RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 12009485 CV EXPL 25-4982
datum uitspraak: 23 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Coeo Securitisation Limited,
vestigingsplaats: Dublin, Ierland,
eiseres,
gemachtigde: Rosmalen gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Coeo’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
2. De beoordeling
Wat is de kern?
[gedaagde] heeft op 16 juli 2023 online bij Ikea een matras gekocht voor een bedrag van
€ 300,64. [gedaagde] heeft voor de optie ‘achteraf betalen’ bij Klarna Bank AB (hierna: Klarna) gekozen. Klarna heeft [gedaagde] een factuur gestuurd en haar vordering op hem later verkocht en gecedeerd aan Coeo. Omdat [gedaagde] de factuur niet heeft betaald, eist Coeo betaling van dit bedrag. Ook eist zij bijkomende rente en incassokosten ad € 45,10.
[gedaagde] erkent uiteindelijk de vordering nadat hij deze in eerste instantie betwistte. Hij heeft ondertussen een betalingsregeling getroffen met de gemachtigde van Coeo.
Er wordt nu nog geen eindvonnis gewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Coeo en Klarna zijn rechtspersonen naar buitenlands recht. Daarom moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter wel bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Dat is zo. [gedaagde] woont namelijk in Nederland en is een consument. Verder overweegt de kantonrechter dat op de vordering het Nederlands recht van toepassing is.
(Pre)contractuele verplichtingen
De eis van Coeo is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van een koopovereenkomst op afstand moet ter bescherming van de consument onder meer aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW worden voldaan. Artikel 6:230m BW bepaalt welke informatie moet worden verstrekt, artikel 6:230v BW bepaalt de wijze waarop die informatie moet worden gegeven. Dat verschilt naar gelang de aard en de inhoud van de overeenkomst. De kantonrechter moet er ambtshalve op toe zien dat die voorschriften worden nageleefd. Gelet op de stellingen van Coeo en de in het geding gebrachte stukken is de kantonrechter van oordeel dat de webwinkel aan deze verplichtingen heeft voldaan.
Is er sprake van een kredietovereenkomst?
[gedaagde] heeft bij zijn aankoop bij Ikea gekozen voor betaling achteraf aan Klarna. Kort na het sluiten van deze koopovereenkomst krijgt Klarna de vordering van de verkoper overgedragen, dit is binnen de termijn waarin [gedaagde] de gelegenheid krijgt de koopprijs te betalen. Dit uitstel van betaling, het zogeheten ‘buy now pay later’ is een vorm van kredietverstrekking. Dit betekent dat in beginsel sprake is van een consumentenkrediet-overeenkomst waarop consumentenbeschermende bepalingen van toepassing zijn. De meeste van die bepalingen staan in titel 2A (artikel 57 en verder) van boek 7 BW. Het belangrijkste in dit verband zijn de informatieplichten van de artikelen 7:60 BW en 7:61 BW. Ook in artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is een belangrijke consumentenbeschermende bepaling opgenomen, namelijk een kredietwaardigheidstoets, waarmee wordt beoogd het risico op terugbetalingsproblemen te beperken.
In artikel 7:58 lid 2 BW zijn een aantal uitzonderingen opgenomen waarop die consumentenbeschermende bepalingen niet van toepassing zijn. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat kredietovereenkomsten zoals de in deze zaak gesloten kredietovereenkomst in beginsel onder genoemde uitzondering vallen. Dit kan weer anders zijn (dus een uitzondering op de uitzondering) als de kredietverstrekker er, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet zal nakomen. Met andere woorden, in het geval de bedongen kosten (zoals de rente en buitengerechtelijke kosten ongeacht of deze verschuldigd zijn op grond van de wet of de overeenkomst) deel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker. Vervolgens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beoordeling of zich het hiervoor bedoelde geval voordoet, de rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren dient te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten.
De kantonrechter zal dan ook Coeo in de gelegenheid stellen om te onderbouwen dat het door haar verleende krediet valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 BW en daarbij aan te tonen dat zij voldoet aan de regels om voor deze uitzondering in aanmerking te komen. Coeo dient zich in dat verband concreet en onderbouwd uit te laten over het verdienmodel. De kantonrechter merkt daarbij op dat hij kennis heeft genomen van het rapport “Buy Now, Pay Later, Verkenning van een nieuwe trend” van de AFM uit 20221, in het bijzonder paragraaf 4.5, waaruit volgt dat veel kredietverstrekkers die een achteraf betaalmethode aanbieden een substantieel deel van hun inkomsten genereren uit niet-betalende consumenten. Klarna, de kredietverstrekker waarvan [gedaagde] in deze zaak gebruik heeft gemaakt, is één van de vijf kredietverstrekkers die door de AFM is onderzocht. Gelet op deze bevindingen van de AFM moet er derhalve ernstig rekening mee worden gehouden dat dit ook (onderdeel van) het verdienmodel van de kredietverstrekker in onderhavige zaak is en dat Coeo derhalve geen beroep op de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 BW toekomt.
Als de kantonrechter tot het oordeel komt dat de kredietovereenkomst niet is uitgezonderd van het toepassingsgebied van titel 7.2A BW, dan zal ambtshalve moeten worden getoetst of de informatieplichten van de artikelen 7:60 en 7:61 BW zijn nageleefd en of de in artikel 4:34 Wft bedoelde kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. Als daar niet aan is voldaan, of als Coeo er niet in slaagt aan te tonen dat daaraan is voldaan, zal de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. Coeo zal in de gelegenheid worden gesteld om ook op dit punt een toelichting, voor zover mogelijk onderbouwd met bewijsstukken, te geven.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 21 mei 2026 om 10.00 uur voor het nemen van een akte door Coeo.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. R.R. Roukema en in het openbaar uitgesproken.
745