Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/211782-25
Datum uitspraak: 24 april 2026
Datum zitting: 13 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1996 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres:
[adres ], [postcode ] [plaatsnaam ].
Advocaat van de verdachte: mr. A. Derks
Officier van justitie: mr. E.M. Blanken
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. T.S.G. Joemman
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor schuldverkrachting. De verklaring van de aangeefster is betrouwbaar en wordt voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verdachte wordt vrijgesproken van opzetverkrachting. De rechtbank legt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren. De vordering van de benadeelde partij wordt deels toegewezen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – de aangeefster heeft verkracht ((gekwalificeerde) opzet- dan wel schuldverkrachting).
De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
primair
op of omstreeks 22 februari 2025 te [plaatsnaam ]
met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en/of zetten van de handen van die [slachtoffer] bij/op zijn, verdachtes, penis en/of
- meermalen, althans eenmaal, (onverhoeds) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] te brengen/bewegen,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer] vast te houden en/of te trachten op bed te trekken;
subsidiair
op of omstreeks 22 februari 2025 te [plaatsnaam ]
met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en/of zetten van de handen van die [slachtoffer] bij/op zijn, verdachtes, penis en/of
- meermalen, althans eenmaal, (onverhoeds) zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] te brengen/bewegen,
terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
2. Vrijspraak (gekwalificeerde) opzetverkrachting
Het primair tenlastegelegde is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
3. Bewijs schuldverkrachting
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten de schuldverkrachting.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de schuldverkrachting. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte [aangeefster] heeft verkracht. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik zat op 22 februari 2025 op de bank met [aangeefster] in mijn huis in [plaatsnaam ]. Ze wilde mijn pik zien, we gingen daarom naar de slaapkamer.
Ze zei: ‘we gaan geen seks hebben’. We gingen zoenen. Ik zei: ‘weet je zeker dat je geen seks wilt hebben?’.
We gingen op bed liggen. We hadden allebei geen broek aan. Ik heb op bed haar onderbroek uitgetrokken.
Toen kwam ik boven op haar en zoende haar.
Ik kan mij het gesprek over vaginisme herinneren, ze had gezegd dat ze vroeger was verkracht.
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangeefster]Ik doe aangifte tegen [verdachte]. Het is gebeurd op 22 februari 2025 in [plaatsnaam ].
Op een gegeven moment ging het gesprek over dat ik vaginisme heb. Dat geloofde hij niet omdat hij vond dat als ik mij goed zou voelen het misschien wel zou kunnen. Ik zei toen dat mijn grootste angst is om verkracht te worden. Op een gegeven moment heb ik tegen hem gezegd dat ik geen seks met hem wilde hebben of niet zoenen.
Ik vroeg aan hem of hij een grote penis heeft. Toen zei hij: ‘Dan kom je maar op 1 manier achter’. Toen ben ik mee gegaan naar zijn slaapkamer en daar trok hij meteen zijn broek uit. Hij pakte mijn hand en trok die naar zijn penis. Ik zei toen dat ik er geen zin in had en het alleen wilde zien. Toen begon hij mij te zoenen op mijn mond, ik draaide mijn hoofd weg. Ik zei dat we niet zouden gaan zoenen. Hij probeerde het steeds.
Hij trok mij dat bed op en toen begon hij mijn broek uit te doen.
Ik lag op mijn rug en hij kwam boven op mij, in missionarisstand. Toen keek hij mij aan. Ik zei nog ‘geen seks, het doet pijn’. Mijn benen lagen gespreid en hij kwam bovenop mij. Ik duwde tegen zijn buik. Hij heeft dat nog een paar keer geprobeerd. Hij is gelukkig niet met heel zijn penis erin geweest maar met zijn eikel alleen. Hij vroeg of het echt zo erg was en ik zei dat het voelde alsof er een mes in ging. Toen deed hij het nog een keer en toen bij de laatste keer ging hij er niet mee uit en hij hield mij een beetje vast. Daar schrok ik heel erg van. Ik ben in paniek opgestaan en probeerde mijn broek aan te doen.
Mijn onderbroek en telefoon kon ik niet vinden; die lagen ergens in dat bed. Ik ben de kamer uitgegaan. Ik heb het verteld aan mijn vrienden en zijn vrienden die er toen waren.
3. Proces-verbaal van de politie, informatief gesprek met [slachtoffer][slachtoffer] verklaarde in de nacht van 21 januari 2025 (de rechtbank begrijpt: 21 februari 2025) op 22 februari 2025 naar de woning van [verdachte] in [plaatsnaam ] te zijn geweest. [verdachte] probeerde meerdere keren haar hand in haar broek te doen. Uiteindelijk kwam haar vaginisme ter sprake en dat een verkrachting haar grootste angst was. Ze zei dat ze niet wilde zoenen en ook geen seks wilde.
[slachtoffer] vroeg aan [verdachte] of hij een grote penis had. In de slaapkamer deed hij zijn broek uit en liet hij zijn penis zien. Hij bracht haar hand naar zijn penis. In de slaapkamer begon hij [slachtoffer] te zoenen, waarop zij haar hoofd weg draaide. Hierop begon hij haar te zoenen in haar nek. [slachtoffer] lag op een gegeven moment op haar rug op zijn bed toen hij haar broek en ondergoed uit begon te trekken. Hij lag boven op haar en probeerde zijn penis in haar vagina te doen. Ze zei dat ze geen seks wilde en dat het zeer deed. Hierna probeerde hij nog een aantal keer naar binnen te gaan met zijn penis.
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 1]Op 22 februari 2025 waren we in [plaatsnaam ].
We zaten op de bank. [slachtoffer] zat tussen mij en [verdachte] in. Ik zag dat [verdachte] probeerde zijn hand in haar broek te doen. Ik hoorde [slachtoffer] nee zeggen. Ik hoorde dat zij geen seks met elkaar wilde hebben. Even later gingen [slachtoffer] en [verdachte] naar zijn kamer. [slachtoffer] zou naar zijn penis gaan kijken, maar daar zou het bij blijven. [slachtoffer] kwam toen de kamer uit. [slachtoffer] was zichtbaar overstuur. Ze was in shock en dat zij was verkracht. Ze had wel haar broek aan, maar geen onderbroek. [verdachte] kwam later de kamer uit.
Toen zij de kamer uit kwam lopen zei ze: ‘Ik ben verkracht’. Ze zei ook dat dit haar grote angst was.
Ik zag dat zij eerst in shock was. Later hysterisch, boos en verdrietig. Ik zag dat het niet goed met haar ging. De rest van de ochtend was ze ook echt van de kaart. Ze bleef maar herhalen wat er was gebeurd, het zat in haar hoofd.
Wat heeft [slachtoffer] verteld over wat er in de slaapkamer was gebeurd?
Ze kwamen de kamer in. Hij probeerde haar te zoenen, dat wou ze niet. Hij duwde haar op bed, al zoenend. Hij trok haar broek naar beneden. [slachtoffer] gaf aan dat zij vaginisme had en geen seks wilde hebben. Hij ging toch bij haar naar binnen.
Ik ben met [slachtoffer] teruggegaan naar de kamer, omdat haar onderbroek en telefoon daar nog lagen. Het bed zag er best rommelig uit toen wij deze uit de kamer gingen halen. Haar onderbroek lag in bed, niet bij het voeteind, maar hoger.
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 2]
We waren naar [verdachte] in [plaatsnaam ] gegaan. Ik hoorde [verdachte] en [slachtoffer] praten, althans speculeren over hoe groot zijn penis was. [slachtoffer] zei toen tegen hem dat ze hem wel wilde zien maar dat ze geen seks wilde met hem. Ze zijn toen naar de slaapkamer gegaan.
Niet veel later kwam [slachtoffer] overstuur de slaapkamer uit en de woonkamer binnen om gelijk te vertellen wat haar is overkomen. Ze vertelde dat hij eerst zijn penis had laten zien. Ze vertelde dat zij haar hand op zijn penis moest leggen wat ze niet wilde. Toen zijn ze in bed beland en heeft hij haar broek uit gegaan. Ook haar onderbroek. Toen heeft hij geprobeerd bij haar binnen te gaan. Hij probeerde met zijn penis seks met haar te hebben vaginaal. Meerdere keren. Later had ze ook gezegd dat ze het niet wilde. Uiteindelijk is ze de kamer uit gegaan. Ze heeft haar broek toen aangedaan zonder onderbroek.
Toen [slachtoffer] de slaapkamer uitkwam, zag ik dat ze ontdaan was, van slag. Dat hoorde je in haar stem ook toen ze het vertelde.
6. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 3]
Het was 22 februari 2025 rond 09:30 uur belde [slachtoffer] mij of wij haar konden komen ophalen in [plaatsnaam ]. Ik vroeg: waarom? Waarop [slachtoffer] antwoordde: Ik ben verkracht. Ze klonk een beetje paniekerig.
Bewijsmotivering
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zijn en dat steunbewijs ontbreekt.
Bewijs in zedenzaken
Voorop staat dat er in zedenzaken vaak beperkt bewijs voorhanden is. Bij de veronderstelde seksuele handelingen zijn immers meestal slechts twee personen aanwezig, te weten het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent (zoals in deze zaak), is doorgaans de verklaring van het slachtoffer over de seksuele handelingen het enige rechtstreekse bewijsmiddel. Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Vaste rechtspraak is dat de rechter dan ook alleen tot een bewezenverklaring kan komen als de (betrouwbaar geachte) verklaring van het slachtoffer voldoende wordt ondersteund door ander bewijs: het steunbewijs.
Niet vereist is dat de ten laste gelegde seksuele handelingen als zodanig steun vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten wordt bekrachtigd door ander bewijs. Dit bewijs moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron dan de belastende verklaring en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van het slachtoffer. Een ‘de auditu’ (‘van horen zeggen’)-verklaring, die een weergave is van wat de getuige (in dit geval de aangeefster) aan de betrokken andere getuige heeft verteld, levert op zich onvoldoende steun op. Indien een verklaring van een getuige daarentegen (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming wel voldoende steunbewijs opleveren (zie onder meer HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117).
De vraag of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van het slachtoffer, moet worden onderscheiden van de vraag of de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is. Dit neemt niet weg dat het steunbewijs kan dienen als controlemiddel voor de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer.
De rechtbank moet dus beoordelen of de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en – zo ja – of deze voldoende ondersteund wordt door ander bewijs. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Betrouwbaarheid verklaring [aangeefster]
De aangeefster heeft vrijwel direct bij de politie gemeld dat zij door de verdachte is verkracht. Op zondag 23 februari 2025 vond een informatief gesprek zeden plaats en op 13 maart 2025 heeft zij aangifte gedaan en daarbij een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de aangeefster bij haar aangifte consistent en voldoende specifiek heeft verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar zou hebben verricht en de omstandigheden waaronder deze zouden hebben plaatsgevonden. Zij heeft ook concreet verklaard dat zij daarvoor tegen de verdachte heeft gezegd dat ze geen seks met hem wilde en dat zij door vaginisme daartoe ook niet in staat was. Over het moment van binnendringen heeft zij gedetailleerd verklaard dat het binnendringen door haar vaginisme voelde als “messteken”. In de aangifte verklaart zij verder dat zij meteen nadat zij de slaapkamer verliet, aan de aanwezigen in de woonkamer heeft verteld dat ze was verkracht. De latere aangifte is op essentiële onderdelen consistent ten opzichte van wat zij tijdens het informatief gesprek heeft verklaard.
Voor de betrouwbaarheid van de verklaring slaat de rechtbank ook acht op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Hun verklaringen over wat het verloop van de avond tot aan de seksuele handelingen, onder andere dat de aangeefster heeft gezegd geen seks te willen, stemmen op essentiële punten overeen met de verklaring van de aangeefster.
De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster dan ook betrouwbaar en zal deze verklaring als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.
Steunbewijs
De rechtbank is verder van oordeel dat de verklaring van de aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], die ten tijde van het incident in de woning aanwezig waren. Uit deze getuigenverklaringen blijkt dat de aangeefster meteen toen zij vanuit de slaapkamer de woonkamer binnenkwam, verklaarde dat zij was verkracht. Deze getuigen hebben waargenomen dat de aangeefster overstuur en in paniek was, èn dat zij haar onderbroek niet aan had; die werd later in het bed gevonden. De rechtbank is van oordeel dat de door de getuigen waargenomen gemoedstoestand van de aangeefster aansluit bij wat de aangeefster heeft verklaard over wat haar is overkomen.
Ook wordt de verklaring van de aangeefster ondersteund door de verklaring van de [getuige 4] (haar moeder). Haar moeder heeft verklaard dat de aangeefster haar kort na het incident heeft gebeld met de mededeling dat zij was verkracht en dat zij paniekerig klonk.
De verklaring van de aangeefster wordt bovendien op onderdelen ondersteund door de verklaring van de verdachte ter terechtzitting. Zo heeft de verdachte bevestigd dat de aangeefster had aangegeven geen seks met hem te willen, dat zij had gezegd dat ze door vaginisme geen seks kón hebben en dat hij de onderbroek van de aangeefster op het bed heeft uitgetrokken.
Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat de verdachte bij de aangeefster seksuele handelingen heeft verricht die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam en dat hij zeer onachtzaam heeft gehandeld door onvoldoende alert te zijn op de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij aangeefster. De rechtbank acht schuldverkrachting dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
subsidiair
hij op 22 februari 2025 te [plaatsnaam ]
met een persoon, te weten [slachtoffer],
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van de handen van die [slachtoffer] op zijn, verdachtes, penis en
- meermalen onverhoeds zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] te brengen,
terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
subsidiair
schuldverkrachting.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het subsidiair ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en geen bijzondere voorwaarden op te leggen. Verder heeft de verdediging geen opmerkingen met betrekking tot de hoogte van de straf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van het slachtoffer, door eerst de handen van het slachtoffer ongevraagd op zijn penis te brengen en vervolgens meermalen zijn penis in de vagina van het slachtoffer te brengen. De verdachte wist dat het slachtoffer geen seks wilde hebben en wegens vaginisme ook geen seks kon hebben. Zij heeft dat ook duidelijk tegen hem gezegd. Door zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de slachtofferverklaring die namens het slachtoffer ter zitting is voorgedragen, blijkt dat het handelen van de verdachte een grote impact op haar heeft gehad en nog steeds heeft.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 8 april 2026 staat het volgende.
De reclassering kan geen uitspraak doen over factoren die tot herhaald gedrag kunnen leiden, gelet op de stellige ontkenning van de verdachte. Bij een schuldigverklaring kan de reclassering wel factoren benoemen die tot herhaald gedrag zouden kunnen leiden, namelijk zijn middelengebruik, houding, beperkte probleembesef en inschattingsvermogen.
Het herhalingsgevaar kan niet worden ingeschat. Bij een veroordeling kan de reclassering echter stellen dat het inschattingsvermogen van verdachte beperkt is geweest of dat hij koos voor zijn eigen gerief, mogelijk mede door het middelengebruik. Dit zijn factoren die de kans op herhaald gedrag denkbaar maken.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer, beheersing middelengebruik en andere voorwaarde het gedrag betreffende.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft ter terechtzitting gezegd dat hij zijn levensstijl heeft gewijzigd. Hij sport en eet gezond. Hij heeft per 1 juni 2026 een baan. Verder is hij aangemeld voor zijn schuldenproblematiek.
Oplegging straffen
Straffen
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een combinatie van een gevangenisstraf en een forse taakstraf passend. Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarom wordt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden opgelegd. Deze voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een maximale taakstraf van 240 uren passend is.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer, beheersing middelengebruik en andere voorwaarde het gedrag betreffende.
6. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
(bijgestaan door mr. T.S.G. Joemman) heeft als benadeelde partij voor het ten laste gelegde feit € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie refereert zich ten aanzien van de hoogte van het schadebedrag aan het oordeel van de rechtbank. Bij toewijzing dient het bedrag te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair moet de vordering van de benadeelde partij worden gematigd en dient aansluiting te worden gezocht bij categorie c uit de ‘Rotterdamse Schaal’.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vast is komen te staan dat de verdachte de benadeelde partij heeft verkracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zoals de rechtbank hierboven bij de motivering van de strafoplegging uiteen heeft gezet, ondervinden slachtoffers van dit soort misdrijven in het algemeen veel nadeel en uit de aangifte en de ter terechtzitting voorgehouden slachtofferverklaring is ook gebleken dat de benadeelde partij in deze zaak nadeel heeft ondervonden. Aldus staat vast dat de verdachte door de bewezen verklaarde strafbare feit de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 5.000,-. Bij de begroting is rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en is acht geslagen op de schadebedragen uit de ‘Rotterdamse Schaal’. De vordering wordt tot het hiervoor genoemde bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan daarom bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 22 februari 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte één van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd zal melden bij de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak. De verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. De verdachte is verantwoordelijk telefonisch en per post bereikbaar te zijn. De reclassering controleert de behandelvoortgang en woont evaluaties bij;
2. de verdachte een ambulante behandeling volgt bij de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener. Doordat de verdachte de delictsituatie stellig ontkende, zijn bij aanvang gesprekken noodzakelijk omtrent zijn ontkennende houding. Binnen de behandeling zal het van belang zijn te achterhalen waardoor de verdachte seksueel grensoverschrijdend gedrag vertoonde, met als doel het verwerven van inzicht in risicosituaties en hoe deze te vermijden in de toekomst. De verdere inhoud van dit behandelcontact zal nader bepaald dienen te worden. Het contact met de behandelinstelling duurt zolang de behandelaren dit nodig vinden, in samenspraak met de reclassering;
3. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal zoeken of hebben met de aangeefster, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2002;
4. de verdachte zal meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik in beeld te krijgen en zo mogelijk beter te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle welke bij voorkeur plaats dient te vinden met de RUMA-marker. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd. Bij ernstige bezwaren tegen het gebruik van de RUMA-marker is de reclassering genoodzaakt tot het doen van visuele controles, uitgevoerd door een externe partij, gevestigd te Rotterdam;
5. de verdachte zal meewerken aan het convenant tussen reclassering en politie, dat onder meer inhoudt dat de verdachte door de wijkagent bezocht kan worden in zijn huis of omgeving.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij] (feit subsidiair), te betalen een bedrag van € 5.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 22 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit subsidiair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 5.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 22 februari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. B. Vaz, voorzitter,
en mrs. E.M. Havik en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 april 2026.