ECLI:NL:RBROT:2026:4955

ECLI:NL:RBROT:2026:4955

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer ROT 25/1952
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt heeft waarom begeleiding in de vorm van een pgb door de moeder van eiser niet langer passend zou zijn. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1952

(gemachtigde: mr. R. Imkamp),

en

(gemachtigde: mr. M.L. Groeneveld).

Deze uitspraak gaat over de ondersteuningsaanvraag van eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiser is het niet eens met de toegekende zorgomvang en -vorm. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt heeft waarom begeleiding in de vorm van een pgb door de moeder van eiser niet langer passend zou zijn. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 5 juli 2024 heeft het college begeleiding in de vorm van pgb voor de periode tussen 1 juli 2024 en 30 september 2024 toegekend. Met een besluit van 12 augustus 2024 heeft het college voor de periode tussen 1 oktober 2024 en 30 september 2025 begeleiding in de vorm van zorg in natura toegekend.

Met een besluit van 16 januari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college bij de besluiten van 5 juli 2024 en 12 augustus 2024 gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de moeder van eiser en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en is bekend met een autisme spectrum stoornis (ASS). Ter bevordering van zijn zelfredzaamheid en participatie ontving eiser individuele begeleiding. Deze begeleiding werd door zijn moeder verleend en door de gemeente gefinancierd via een persoonsgebonden budget (pgb) voor 300 minuten per week. Eiser heeft een ondersteuningsaanvraag ingediend met het verzoek tot verlenging van de ondersteuning per 1 juli 2024.

Eiser heeft bij het verzoek om verlenging van zijn hulpvraag aangegeven dat hij de ondersteuning wil inkopen bij zijn moeder met behulp van een pgb. Met deze ondersteuning wil eiser bereiken dat hij in staat is zelfstandig een huishouden te voeren, sociale contacten aan te gaan en te onderhouden en zijn administratie zelfstandig te voeren. Eiser heeft toegelicht dat hij de zorg bij voorkeur van zijn moeder ontvangt, omdat zij hem goed kent, zijn zorgvragen tijdig kan signaleren en de ondersteuning daardoor stabiel kan worden geboden.

Met het besluit van 5 juli 2024 heeft het college de omvang van de informele begeleiding door de moeder van eiser verminderd van 300 minuten naar 150 minuten per week voor de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 augustus 2024. Vervolgens heeft het college met het besluit van 12 augustus 2024 een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura toegekend voor 150 minuten per week, te verlenen door een professionele zorgaanbieder in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2025.

Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat uit het budgetplan volgt dat voor het behalen van de resterende doelen 150 minuten begeleiding per week voldoende wordt geacht. Daarnaast heeft het college betrokken dat de moeder van eiser overbelast raakt vanwege de zorg voor haar echtgenoot en dat eerder al was afgesproken dat zou worden gezocht naar een professionele begeleider om haar te ontlasten. Om die reden is de informele begeleiding tijdelijk voor 150 minuten per week voortgezet, zodat in de tussentijd een professionele zorgaanbieder kon worden gevonden die de begeleiding daarna kan overnemen. De professionele zorgaanbieder is gevonden en heeft in de periode na 1 oktober 2024 zorg in natura geboden.

Met het bestreden besluit heeft het college deze besluiten gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Ontvankelijkheid

4. Nu het gaat om de ondersteuning over een al verstreken periode, heeft het college betoogt dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om een beroep inhoudelijk te beoordelen als de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een al verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig zijn vanwege de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.

De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eiser heeft verzocht om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb, waarmee hij begeleiding van zijn moeder kan blijven inkopen. Met het bestreden besluit heeft het college deze vorm van ondersteuning beëindigd en in plaats daarvan een voorziening in de vorm van zorg in natura toegekend. Een oordeel van de rechtbank over de wijziging van een pgb naar zorg in natura kan van belang zijn voor toekomstige aanvragen van eiser. Dat aan eiser ondersteuning is toegekend in een al verstreken periode maakt daarom niet dat het procesbelang ontbreekt.

Dit betekent dat het beroep van eiser ontvankelijk is.

Beoordelingskader

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Standpunt eiser

6. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het college heeft het onderzoeksstappenplan niet correct doorlopen. De totale omvang van de hulpbehoefte ontbreekt in het onderzoeksverslag en het verweerschrift. Dat hulp door de moeder van eiser niet langer nodig zou zijn, is wel gesteld maar niet onderbouwd. Eiser betoogt voorts dat het college zijn keuzevrijheid voor een pgb op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 onvoldoende heeft gerespecteerd. Het college had volgens eiser kunnen volstaan met het aanbieden van alle hulp (een combinatie van informele begeleiding en een professionele zorgverlener) in de vorm van een pgb. De bestreden beslissing is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

7. Het gaat in deze procedure om de vraag of het college de zorgomvang en zorgvoorziening op goede gronden heeft gewijzigd. De rechtbank beoordeelt deze vraag aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) over artikel 2.3.6 van de Wmo 2015, bijvoorbeeld weergegeven in de uitspraak van 10 oktober 2018, moet een aanvrager om ondersteuning die verlening van een pgb wenst, motiveren waarom een pgb een passende vorm van ondersteuning is. Hij hoeft niet te motiveren waarom zorg in natura niet passend is.

