RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2616
(gemachtigde: mr. M.F.C. Gommans),
en
(gemachtigde: mr. D. Gogar).
Procesverloop
Verzoekster heeft zich op 30 oktober 2025 gemeld voor toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft het verzoek op opvang met een besluit van 30 oktober 2025 afgewezen.
Met een besluit van 26 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer ROT 26/2615) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (deze procedure, ROT 26/2616).
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 april 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het in deze zaak om?
2.
Verzoekster is geboren in Suriname en zij heeft de Surinaamse nationaliteit. In juni 2023 is zij samen met haar zoon [naam zoon] (inmiddels 12 jaar oud) naar Nederland gekomen omdat zij beter onderwijs voor [naam zoon] wilde en een betere economische situatie voor hen beiden. Haar twee oudste kinderen (17 en 22) wonen nog in Suriname. Over de vraag of [naam zoon] de Nederlandse nationaliteit heeft en of verzoekster een afgeleid verblijfsrecht in Nederland heeft, loopt een procedure bij de rechtbank.
Vanaf oktober 2023 hebben verzoekster en [naam zoon] ingewoond bij een neef van verzoekster in Rotterdam. Op 30 oktober 2025 heeft zij zich bij het college gemeld omdat zij en [naam zoon] de woning van de neef hebben moeten verlaten.
Vanaf 12 november 2025 hebben verzoekster en [naam zoon] onderdak gekregen bij Stichting Binnenslapers (hierna: Binnenslapers), aanvankelijk tot 11 december 2025. De opvang is daarna tweemaal verlengd, eerst tot 31 maart 2026 en vervolgens tot 30 april 2026.
Het college heeft het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen omdat verzoekster volgens het college niet voldoet aan de criteria daarvoor. Zij is namelijk zelfredzaam in de zin van de Wmo. In het bestreden besluit heeft het college dit standpunt gehandhaafd. Het college acht verzoekster in staat zelf vorm te geven aan haar gezinsleven, zoals zij dat ook jarenlang in Suriname heeft gedaan. Het college heeft hierbij overwogen dat verzoekster de weg weet te vinden voor hulp bij praktische zaken. Het college heeft ook overwogen dat verzoekster ervoor zou kunnen kiezen samen met [naam zoon] tijdelijk terug te keren naar in Suriname, waar haar twee andere kinderen nog wonen in de huurwoning waar verzoekster eerder heeft gewoond. In het bestreden besluit is ook vermeld dat er geen noodzaak is voor toelating tot de maatschappelijke opvang omdat verzoekster en [naam zoon] niet dakloos zijn, nu zij onderdak hebben bij Binnenslapers.
Verzoekster wil met haar verzoek bereiken dat zij wordt toegelaten tot de maatschappelijke opvang tot zes weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
3. Omdat verzoekster en [naam zoon] niet beschikken over woonruimte en gesteld is dat de opvang via Binnenslapers eindigt op 30 april 2026, neemt de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aan.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet.
Verzoekster heeft ook tijdens de bezwaarprocedure een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 12 december 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak onder meer overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het onderzoek in het kader van de Wmo niet zorgvuldig of niet voldoende adequaat is geweest. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het college heeft mogen concluderen dat verzoekster zelfredzaam is in de zin van de Wmo, dat verzoekster met name een – schrijnend – huisvestingsprobleem heeft en dat de Wmo-opvang niet de juiste route is om dit probleem op te lossen. De voorzieningenrechter heeft ook geoordeeld dat het college de belangen van [naam zoon] voldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken.
Het gaat in deze procedure om een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening. Zo’n verzoek kan alleen worden toegewezen als een terecht beroep op nieuwe feiten of omstandigheden wordt gedaan. In dit verband is van belang dat verzoekster verklaringen van de directeur van de school van [naam zoon] en van Binnenslapers heeft overgelegd, die (kennelijk) dateren van na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2025. Volgens verzoekster blijkt uit deze verklaringen dat verzoekster niet zelfredzaam is. Daarom moet zij volgens verzoekster wel degelijk worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang.
De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. In de verklaring van Binnenslapers is vermeld dat verzoekster intensief is begeleid en hulp heeft gehad bij allerlei praktische en administratieve zaken, dat zij op dit moment niet in staat lijkt overzicht te houden over alle zaken die op haar afkomen en dat zij een apathische indruk maakt. In de verklaring van de schooldirecteur is vermeld dat verzoekster intensieve begeleiding nodig heeft en dat verzoekster niet zelfredzaam is. Volgens de schooldirecteur is de kern van het probleem dat een stabiele basis ontbreekt. Hoewel uit de beide verklaringen duidelijk naar voren komt dat verzoekster sinds haar komst naar Nederland intensief is begeleid en hulp heeft gehad bij allerlei praktische en administratieve zaken, leiden de verklaringen niet tot een ander oordeel op het punt van de zelfredzaamheid als bedoeld in de Wmo. Ook uit deze verklaringen komt naar voren dat het gebrek aan huisvesting het kernprobleem is. Voor de oplossing daarvan is de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo niet bedoeld. Niet gebleken is dat sprake is van bijkomende problemen, zoals psychische problemen of een verslaving, die maken dat verzoekster zich niet zou kunnen redden in de samenleving indien in huisvesting zou zijn voorzien. Dat verzoekster last heeft stress en volgens de verklaring van Binnenslapers een apathische indruk maakt, is niet voldoende om die conclusie te trekken. Ook de omstandigheid dat verzoekster veel hulp heeft ontvangen bij praktische zaken, maakt niet dat maatschappelijke opvang noodzakelijk is. Het college heeft in dit verband terecht in zijn overwegingen betrokken dat verzoekster zich in Suriname ook zelfstandig heeft kunnen redden. De voorzieningenrechter verwijst verder, ook voor wat betreft de zorgvuldigheid van het door het college uitgevoerde onderzoek, naar de uitspraak van 12 december 2025.
Verzoekster komt dus naar voorlopig oordeel in beginsel niet voor maatschappelijke opvang in aanmerking. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om desondanks tot het oordeel te komen dat het college verzoekster tot die opvang moet toelaten in verband met de zwaarwegende belangen van verzoekster en [naam zoon] . Hoewel de voorzieningenrechter zich realiseert dat sprake is van heel moeilijke omstandigheden, is niet gebleken dat het college voor deze belangen onvoldoende oog heeft gehad. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat verzoekster in elk geval tot 30 april 2026 onderdak heeft bij Binnenslapers. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoekster niet duidelijk heeft gemaakt dat er voor wat betreft het vinden van onderdak geen alternatieven zijn, zoals een tijdelijke terugkeer naar Suriname.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: