ECLI:NL:RBROT:2026:4923

ECLI:NL:RBROT:2026:4923

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer ROT 24/193, ROT 24/199, ROT 24/250 en ROT 24/685
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Gevoegde behandeling. 2 beroepen zijn niet-ontvankelijk, omdat eisers geen belanghebbenden zijn. 2 beroepen gegrond; het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover daarin geen voorschriften zijn opgenomen voor houtgestookte brandoefeningen; zelf in de zaak voorzien; de rechtbank bepaalt dat 2 voorschriften aan de revisievergunning worden toegevoegd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2026 in de zaken tussen

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 24/193, ROT 24/199, ROT 24/250 en ROT 24/685

1. [eiser 1] ROT 24/193), uit Dordrecht, [eiser 1] ,

2. [eiser 2]ROT 24/199), uit Dordrecht, [eiser 2] ,

3. [eiser 3]ROT 24/250), uit Dordrecht, [eiser 3],

4. [eiser 4]ROT 24/685), uit Dordrecht, [eiser 4],

gezamenlijk te noemen eisers,

en

(gemachtigde: mr. M.C.G. van Tilburg (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid)).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam derde-partij] uit Dordrecht, vergunninghouder

(gemachtigde: [naam 1] ).

Procesverloop

1. Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 december 2023 (het bestreden besluit) inzake de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor revisie van de gehele inrichting op de locatie [adres 1] (de locatie).

Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.

Omdat de beroepschriften op hetzelfde bestreden besluit zien en de gronden van beroep identiek aan elkaar zijn, heeft de rechtbank aanleiding gezien de onderhavige procedures op grond van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevoegd te behandelen.

De rechtbank heeft de beroepen op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , [eiser 2] , de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] en de gemachtigde van vergunninghouder bijgestaan door [naam 4] (jurist) en [naam 5] (directeur brandweerzorg).

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Vergunninghouder drijft een inrichting op de locatie, die moet worden aangemerkt als een type C-inrichting in de zin van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Vergunninghouder exploiteert op de locatie het opleidingsinstituut en oefencentrum van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Op de locatie kunnen onder realistische omstandigheden alle voorkomende brandweer- en BHV scenario’s optimaal worden beoefend. Op 16 februari 2023 heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag ingediend ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘Milieu, revisievergunning’ voor de inrichting op de locatie. Tussen 13 oktober 2023 en 27 november 2023 heeft verweerder een ontwerp van de beschikking ter inzage gelegd. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning (revisie) verleend als bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, en artikel 2.6 van de Wabo voor de inrichting op de locatie. Verweerder heeft aan de verleende omgevingsvergunning voorschriften verbonden.

4. Eisers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen en hebben daarom ieder afzonderlijk beroep ingediend tegen het bestreden besluit. Zoals hiervoor al is vermeld, zijn de beroepschriften van eisers alle gelijkluidend.

Toetsingskader

5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 februari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Belanghebbendheid [eiser 1] en [eiser 2]

6. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of [eiser 1] en [eiser 2] als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt.

7. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

8. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

[eiser 1]

9. De rechtbank stelt vast dat uit het beroepschrift van [eiser 1] blijkt dat hij voor zichzelf beroep heeft ingediend, maar dat hij het adres van het bedrijf [bedrijf] ( [adres 2] ) waarvan hij directeur is, heeft opgegeven. In de e-mail van 23 februari 2024 heeft [eiser 1] desgevraagd expliciet aangegeven dat hij op persoonlijke titel beroep heeft ingediend tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft bij brief van 13 februari 2026 [eiser 1] verzocht om zijn woonadres door te geven aan de rechtbank. Bij e-mail van 17 februari 2026 heeft [eiser 1] aangegeven dat zijn woonadres [adres 3] is. De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de locatie en het woonadres van [eiser 1] hemelsbreed ongeveer 6,7 kilometer is. [eiser 1] heeft hierdoor geen zicht op de locatie. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet [eiser 1] dus niet aan het afstands- en zichtcriterium. Evenmin is gebleken dat hij op zijn woonadres anderszins ruimtelijke gevolgen van de inrichting zal ondervinden. Dit betekent dat [eiser 1] geen feitelijke gevolgen ondervindt van het bestreden besluit, zodat hij naar het oordeel van de rechtbank geen belanghebbende is bij dat besluit. De stelling van [eiser 1] dat hij wel overlast kan ervaren wanneer hij zich in zijn bedrijf [bedrijf] bevindt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit deze stelling volgt immers dat [eiser 1] slechts een van [bedrijf] afgeleid belang heeft en geen eigen belang.

[eiser 2]

10. De rechtbank stelt vast dat uit het beroepschrift van [eiser 2] blijkt dat hij voor zichzelf beroep heeft ingediend, maar dat hij het adres van het bedrijf [bedrijf] ( [adres 2] ) heeft opgegeven. Ter zitting heeft [eiser 2] verklaard dat hij de algemeen directeur is van het bedrijf [bedrijf] . De rechtbank heeft bij brief van 13 februari 2026 [eiser 2] verzocht om zijn woonadres door te geven aan de rechtbank. Bij e-mail van 19 februari 2026 heeft [eiser 2] aangegeven dat zijn woonadres [adres 4] is. Daarnaast heeft [eiser 2] aangegeven dat zijn verblijfadres en vorig woonadres [adres 5] was. De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de locatie en het woonadres van [eiser 2] op Terschelling hemelsbreed ongeveer 179 kilometer is. De afstand tussen de locatie en het vorige woonadres/verblijfadres van [eiser 2] in Dordrecht is hemelsbreed 6,4 kilometer. [eiser 2] heeft geen zicht op de locatie. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet [eiser 2] dus niet aan het afstands- en zichtcriterium. Evenmin is gebleken dat hij op de door hem opgegeven woonadressen anderszins ruimtelijke gevolgen van de inrichting zal ondervinden. Dit betekent dat [eiser 2] geen feitelijke gevolgen ondervindt van het bestreden besluit, zodat hij naar het oordeel van de rechtbank geen belanghebbende is bij dat besluit. De stelling van [eiser 2] dat hij wel overlast kan ervaren wanneer hij zich in zijn bedrijf [bedrijf] bevindt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit deze stelling volgt immers dat [eiser 1] slechts een van [bedrijf] afgeleid belang heeft en geen eigen belang.

11. De beroepen van [eiser 1] en [eiser 2] zijn niet-ontvankelijk. Verweerder hoeft het door [eiser 1] en [eiser 2] betaalde griffierecht niet te vergoeden.

Beroepen van [eiser 3] en [eiser 4]

12. [eiser 3] en [eiser 4] betogen dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend. Daartoe hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning voor zover deze ziet op houtgestookte brandoefeningen te vrijblijvend is. [eiser 3] en [eiser 4] stellen zich verder op het standpunt dat verweerder bij houtgestookte brandoefeningen een emissie- en geuronderzoek moet laten uitvoeren, omdat nu niet duidelijk is welke risico’s hun medewerkers, bezoekers, bedrijfsvoering en zij zelf lopen.

13. De rechtbank stelt vast dat in bijlage B (voorschriften) van het bestreden besluit ten aanzien van het onderdeel geur geen voorschriften zijn opgenomen. Uit bijlage D, onder het kopje ‘Geur’, van het bestreden besluit volgt dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten voldoet aan het aanvaardbaar geurhinderniveau en dat het opleggen van voorschriften niet noodzakelijk is. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het wenselijk is om aan de bij het bestreden besluit verleende omgevingsvergunning ten aanzien van de houtgestookte brandoefeningen voorschriften te verbinden. Omdat verweerder zich wat betreft deze voorschriften op een ander standpunt stelt dan in het bestreden besluit en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd voor zover het ziet op het onderdeel geur. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien.

14. Ter zitting is met partijen besproken dat vergunninghouder reeds vijf maatregelen heeft getroffen om geuroverlast te voorkomen. Vergunninghouder heeft de volgende maatregelen getroffen om geurhinder te voorkomen:

[eiser 1] en [eiser 2] hebben ter zitting verklaard dat de maatregelen voldoende zijn om geuroverlast door houtgestookte brandoefeningen te voorkomen en dat van de industriehal nooit overlast wordt ondervonden. Verweerder heeft onbetwist verklaard dat de laatste melding van geuroverlast dateert van 10 oktober 2024.

15. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door twee van de maatregelen als voorschriften aan de omgevingsvergunning toe te voegen. Verweerder en vergunninghouder hebben ter zitting verklaard geen bezwaren te hebben tegen het opnemen van deze voorschriften. In de omstandigheid dat de beroepen van [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk zijn en [eiser 3] en [eiser 4] niet ter zitting zijn verschenen, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te zien van de mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien. Met het toevoegen van twee voorschriften aan de omgevingsvergunning wordt naar het oordeel van de rechtbank juist aan de beroepen van [eiser 3] en [eiser 4] tegemoet gekomen.

Conclusie en gevolgen

16. De beroepen van [eiser 3] en [eiser 4] zijn gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin geen voorschriften aan de houtgestookte oefeningen zijn opgenomen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de volgende twee voorschriften aan de omgevingsvergunning van 4 december 2023 toe te voegen:

Geur

17. Omdat de rechtbank de beroepen van [eiser 3] en [eiser 4] gegrond verklaart, moet verweerder aan [eiser 3] en [eiser 4] het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart de beroepen van [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk;

 verklaart de beroepen van [eiser 3] en [eiser 4] gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin geen aanvullende voorschriften voor de houtgestookte oefeningen zijn opgenomen;

 bepaalt dat aan de omgevingsvergunning de volgende twee voorschriften worden toegevoegd:

Geur

1. Het is vergunninghouder uitsluitend van maandag tot en met vrijdag van 18:00 uur tot 06:00 uur toegestaan om de containerbaan op de locatie [adres 1] , te gebruiken voor houtgestookte brandoefeningen. In het weekend (zaterdag en zondag) is het vergunninghouder ook in de dagperiode (van 09:00 uur tot 16:00 uur) toegestaan om de containerbaan op de locatie [adres 1] te gebruiken voor het uitvoeren van houtgestookte brandoefeningen.

2. Vergunninghouder is verplicht om tijdens houtgestookte brandoefeningen in de instructiehal op de locatie [adres 1] , de schuifdeur zoveel mogelijk dicht te houden.

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371,- aan [eiser 3] te vergoeden;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371,- aan [eiser 4] te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzitter, en mr. J. Fransen en mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C. Vogtschmidt
  • mr. J. Fransen
  • mr. V. van Dorst

Griffier

  • mr. H.M. Hsu

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?