Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/193989-25
Datum uitspraak: 13 april 2026
Datum zitting: 13 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. D.C.E. Timmermans
Officier van justitie: mr. N.A. van Manen
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een gekwalificeerde opzetaanranding, die hem verminderd kan worden toegerekend. Een deel van deze gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een gekwalificeerde opzetaanranding, waarbij er sprake was van dwang.
De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
op of omstreeks 26 juni 2025 te Rotterdammet een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (onverhoeds) vastpakken van en/of wrijven over de bil(en), terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- met een stok/buis in de hand achter die [slachtoffer] aan te rennen en- bij die [slachtoffer] in een lift te stappen en- (op het moment dat die [slachtoffer] de lift is uitgestapt) die [slachtoffer] achterna te lopen en- met een stok/buis in de richting van die [slachtoffer] te wijzen, althans (een) zwaaiende beweging(en) te maken.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de gekwalificeerde opzetaanranding.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
hij op 26 juni 2025 te Rotterdammet een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het onverhoeds wrijven over de bil(en), terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van dwang en/of bedreiging, door- met een buis in de hand achter die [slachtoffer] aan te rennen en- bij die [slachtoffer] in een lift te stappen.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
3. Proces-verbaal van de politie
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzetaanranding voorafgegaan door en vergezeld van dwang of bedreiging.
Strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend, omdat de verdachte onder invloed van een psychose heeft gehandeld. Aan de verdachte was eerder al een crisismaatregel opgelegd, gevolgd door een zorgmachtiging (die inmiddels is verlengd). De verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Oordeel rechtbank
Over de verdachte is gerapporteerd door twee gedragsdeskundigen, te weten psychiater [naam 1] op 2 december 2025 en psycholoog [naam 2] op 31 december 2025. Zij hebben geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan een (ernstige) stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornis was ten tijde van het tenlastegelegde feit aanwezig. Daarnaast konden de deskundigen een psychotische stoornis, een autismespectrumstoornis en een persoonlijkheidsstoornis niet aantonen of uitsluiten. Als de verdachte ook deze andere stoornissen heeft, dan waren deze stoornissen aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde feit. Over de invloed van stoornissen op de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het feit hebben de deskundigen zich niet uitgelaten.
De deskundigen hebben de overige vragen, waaronder de vraag over het recidiverisico, niet kunnen beantwoorden door de gebrekkige medewerking van de verdachte aan de onderzoeken.
Uit de rapportages blijkt verder dat aan de verdachte meerdere malen – zowel vóór als na het ten laste gelegde feit – een crisismaatregel is opgelegd, later gevolgd door een zorgmachtiging. Ter terechtzitting is gebleken dat deze zorgmachtiging recent is verlengd. Verder is gebleken dat de verdachte (depot)medicatie krijgt om een psychose te bedwingen.
De rechtbank slaat ook acht op het verhoor van de verdachte bij de politie. Daarin bleek dat de verdachte op enig moment onverstaanbaar begon te brabbelen, wartaal begon uit te slaan en een sterk verwarde indruk maakte.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank voldoende aanwijzingen dat de verdachte lijdt aan een stoornis in het gebruik van cannabis en een psychotische stoornis. Mogelijk heeft het middelengebruik een rol gespeeld in zijn psychotische ontregeling. De rechtbank acht het aannemelijk dat de psychotische problematiek van invloed is geweest op het handelen van de verdachte. De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het bewezen verklaarde feit. Het verweer van de verdediging, dat strekt tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid, wordt dan ook verworpen. De verdachte is dus strafbaar. De rechtbank is wel van oordeel dat het bewezen feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 45 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om alleen een (kale) gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen. De bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, zijn niet nodig, nu de verdachte inmiddels goed is ingebed door de zorgmachtiging en tot en met juli 2027 in een proeftijd loopt van een eerdere strafzaak, waaraan eveneens bijzondere voorwaarden zijn gekoppeld.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding. De verdachte is midden in de nacht met een pvc-buis achter het slachtoffer aangerend en is bij haar in de lift van een appartementencomplex gestapt. Vlak voor het verlaten van de lift heeft de verdachte in die besloten ruimte de billen van het slachtoffer aangeraakt. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer geschonden. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de impact van zijn handelen op het slachtoffer. De angst van het slachtoffer blijkt uit de aangifte en uit de camerabeelden. Bovendien draagt een dergelijk zedenmisdrijf bij aan algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, maar enkel voor twee winkeldiefstallen.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In de eerder genoemde rapportages van de deskundigen, te weten psychiater [naam 1] en psycholoog [naam 2], konden de deskundigen niet tot concrete bevindingen en/of aanbevelingen komen doordat de verdachte destijds het delict ontkende en door zijn gebrekkige medewerking aan beide onderzoeken. De psycholoog acht echter – gelet op vervolginformatie van de behandelaar – voortzetting van ambulante behandeling van belang.
In aanvulling op bovengenoemde rapportages heeft Reclassering Nederland op 16 januari 2026 een advies uitgebracht over de invulling en de haalbaarheid van eventuele bijzondere voorwaarden.
De reclassering acht het risico op recidive laag tot matig. Bij een veroordeling wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, een ambulante behandeling, verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing van het middelengebruik.
De medewerking van de verdachte aan begeleiding en behandeling hangt zeer sterk samen met het trouw (blijven) innemen van medicatie. Voor de reclassering is het op dit moment niet mogelijk om verdere concrete uitspraken te doen over de haalbaarheid van risicobeperking en/of gedragsverandering middels bovenstaande voorwaarden. Zo lang de verdachte medicatietrouw blijft, is de verwachting dat deze haalbaarheid bestaat.
Overige persoonlijke omstandigheden
Ter terechtzitting is gebleken dat het door de medicatie en de zorgmachtiging inmiddels beter gaat met de verdachte. Gebleken is dat de zorgmachtiging inmiddels is verlengd en dat de verdachte derhalve gedurende een periode nog in behandeling zal blijven.
Oplegging straf
Bij de ernst van het strafbare feit past een gevangenisstraf. Bij het bepalen van deze strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat het feit – zoals onder paragraaf 3.3.2 is overwogen – in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Daarom wordt een gevangenisstraf van 30 dagen opgelegd. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 15 dagen. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf (15 dagen) wordt voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat een aantal voorwaarden – waaronder meewerken aan begeleid wonen – niet aan de eerdere voorwaardelijke straf was verbonden, terwijl dit voor de stabiliteit van de verdachte wel nodig is.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 241 van het Wetboek van Strafrecht.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 15 (vijftien) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte één van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd zal laten behandelen door ambulant behandelcentrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering deze behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er een terugval is in overmatig middelengebruik en/of er een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte optreedt dat een kortdurende klinische opname noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, zal meewerken aan toeleiding naar en verblijft in een begeleide dan wel beschermde woonvorm of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering;
4. de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan controles op zijn middelengebruik om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van cannabis. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M Havik, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 april 2026.