Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/047790-25
Datum uitspraak: 14 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,
raadsman mr. I. Car, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 31 maart 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie, mr. K. Broere, heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Dit feit zal daarom bewezen worden verklaard zonder nadere motivering. De rechtbank volstaat met de
in bijlage II opgenomen opgave van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
mobiele telefoons (Iphones), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan “Hotphones", in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of te richten op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3]
- de woorden toe te voegen: "Handen omhoog", althans woorden van gelijke aard en/of strekking
- met een hamer met kracht vitrines kapot te slaan.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft op vijftienjarige leeftijd, samen met een ander, op klaarlichte dag een telefoonwinkel overvallen. De winkelmedewerkers zijn tijdens de overval door de verdachte bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, terwijl de medeverdachte met een hamer de vitrines kapotsloeg en meerdere telefoons wegnam.
De verdachte heeft enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin en heeft geen enkel respect gehad voor andermans bezittingen. Met zijn handelen heeft de verdachte een bijzonder dreigende situatie gecreëerd en een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd nadelige psychische gevolgen hiervan kunnen ondervinden. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding van een van de winkelmedewerkers blijkt ook dat deze nog steeds angsten ervaart en dat zijn werkplezier hem ontnomen is. Daarnaast dragen dit soort feiten bij aan gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft dit met zijn handelen veroorzaakt.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
Rapportages en verklaring van de deskundige op de terechtzitting
De Raad schrijft in zijn rapport over de verdachte van 26 maart 2026 dat er op meerdere leefgebieden risicofactoren worden gezien die de kans op herhaling vergroten. Er bestaan vooral zorgen op de domeinen school, alcohol- en drugsgebruik en vaardigheden. Het lijkt erop dat de verdachte zeer impulsief is en de gevolgen van zijn gedrag en keuzes niet goed kan overzien. Om de kans op herhaling te verkleinen, moet er de komende tijd aandacht zijn voor de schoolgang, de vrijetijdsbesteding en de omgang met vrienden en andere contacten. Ook moet er aandacht zijn voor het middelengebruik (alcohol, blowen) en het vergroten van vaardigheden. Voor dat laatste is er op dit moment hulpverlening vanuit Fivoor betrokken. Het is van belang dat de verdachte hieraan mee blijft werken, ook als er vanuit Fivoor eventueel systeemgerichte hulp en/of diagnostiek wordt ingezet. Het daarnaast inzetten van een jongerencoach, bijvoorbeeld vanuit Welzijn E25, is zinvol om met name ook de vrijetijdsbesteding te versterken en om de contacten van de verdachte beter in beeld te krijgen en daarop zo mogelijk te sturen.
De Raad adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte naar school gaat volgens rooster en zich daar houdt aan de regels en afspraken, meewerkt aan hulpverlening van Fivoor of een soortgelijke instelling, ook als dat inhoudt dat hij meewerkt aan diagnostisch onderzoek, en dat de verdachte medewerking verleent aan een jongerencoach van E25, meewerkt aan het verkrijgen en behouden van vrijetijdsbesteding en zich houdt aan een contactverbod met de medeverdachten.
Daarnaast adviseert de Raad om aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.
JBRR schrijft in haar rapport over de verdachte van 13 maart 2026 dat er een patroon zichtbaar is waarin goede en minder goede momenten elkaar afwisselen. De verdachte is op bepaalde momenten gemotiveerd en meewerkend, terwijl hij op andere momenten moeite heeft met het nakomen van afspraken, naar school gaan en het aanvaarden van begeleiding. Daarnaast is een zorgpunt dat de verdachte veel blowt en zich niet voldoende bewust is van de gevolgen daarvan. In het leven van de verdachte worden evenwel ook veel beschermende factoren gezien, waardoor de kans op herhaling wordt ingeschat als laag.
JBRR adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan jeugdreclasseringsbegeleiding, naar school gaat volgens rooster, dan wel zich inzet voor het hebben en vasthouden van passende dagbesteding en vrijetijdsbesteding, meewerkt aan begeleiding door een jongerencoach van E25 of een soortgelijke instelling, meewerkt aan behandeling van Fivoor of een soortgelijke instelling en zich aan een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers houdt.
Op de zitting heeft de deskundige [naam], werkzaam als jeugdreclasseerder bij JBRR, het advies van JBRR toegelicht. Zij heeft verklaard dat de verdachte een vliegende start met school had gemaakt en daarna gedemotiveerd is geraakt. Omdat het opvalt dat positieve periodes en mindere periodes elkaar afwisselen en de verdachte zich in die mindere periodes terugtrekt, is het belangrijk dat er naast de behandeling door Fivoor ook een jongerencoach bij de verdachte betrokken raakt.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Hoewel de ernst van het feit een hogere straf rechtvaardigt, volstaat de rechtbank voor wat betreft het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie met 29 dagen, gelijk aan de duur van het voorarrest. De rechtbank weegt hierbij mee dat de voorlopige hechtenis van de verdachte al een lange tijd (meer dan een jaar) geleden is geschorst en dat de verdachte zich redelijk goed aan de schorsingsvoorwaarden houdt. Daarnaast ziet de rechtbank zorgen in de ontwikkeling van de verdachte, waarbij zijn impulsiviteit, vaardigheden en vriendenkeuze aandachtspunten zijn. Om de kans op herhaling te verkleinen is het noodzakelijk om de verdachte strakke kaders en behandeling te bieden. Gelet daarop, en op de adviezen van de Raad en JBRR om bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijk strafdeel te verbinden, zal de rechtbank de rest van de op te leggen jeugddetentie voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank passend en geboden een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 91 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren en de hierna te noemen bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank, vanwege de ernst van het feit, ook een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, aan de verdachte op van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie.
8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Vordering benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is, maar tot een lager bedrag. De officier van justitie heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat een objectieve onderbouwing van de vordering ontbreekt en nader onderzoek van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.
Beoordeling
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van het feit (een gewapende winkeloverval) brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon (als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek) aannemelijk is. Een nadere onderbouwing is dus niet nodig. Dit geeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Die schadevergoeding zal worden vastgesteld op € 1.500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijkheid
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de [benadeelde partij] betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 13 februari 2025.
Proceskosten
Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de [benadeelde partij] een schadevergoeding betalen van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 91 (eenennegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door JBRR te bepalen tijdstippen zal melden bij JBRR, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- naar school zal gaan volgens rooster en zich zal houden aan de daar geldende regels en afspraken, dan wel, zolang de verdachte niet naar school kan of kan starten met zijn opleiding, zijn medewerking zal verlenen aan het verkrijgen en behouden van een alternatieve vorm van dagbesteding;
- zijn medewerking zal verlenen aan de hulpverlening van Fivoor of een soortgelijke instelling, ook als dit inhoudt dat de verdachte moet meewerken aan (diagnostisch) psychologisch onderzoek en/of systeemgerichte hulp;
- zal meewerken aan de begeleiding door een jongerencoach van E25 zorg en welzijn, of een soortgelijke instelling;
- zich zal inspannen voor het hebben en behouden van een vrijetijdsbesteding in de vorm van sport en/of een bijbaan;
Van rechtswege zijn de volgende voorwaarden verbonden aan de hierboven genoemde
bijzondere voorwaarden:
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van40 (veertig) uren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 1.500,- (zegge: duizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij] te betalen € 1.500,- (hoofdsom, zegge: duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Biemond, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. L. Feraaune en S.C. Sassen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
mobiele telefoons (Iphones), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan “Hotphones", in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en/of te richten op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3]
- de woorden toe te voegen: "Handen omhoog", althans woorden van gelijke aard en/of strekking
- met een hamer met kracht vitrines kapot te slaan.