteitenplaats alleen plaatsvindt wanneer dat veilig en daadwerkelijk risicoreducerend is en dat bij grotere lekkages direct wordt ingegrepen op de plaats van het incident. Volgens het college sluit dit aan bij wat tijdens de vorige procedure bij de Afdeling de gebruikelijke praktijk in de inrichting was, namelijk dat uitsluitend bij druppellekkages gebruik wordt gemaakt van de calamiteitenplaats. In de uitspraak van 21 maart 2018 is de Afdeling van die werkwijze uitgegaan bij de beoordeling van het risico op plasbrand. In de reactie naar aanleiding van het overleg met eiseres stelt het college hierover dat de achterliggende gedachte van voorschrift 7.2.1 is dat druppellekkages zich zelden zullen ontwikkelen tot grote lekkages, waardoor de kans op een grote plasbrand gering is. Een grote plasbrand op de calamiteitenplaats moet voorkomen worden, omdat daarbij warmtestralingsbelasting op de naastgelegen bovengrondse dieseltank kan optreden, waardoor er kans is op branddoorslag en brandoverslag. De calamiteitenplaats en de bovengrondse dieseltank bevinden zich naast elkaar onder dezelfde overkapping. Volgens het college kan een plasbrand niet worden uitgesloten, zeker niet als ook grotere lekkages dan druppellekkages naar de calamiteitenplaats worden gebracht. Het college stelt zich op het standpunt dat – conform voorschrift 5.5.4 van PGS 30:2011 – een scheidingswand met een WBDBO van 60 minuten nodig is als eiseres de calamiteitenplaats voor deze grotere lekkages wil gebruiken. In de uitspraak van 21 maart 2018 heeft de Afdeling een WBDBO van 60 minuten tussen de calamiteitenplaats en de bovengrondse dieseltank weliswaar niet nodig geacht, maar aan dat oordeel lag volgens het college specifiek ten grondslag dat eiseres had aangegeven alleen druppellekkages naar de calamiteitenplaats te brengen. De Afdeling heeft zich niet uitgelaten over de situatie dat grotere lekkages naar de calamiteitenplaats worden gebracht.Het college stelt verder dat een praktijk waarbij containers met grotere lekkages naar de calamiteitenplaats worden verplaatst niet mogelijk is, omdat de inrichting niet over voorzieningen beschikt om een vervoerseenheid met een grotere lekkage gecontroleerd te verplaatsen.Daarnaast is verplaatsing in het geval van een grote lekkage volgens het college hoe dan ook niet wenselijk vanwege het risico op verdere verspreiding over het terrein, grotere plasvorming of een grotere blootstelling aan dampen. Daarbij speelt niet alleen de brandbaarheid van de stoffen een rol. Ook bij toxische, schadelijke of bijtende vloeistoffen moet de omvang van het incident beperkt worden. Het college is het niet met eiseres eens dat het in de aanvraag om een wezenlijk andere situatie gaat dan ten tijde van de uitspraak van 21 maart 2018. De door eiseres genoemde maatregelen nemen niet weg dat binnen de inrichting nog steeds opslag van gevaarlijke vloeistoffen plaatsvindt en dat zich incidenten met toxische of corrosieve stoffen kunnen voordoen, waarbij verspreiding over het terrein juist moet worden voorkomen. Bij dergelijke stoffen is niet brandbaarheid, maar toxische dampvorming of bodem- en waterverontreiniging het bepalende risico. Het college bestrijdt ook dat het beperkt naar de calamiteitenplaats mogen verplaatsen van lekkende tankcontainers in strijd is met de aanvraag. Eiseres vermeldt daarbij dat verplaatsing alleen plaatsvindt als dit veilig kan en met name bij stoffen met een hoog vlampunt. Dit bevestigt volgens het college de systematiek van de omgevingsvergunning: verplaatsing is uitsluitend toegestaan bij druppellekkage of bij stabilisatie van de lekkage. In andere gevallen moet bestrijding op de plaats van het incident gebeuren om verdere verspreiding te voorkomen, ook bij niet-brandbare toxische of andere milieugevaarlijke stoffen. Het college is het ook oneens met de stelling dat de calamiteitenplaats primair een bodembeschermende maatregel is. De calamiteitenplaats dient ertoe om alle milieurisico’s te beperken, waaronder ook verspreiding en blootstelling aan schadelijke dampen; bodembescherming is slechts één aspect. Een verplichte verplaatsing van grotere lekkages zou een vergroot incidentoppervlak en blootstelling kunnen veroorzaken.