In het ‘Budgetplan persoonsgebonden budget’ heeft eiser gemotiveerd waarom hij een voorziening in de vorm van een pgb wenst. Zo heeft hij aangegeven dat hij de zorg zelf wil inkopen met een pgb omdat zijn moeder als zorgverlener hem het beste kent, knelpunten kan signaleren en zich kan inleven in wat op welk moment nodig is. Ook is zij als zorgverlener altijd aanwezig wanneer eiser haar nodig heeft. Daarnaast heeft eiser in het budgetplan aangegeven dat ingekochte hulp niet passend is, omdat zijn moeder hem zeer goed kent, zij weet in te spelen op zijn hulpvragen en zij dat kan doen op de momenten dat eiser dat nodig heeft. Een externe hulpverlener komt op vaste momenten, die ook veelal tijdens werktijden van eiser gepland zullen worden. Eiser heeft aldus de wens om een pgb uitdrukkelijk, consequent en zonder voorbehoud kenbaar heeft gemaakt in de aanloop naar het bestreden besluit.

Wanneer een aanvrager gemotiveerd de wens te kennen geeft dat hem een pgb wordt verstrekt, moet het college toetsen of voldaan is aan de voorwaarden van het tweede lid van artikel 2.3.6. Op grond van sub c van deze bepaling moet naar het oordeel van het college gewaarborgd zijn dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Gelet op het derde lid van dat artikel moet het college bij zijn beoordeling van de kwaliteit van de met het pgb in te kopen diensten meewegen of deze in redelijkheid geschikt zijn voor het doel van het gevraagde pgb. Bij de beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking komt voor zorg in natura of een pgb komt het college beoordelingsruimte toe. Dat betekent dat de rechtbank de keuze van het college terughoudend toetst, aan de hand van de motivering van eiser voor een pgb.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de afwijzing van zorg in de vorm van een pgb onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het college heeft weliswaar overwogen dat de moeder van eiser overbelast is en dat het wenselijk is dat professionele begeleiding wordt gezocht, maar uit het dossier blijkt niet dat het college concreet heeft onderzocht of en in hoeverre de moeder de begeleiding nog kan blijven bieden op een manier die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.3.6. Met het enkele standpunt dat professionele begeleiding wenselijk is, is naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk getoetst of de door eiser gemotiveerd aangevraagde ondersteuning in de vorm van een pgb veilig, doeltreffend en cliëntgericht kan worden verstrekt en of de kwaliteit van de met het pgb in te kopen diensten in redelijkheid geschikt is voor het doel van het gevraagde pgb. Weliswaar is overwogen dat een professionele begeleider de doelen van eiser doelmatiger kan benaderen, maar dit is niet onderbouwd. Evenmin is gemotiveerd waarom de begeleiding niet (gedeeltelijk) door de moeder kan blijven worden geleverd, ondanks de gestelde overbelasting.

Ook heeft het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de eerder geïndiceerde begeleiding van 300 minuten per week is gehalveerd naar 150 minuten per week. De enkele verwijzing naar het budgetplan, waarin doelen zijn geformuleerd, is daarvoor onvoldoende, nu niet is toegelicht hoe uit die doelen volgt dat met 150 minuten begeleiding kan worden volstaan. Het college heeft de eerder geïndiceerde 300 minuten per week zonder inhoudelijke vergelijking verlaten. Niet is toegelicht waarom de hulpbehoefte van eiser zodanig is gewijzigd dat kon worden volstaan met de helft van de eerder noodzakelijk geachte begeleiding. De omstandigheid dat de begeleiding is omgezet van informele naar professionele zorg verklaart op zichzelf niet waarom de totale omvang is gehalveerd, te meer niet nu ook over de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 augustus 2024 de voorziening in de vorm van begeleiding door de moeder van eiser is gehalveerd van 300 minuten naar 150 minuten per week.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Daarmee is het genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep slaagt. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Het college zal daarom een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Het college dient daarbij concreet te onderzoeken of en in hoeverre de moeder van eiser de begeleiding kan blijven bieden, en dit onderzoek niet te beperken tot een verwijzing naar de gestelde overbelasting. Het college dient voorts inzichtelijk te maken waarom met 150 minuten begeleiding per week kan worden volstaan, bezien tegen de achtergrond van de eerder geïndiceerde 300 minuten. Ten slotte dient het college de door eiser aangevoerde motivering voor een pgb inhoudelijk te beoordelen, en te motiveren waarom begeleiding door de moeder van eiser niet in redelijkheid geschikt is voor het doel van het gevraagde pgb.

9. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt het college ook in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wmo 2015

In artikel 1.2.1, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 is bepaald dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie.

In artikel 2.3.2. van de Wmo 2015 is bepaald dat het college, nadat een melding is gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, onderzoek doet naar de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het nemen van een besluit over die ondersteuning, alsmede naar de daarbij af te wegen belangen.

In artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

In artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat het college, indien de cliënt dit wenst, hem een persoonsgebonden budget verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

In artikel 2.3.6, tweede lid, onder a, van de Wmo 2015, is bepaald dat het college een persoonsgebonden budget verstrekt indien de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

In artikel 2.3.6, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015, is bepaald dat het college een persoonsgebonden budget verstrekt indien de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen.

In artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, is bepaald dat het college een persoonsgebonden budget verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

In artikel 2.3.6., derde lid, van de Wmo 2015, is bepaald dat bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid, onder c, het college mee weegt of de diensten,

hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Voorne aan Zee

In artikel 12 van de verordening is bepaald dat in de beschikking tot verstrekking van de maatwerkvoorziening staat of deze in natura of als pgb wordt verstrekt.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand