RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen
BTS B.V., uit Hellevoetsluis, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1368
(gemachtigde: [naam 1]),
en
(gemachtigden: [naam 2] en [naam 3]).
1. Deze uitspraak gaat over de toepassing van spoedeisende bestuursdwang met kostenverhaal. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toepassing van spoedeisende bestuursdwang met kostenverhaal.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college toepassing kon geven aan spoedeisende bestuursdwang en dat het kostenverhaal niet onredelijk hoog is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 27 januari 2023 (het primaire besluit 1) heeft het college zijn beslissing om op 19 januari 2023 spoedeisende bestuursdwang toe te passen vanwege de aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die brandgevaar of bij brand een gevaarlijke situatie veroorzaken en het ontbreken van brandpreventieve voorzieningen op het perceel tussen de panden aan de [adres 1] en [adres 2] op schrift gesteld.
Met het besluit van 1 juni 2023 (het primaire besluit 2) heeft het college de kosten van toepassing van bestuursdwang vastgesteld en besloten dat deze op eiseres worden verhaald.
Met het bestreden besluit van 20 december 2023 op de bezwaren van eiseres is het college bij het toepassen van spoedeisende bestuursdwang en het kostenverhaal gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Hangende het beroep heeft eiseres een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek heeft de rechtbank op 15 oktober 2024 afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft ten tijde van constateren van een overtreding een transportbedrijf en is dan huurder van het perceel gelegen tussen de panden aan de [adres 1] en [adres 2] (het perceel). Op het perceel staat een zeecontainer die in eigendom is van eiseres.
Op 19 januari 2023 heeft de toezichthouder, tijdens een integrale controle van het bedrijventerrein, op het perceel een zeecontainer aangetroffen waaruit een hevige chemische lucht kwam. Na onderzoek van de brandweer en de adviseur gevaarlijke stoffen bleek dat er in de zeecontainer intermediate bulkcontainers (IBC) met diverse (vloei)stoffen waren opgeslagen of opgesteld die brandgevaar of bij brand een gevaarlijke situatie zouden veroorzaken. Het college stelt dat er sprake is van een overtreding van de artikelen 2.84, achtste lid, 7.10 en 7.6, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 en van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, en bijlage I, onderdeel C, onder 4.4, sub j, onder 1, van het Besluit omgevingsrecht (het Bor). Het college heeft de IBC’s laten afvoeren naar een opslagvoorziening en heeft hiermee toepassing gegeven aan spoedeisende bestuursdwang.
Met het primaire besluit 1 is de toegepaste spoedeisende bestuursdwang op schrift gesteld en met het primaire besluit 2 heeft het college de kosten van de toegepaste bestuursdwang vastgesteld op € 12.570,86 en deze kosten verhaald op eiseres.
Met het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en de primaire besluiten 1 en 2 in stand gelaten.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die bestuurlijke sanctie het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd.
Bij besluit van 27 januari 2023 heeft het college zijn beslissing om spoedeisende bestuursdwang toe te passen op schrift gesteld. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft
Overtreding
5. Eiseres heeft de overtreding niet bestreden. De rechtbank stelt dan ook vast dat niet in geschil is dat er met de aanwezigheid van de stoffen in de container sprake is van een overtreding van de artikelen 2.84, achtste lid, 7.10 en 7.6, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 en van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, en bijlage I, onderdeel C, onder 4.4, sub j, onder 1, van het Bor.
De toepassing van spoedeisende bestuursdwang
6. Eiseres betoogt dat het college geen spoedeisende bestuursdwang had mogen toepassen omdat de situatie niet zo gevaarlijk was dat er onmiddellijk gehandeld moest worden. Er stond maar één IBC met 90 liter methanol die brandbaar was. De overige IBC’s vielen onder klasse 9 of waren leeg en gereinigd. Volgens eiseres wijst het inschakelen van Service en Ondersteuning Nederland (SEON) door het college voor het afvoeren van de IBC’s er ook op dat de situatie niet zo spoedeisend was. SEON ligt namelijk op enkele uren rijden van Stellendam, terwijl een ander erkend bedrijf in Rozenburg is gevestigd. Ook is één van de IBC’s achtergebleven op het perceel van eiseres. Eiseres stelt dat zij met eigen materieel de IBC’s had kunnen afvoeren, dan wel met inschakeling van zijn uitgebreide netwerk de situatie sneller, veiliger en goedkoper had kunnen oplossen.
Op grond van artikel 5:31, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Op grond van het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de situatie zo spoedeisend was dat toepassing moest worden gegeven aan spoedeisende bestuursdwang. Uit de checklist handhaving met de bijbehorende foto’s van de integrale controle op 19 januari 2023 volgt dat er in de zeecontainer IBC’s stonden opgeslagen. Na het openen van de zeecontainer werd een hevige stinkende chemische lucht geroken. Omdat niet duidelijk was welke soort en hoeveelheid (vloei)stoffen er in de IBC’s zaten, hebben de brandweer en de adviseur gevaarlijke stoffen onderzoek gedaan. Op basis van de metingen en de op de IBC’s bevestigde gevaarsymbolen bleek dat het ging om 42 IBC’s met diverse (vloei)stoffen die giftig en brandbaar waren. Niet alle IBC’s waren voorzien van een aanduiding of sticker met informatie waardoor niet kon worden vastgesteld of de overgelegde veiligheidsbladen bij de desbetreffende IBC’s hoorden. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft het advies gegeven om de IBC’s gevuld met brandbare giftige (vloei)stoffen direct te laten verwijderen, omdat bij een brand in combinatie met de grote hoeveelheid brandbare, giftige (vloei)stoffen in de zeecontainer op deze locatie er een zeer gevaarlijke situatie zou ontstaan. In zoverre was er acuut gevaar voor brandoverslag. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de IBC’s stonden opgeslagen in een zeecontainer naast het pand aan de [adres 2] waarvan de bovenverdieping werd gebruikt als woning, maar het college heeft op de zitting toegelicht dat ook zonder feitelijk gebruik als woonruimte de brandgevaarlijke situatie voor de omliggende bebouwing grond zou zijn voor het toepassen van spoedeisende bestuursdwang. Een zeecontainer is geen deugdelijke opslag voor dergelijke brandbare vloeistoffen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college heeft mogen aannemen dat sprake was van een acuut brandgevaarlijke situatie en dat deze overtreding zo spoedig mogelijk diende te worden beëindigd. De rechtbank is tevens van oordeel dat het college daarvoor toepassing kon geven aan spoedeisende bestuursdwang. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college de afvoer van de IBC’s niet heeft mogen uitbesteden aan SEON. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college heeft toegelicht dat SEON een 24-uurs logistieke en faciliterende calamiteitendienst is en dat eiseres geen of niet tijdig duidelijkheid kon verschaffen over wanneer en waar naartoe de IBC’s zouden worden getransporteerd. Daarbij heeft het college ook kunnen betrekken dat bij navraag bij het bedrijf waar de IBC’s volgens eiseres de volgende dag naartoe zouden worden vervoerd, door dit bedrijf werd ontkend dat nog zaken met eiseres werden gedaan. Dat SEON op enkele uren rijden van Stellendam is gevestigd, maakt niet dat de situatie niet spoedeisend was. De komst van SEON is afgewacht zodat er voortdurend toezicht was op de situatie.Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de risicovolle situatie die direct ingrijpen vereiste, heeft het college er ook van af kunnen zien om eiseres zelf de overtreding te laten beëindigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Kostenverhaal
7. Eiseres voert aan dat de kosten voor het toepassen van spoedeisende bestuursdwang te hoog zijn. De opslagkosten voor de IBC’s zijn berekend voor de duur van drie weken terwijl er na dertien dagen al dertien lege IBC’s zijn vrijgegeven. Volgens eiseres had ook een ander bedrijf, dat dichter bij Stellendam gelegen is, de IBC’s kunnen afvoeren.
Uit vaste rechtspraak volgt dat bestuursdwang en kostenverhaal in de regel samen gaan. Voor het maken van een uitzondering kan aanleiding bestaan indien de aangeschrevene van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. Verder kunnen andere bijzondere omstandigheden het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van kostenverhaal.
Naar het oordeel van de rechtbank is het door het college op eiseres verhaalde bedrag van € 12.570,86 niet onredelijk hoog. Het college heeft ter onderbouwing van het verhaalde bedrag de factuur van SEON overgelegd. Op de zitting heeft het college toegelicht dat er verschillende medewerkers van SEON en Remondis, het bedrijf waar de IBC’s werden opgeslagen, zijn gekomen met meerdere vervoersmiddelen voor het afvoeren van de IBC’s. Het afvoeren van de IBC’s heeft enkele uren geduurd. Het college heeft transportdocumenten overgelegd waaruit volgt dat op 13 februari 2023 30 IBC’s zijn afgehaald van de opslagplaats. Uit de factuur van Remondis volgt dat de overige 12 IBC’s ook op 13 februari 2023 zijn afgevoerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat eerder dan 13 februari 2023 IBC’s zijn afgehaald, zodat niet gezegd kan worden daarvoor ten onrechte tot 13 februari 2023 kosten voor opslag zijn gerekend. Gelet hierop doet de proefberekening die het college in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure heeft uitgevoerd voor het geval voor 12 IBC’s wel een kortere opslagtermijn zou gelden, niet ter zake. Eiseres heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de kosten voor afvoer en opslag onredelijk hoog zouden zijn. Het overleggen van enkel een e-mail van een ander bedrijf met lagere kosten voor afvoer en opslag is onvoldoende om aannemelijk te maken dat de kosten onredelijk hoog zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het bij spoedeisende situaties in het algemeen niet mogelijk is om verschillende offertes aan te vragen en daaruit het beste aanbod te kiezen.Niet is gebleken dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die aanleiding geven voor het oordeel dat geheel of gedeeltelijk van kostenverhaal had moeten worden afgezien. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.