Met voorschrift 7.2.1 heeft het college voorgeschreven dat lekkende containers met meer dan een druppellekkage niet naar de calamiteitenplaats mogen worden verplaatst of daar aanwezig mogen zijn. Anders dan eiseres betoogt, heeft het college zich bij het stellen van dit voorschrift niet alleen gebaseerd op wat in de eerdere beroepsprocedure bij de Afdeling door eiseres zou zijn gesteld over de gebruikelijke werkwijze in de inrichting. Het college heeft namelijk ook een afweging gemaakt over de milieurisico’s van de situatie waarin containers met meer dan een druppellekkage naar de calamiteitenplaats worden verplaatst en/of daar aanwezig zijn.Een van de mogelijke milieurisico’s is het ontstaan van een grote plasbrand op de calamiteitenplaats en overslag van de brand naar de bovengrondse dieseltank. De Afdeling heeft hier in de uitspraak van 21 maart 2018 over geoordeeld in het kader van de beoordeling van de noodzaak van een voorschrift dat een scheidingswand met een WBDBO van 60 minuten voorschreef tussen de calamiteitenplaats en de dieseltank. De Afdeling heeft – in navolging van het deskundigenrapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening – de kans op een grote plasbrand die kan leiden tot falen van de dieseltank geen geloofwaardig scenario geacht. Het college stelt echter terecht dat de Afdeling er daarbij van is uitgegaan dat alleen containers met een druppellekkage op de calamiteitenplaats geplaatst mogen worden, zodat de kans vrijwel nihil is dat een situatie ontstaat waarbij de volledige goot en lekbak gevuld zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de uitspraak van 21 maart 2018 daarom niet worden afgeleid dat een grote plasbrand ook geen geloofwaardig scenario is als containers met een grotere lekkage dan een druppellekkage naar de calamiteitenplaats worden gebracht.Daar komt bij dat het college ook heeft gewezen op andere milieurisico’s bij het verplaatsen van lekkende containers met meer dan een druppellekkage naar de calamiteitenplaats. Het gaat dan met name om de (verdere) verspreiding van verontreiniging over het terrein, niet alleen van brandgevaarlijke stoffen, maar ook van toxische of anderszins gevaarlijke stoffen. Dat er een mobiele lekbak aanwezig is, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat dit zich niet zal kunnen voordoen. Daarbij is van belang dat het college ter zitting heeft gesteld dat trailers niet op een lekbak gezet kunnen worden. Daarnaast is van belang dat het ook kan gaan om verspreiding via verdamping, waartegen een lekbak niet helpt.De rechtbank is verder van oordeel dat het college met voorschrift 7.2.1 geen aangevraagde activiteit impliciet heeft geweigerd, maar slechts beperkingen heeft gesteld aan de manier van uitvoering van de aangevraagde activiteiten met gevaarlijke stoffen met het oog op het belang van de bescherming van het milieu.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 7.2.1 nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover daarin geen aanvullend voorschrift bij de voorschriften 5.3.5 en 5.3.6 is opgenomen en voor zover het de voorschriften 1.6.5, 5.3.9, 5.5.1, 7.7.1 en 7.8.4 betreft. Voor het overige blijft het bestreden besluit gelden. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank verbindt een aantal voorschriften aan de omgevingsvergunning en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dat wordt vernietigd.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 juli 2024, voor zover daarin geen aanvullend voorschrift bij de voorschriften 5.3.5 en 5.3.6 is opgenomen en voor zover het de voorschriften 1.6.5, 5.3.9, 5.5.1, 7.7.1 en 7.8.4 betreft;
- bepaalt dat de onderstaande voorschriften aan het bestreden besluit worden verbonden: a. “voorschrift 1.6.5: Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste twee werkdagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld, tenzij
deze termijn gelet op het bekend worden van de noodzaak van de uitvoering van deze onderhoudswerkzaamheden niet mogelijk is. In dat geval worden de desbetreffende onderhoudswerkzaamheden aan het bevoegd gezag gemeld zodra de noodzaak van de uitvoering hiervan bekend is.”b. “voorschrift 5.3.6a: In afwijking van voorschrift 5.3.5 hoeven de schuimmonitor(en) of een gelijkwaardig blussysteem niet aanwezig te zijn indien de volgende maatregelen zijn
getroffen:
- Er zijn uitsluitend vervoerseenheden aanwezig die voldoen aan de eisen uit het ADR;
- Er wordt regelmatig gecontroleerd op lekkages bij tankcontainers middels ingangscontroles en regelmatige controles op het terrein;- Bij geconstateerde onregelmatigheden moet zo snel mogelijk worden ingegrepen, bijvoorbeeld door het aantikken van de afsluiter, het plaatsen van lekbakken, etc.;
- Er wordt een maximumsnelheid gehanteerd van maximaal 15 km/u;
- De bereikbaarheid en toegang voor hulpdiensten is te allen tijde gegarandeerd;
- De afstand van geparkeerde vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen tot de erfgrens is minimaal 10 meter. Van deze afstand kan worden afgeweken als binnen 10 meter van de erfgrens geen activiteiten plaatsvinden of personen aanwezig zijn;
- Het bedrijfsriool (of een andere opvangvoorziening) is voldoende groot om de inhoud van één (tank-)container en trailer te kunnen opvangen. Het riool kan altijd veilig worden afgesloten. Putdeksels kunnen met matten of andere voorzieningen worden afgesloten om uitstromen naar het riool en/of uitdampen vanuit het riool te beperken.
- Het terrein van de parkeerplaats voor gevaarlijke stoffen heeft voldoende afschot naar het bedrijfsriool om uitstroom van een lekkage naar andere vervoerseenheden te voorkomen.
- In aanvulling op de maatregelen uit de PGS 15:2016, worden naast vervoerseenheden geladen met stoffen van ADR-klasse 3 of 6.1 geen non-ADR vervoerseenheden geparkeerd waarvan redelijkerwijs een hoge vuurlast mag worden verwacht bij een eventuele brand (zoals huiftrailers met brandbare koopmansgoederen);
- De trekkende voertuigen worden afgekoppeld van de trailers met gevaarlijke stoffen en op een afstand van minimaal 5 meter afstand gestald.
- Er zijn geen vervoerseenheden aanwezig die zijn geladen met giftige stoffen van de categorieën LT4 of GT5.
Toelichting:
Met voorschrift 5.3.6a is geborgd wanneer geen schuimmonitor of een gelijkwaardig blussysteem aanwezig hoeft te zijn. Als [naam eiseres] al aan de in voorschrift 5.3.6a opgenomen maatregelen voldoet, hoeft geen schuimblusmonitor of gelijkwaardig blussysteem aanwezig te zijn. Voldoet [naam eiseres] daar niet aan, dan is de aanwezigheid van een schuimblusmonitor of
gelijkwaardig blussysteem verplicht.”c. “voorschrift 5.3.9: De brandputten moeten bij oplevering en daarna om de drie jaar, alsmede bij grote wijzigingen, door een daartoe door het bevoegd gezag, vooraf voor akkoord bevonden instantie worden gecontroleerd op de geëiste waterdruk en wateropbrengst zoals voorgeschreven in voorschriften 5.3.4, 5.3.7 en 5.3.10 van deze vergunning. Van de werkzaamheden moet een rapport met beproevingsgrafiek worden opgemaakt en worden bewaard in een logboek van de betreffende geboorde put. De instantie en de meetmethode dienen voordat de meting wordt uitgevoerd ter accordering aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd.”d. “voorschrift 5.5.1: Indien een (tank)container die is beladen met gevaarlijke stoffen of
CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen lekt of er een vermoeden hiervoor bestaat, moet deze (tank)container direct op de calamiteitenplaats worden geplaatst voor verdere behandeling of reparatie op voorwaarde dat veilig intern vervoer kan worden gewaarborgd.”e. “voorschrift 7.7.1: Binnen de inrichting mag enkel diesel met een vlampunt hoger dan 55
graden Celsius worden opgeslagen en getankt. De opslag en het tanken van diesel in een bovengrondse tank dient daarnaast plaats te vinden conform de volgende onderdelen van de PGS 30:2011:
- paragraaf 2.2 (m.u.v. voorschriften 2.2.6 tot en met 2.2.13);
- paragraaf 2.3, 2.4 en 2.6;
- hoofdstuk 3 (m.u.v. voorschrift 3.3.6, 3.3.10 en paragraaf 3.4);
- hoofdstuk 4 (m.u.v. voorschriften 4.2.10 en 4.2.12 tot en met 4.2.15);- hoofdstuk 5 (m.u.v. voorschrift 5.2.2 en 5.2.3, de WBDBO-eis uit voorschrift 5.5.4 van de scheiding tussen de overpompplaats annex calamiteitenplaats en de opslagruimte van dieselolie in een bovengrondse tank en voorschrift 5.6.2);
- hoofdstuk 6, en
- paragraaf 3.4 van de PGS 28:2011.”
f. “voorschrift 7.8.4: De vergunninghouder dient een vorm van boil-off management toe te passen om afblazen te voorkomen. Als onverhoopt een LNG tankwagen/-container en/of oplegger toch afblaast, moet dit gezien worden als ongewoon voorval en moeten de hulpdiensten worden gealarmeerd (het 112-nummer moet worden gebeld). De afblazende tankcontainer dient door de vergunninghouder te worden veiliggesteld door het staken van werkzaamheden en het verhinderen van verkeersbewegingen in de nabijheid van de container en het verwijderen van potentiële ontstekingsbronnen. Het koelen van de tankcontainer door te 'nivelleren' met een andere tankwagen/-container en/of oplegger is een noodmaatregel die geen deel uitmaakt van het vergunde boil-off management en moet worden gemeld aan het bevoegd gezag. Toelichting: Indien het boil-off management geen soelaas biedt, is nivelleren het laatste
redmiddel om afblazen te voorkomen.”; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzitter, en mr. J. Fransen en mr. C. Vogtschmidt, leden, in aanwezigheid van mr. R. Teuben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
e. 1°. het oprichten,
2°. het veranderen of veranderen van de werking of
3°. het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk,(…)
Artikel 2.6
1. Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of mijnbouwwerk of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2° of 3°, en met betrekking tot die inrichting of dat mijnbouwwerk al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend, kan het bevoegd gezag bepalen dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd met betrekking tot die verandering en het in werking hebben van de betrokken inrichting of het betrokken mijnbouwwerk na die verandering.
2. Indien het bevoegd gezag heeft bepaald dat een zodanige omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, besluit het aanvragen met betrekking tot de betrokken activiteit die daarop geen betrekking hebben, niet te behandelen.
3. Het bevoegd gezag kan de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende omgevingsvergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 2.31 of 2.33.
4. Een met toepassing van dit artikel verleende omgevingsvergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder met betrekking tot het betrokken project verleende omgevingsvergunningen, voor zover het de inrichting of het mijnbouwwerk betreft. Deze omgevingsvergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van dit artikel verleende omgevingsvergunning, onherroepelijk wordt.
Tekst
Artikel 2.14
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:
a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;
2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;
3°. de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;
4°. de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen;
5°. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
6°. het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert;
b. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:
1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;
2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;
3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;
c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:
1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;
2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;
3°. in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;
4°. de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, ten aanzien waarvan in het advies is aangegeven dat daaraan moet worden voldaan, voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het bepaalde in de andere onderdelen van dit lid of het tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22;
d. en betrekt het bevoegd gezag bij die beslissing de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in die maatregel.
(…)3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
(…)
Artikel 2.22
1. In een omgevingsvergunning worden het project en de activiteiten waarop het betrekking heeft, duidelijk beschreven.
2. Aan een omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20. Indien toepassing is gegeven aan artikel 2.27, vierde lid, worden aan een omgevingsvergunning tevens de bij de verklaring aangegeven voorschriften verbonden. De aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn op elkaar afgestemd.(…)