uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 op het verzet van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee, opposant
tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 februari 2026 in het geding tussen
[naam geopposeerde] , uit [plaats] , geopposeerde,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 16 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit heeft vernietigd.
Het college heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard omdat het college niet binnen de in de uitspraak van 26 mei 2025 door de rechtbank gestelde termijn van zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van geopposeerde heeft genomen. De rechtbank heeft opposant opgedragen binnen twee weken alsnog een nieuw besluit op bezwaar te nemen op straffe van een dwangsom van €100,- per dag met een maximum van €15.000,-. Verder heeft de rechtbank opposant veroordeeld tot het betalen van een bestuurlijke dwangsom van €1.442,- en het betalen van de proceskosten en het vergoeden van het griffierecht aan geopposeerde.
De beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure is beperkt tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder partijen op zitting te horen. Als in het verzet argumenten naar voren worden gebracht die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden voordat op het beroep werd beslist, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing. Zo ja, dan is het verzet gegrond en komt de uitspraak waartegen het verzet is gericht te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bespreking gronden van verzet
3. Opposant voert in de eerste plaats aan dat er sprake was van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit waarvoor een onderzoek ter zitting nodig was. Opposant stelt namelijk dat er discussie is over de vraag of de beslistermijn was verstreken.
In het verzet voert opposant aan dat hij steeds aan geopposeerde heeft laten weten meer tijd nodig te hebben om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Opposant was naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 26 mei 2025 gehouden om een nieuw besluit op bezwaar nemen. Om tot een zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd besluit te komen heeft opposant een aanvullend parkeeronderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek was noodzakelijk om de feitelijke parkeerdruk en de gebruikssituatie van de locatie adequaat te kunnen beoordelen. Daarbij spelen seizoensgebonden omstandigheden, waaronder het aantal
strandbezoekers, wandelaars, de weersomstandigheden en de vakantieperiode een rol. De rechtbank begrijpt dat opposant zich op het standpunt stelt dat hij in overmacht verkeerde om tijdig een beslissing te nemen. Op grond van 4:15, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb schort overmacht de termijn voor het nemen van een besluit op. Uit de uitspraak van 16 december 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2020:2949) volgt dat het derde lid van artikel 4:15 geen constitutief vereiste is voor het wegens overmacht opschorten van de termijn voor het geven van een beschikking. Er is dus twijfel over de vraag of er sprake was van een overmachtssituatie op grond waarvan de termijn voor het nemen van de nieuwe beschikking op bezwaar wordt opgeschort. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat het buiten twijfel is dat opposant te laat heeft beslist en dat opposant de bestuurlijke dwangsom moet betalen.
Dit betekent dat het verzet gegrond is en de uitspraak van 16 februari 2026 komt te vervallen. Dat brengt met zich dat de verzetgrond waarin opposant aanvoert dat de rechtbank in de uitspaak van 16 februari 2026 ten onrechte opposant opdracht heeft gegeven binnen twee weken alsnog een besluit te nemen geen bespreking meer behoeft. Ten overvloede overweegt de rechtbank hieromtrent het volgende. Opposant heeft verzuimd om in deze procedure overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:20, tweede lid, van de Awb, onverwijld mededeling aan de rechtbank te doen van de nieuw beslissing op bezwaar van 9 september 2025, zodat de rechtbank daarmee bij de uitspraak van 16 februari 2026 geen rekening heeft kunnen houden. Eerst bij het verzetschrift heeft de rechtbank hier kennis van kunnen nemen. De rechtbank volgt opposant niet in het standpunt dat hij sinds 3 maart 2026 dwangsommen verbeurt, nu hij volgens de uitspraak van 16 februari 2026 slechts dwangsommen verbeurt zolang het nieuwe besluit op bezwaar nog niet is genomen, niet in geschil is dat het nieuwe besluit al op 9 september 2025 is genomen. De voorwaarde voor het verbeuren van de dwangsommen is dus niet vervuld.
Conclusie en gevolgen
4. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 16 februari 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, gegrond was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep gegrond is.
5. Uit het verzetschrift blijkt dat geopposeerde namens een aantal omwonenden afzonderlijk beroep heeft ingesteld tegen het reële besluit van 9 september 2025. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer ROT 25/7469. Nu het onderhavige beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking heeft op het reële besluit van 9 september 2025, zal de rechtbank bepalen dat deze zaak ter behandeling wordt gevoegd bij AWB 25/7469.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.A. Brekelmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
De griffier is verhinderd om
deze uitspraak te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op: