RECHTBANK Rotterdam
Team Haven en handel
Zaaknummer: C/10/713443 / KG ZA 26-45
Vonnis in kort geding van 29 april 2026
in de zaak van
PARKNCHARGE OPCO B.V.,
gevestigd in Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: Park&Charge,
advocaten: mr. P.F.C. Heemskerk en mr. F. Selmani,
tegen
1. GEMEENTE ROTTERDAM,
zetelend in Rotterdam,2. GEMEENTE ALBRANDSWAARD,
zetelend in Rhoon,3. GEMEENTE ALPHEN AAN DEN RIJN,
zetelend in Alphen aan den Rijn,4. GEMEENTE BARENDRECHT,
zetelend in Barendrecht,5. GEMEENTE BODEGRAVEN-REEUWIJK,
zetelend in Bodegraven,6. GEMEENTE CAPELLE AAN DEN IJSSEL,
zetelend in Capelle aan den IJssel,7. GEMEENTE DELFT,
zetelend in Delft,8. GEMEENTE DORDRECHT,
zetelend in Dordrecht,9. GEMEENTE GOEREE-OVERFLAKKEE,
zetelend in Middelharnis,10. GEMEENTE GORINCHEM,
zetelend in Gorinchem,11. GEMEENTE GOUDA,
zetelend in Gouda,12. GEMEENTE HARDINXVELD-GIESSENDAM,
zetelend in Hardinxveld-Giessendam,13. GEMEENTE HOEKSCHE WAARD,
zetelend in Maasdam,14. GEMEENTE HENDRIK-IDO-AMBACHT,
zetelend in Hendrik-Ido-Ambacht,15. GEMEENTE KAAG EN BRAASSEM,
zetelend in Roelofarendsveen,
16. GEMEENTE KRIMPEN AAN DEN IJSSEL
zetelend in Krimpen aan den IJssel,
17. GEMEENTE KRIMPENERWAARD,
zetelend in Stolwijk,18. GEMEENTE LANSINGERLAND,
zetelend in Bergschenhoek,19. GEMEENTE LEIDSCHENDAM-VOORBURG,
zetelend in Leidschendam,20. GEMEENTE MAASSLUIS,
zetelend in Middelburg,21. GEMEENTE MIDDELBURG,
zetelend in Middelburg,22. GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND,
zetelend in Schipluiden,23. GEMEENTE NISSEWAARD,
zetelend in Spijkenisse,24. GEMEENTE PAPENDRECHT,
zetelend in Papendrecht,25. GEMEENTE PIJNACKER-NOOTDORP,
zetelend in Pijnacker,
26. GEMEENTE REIMERSWAAL,
zetelend in Kruiningen,
27. GEMEENTE RIDDERKERK,
zetelend in Ridderkerk,
28. GEMEENTE RIJSWIJK,
zetelend in Rijswijk,
29. GEMEENTE SCHIEDAM,
zetelend in Schiedam,
30. GEMEENTE SCHOUWEN-DUIVELAND,
zetelend in Zierikzee,
31. GEMEENTE SLIEDRECHT,
zetelend in Sliedrecht,
32. GEMEENTE TERNEUZEN,
Zetelend in Terneuzen,
33. GEMEENTE VLAARDINGEN,
zetelend in Vlaardingen,
34. GEMEENTE VLISSINGEN,
zetelend in Vlissingen,
35. GEMEENTE VOORNE AAN ZEE,
zetelend in Hellevoetsluis,
36. GEMEENTE VOORSCHOTEN,
zetelend in Voorschoten,
37. GEMEENTE WADDINXVEEN,
zetelend in Waddinxveen,
38. GEMEENTE WASSENAAR,
zetelend in Wassenaar,
39. GEMEENTE WESTLAND,
zetelend in Naaldwijk,
40. GEMEENTE ZOETERMEER,
zetelend in Zoetermeer,
41. GEMEENTE ZOETERWOUDE,
zetelend in Zoeterwoude,
42. GEMEENTE ZUIDPLAS,
zetelend in Nieuwerkerk aan den IJssel
43. GEMEENTE ZWIJNDRECHT,
zetelend in Zwijndrecht
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de Aanbestedende diensten
advocaten: mr. M. van Rijn en mr. T.A. Burger,
waarin zijn tussengekomen
1. FIMIH ENERGY SOLUTIONS B.V.,
gevestigd in Alkmaar,
en
2. REBEL DEVELOPMENT B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
tussenkomende partijen
hierna te noemen: FIMIH en RD,
advocaat: mr. E. Hennis.
De zaak in het kort
Het gaat om een aanbestedingszaak, een kort geding over een zeer omvangrijke concessieopdracht aangaande laadpalen. De gemeente Rotterdam en 42 gemeenten uit de NAL(Nationale Agenda Laadinfrastructuur)-regio Zuidwest Nederland hebben een Europese aanbestedingsprocedure gepubliceerd die ziet op ca. 23.000 laadpalen (waarvan ruim 3.000 bestaande) voor elektrische voertuigen. De aanbesteding is nog in de beginfase, er is nog niet ingeschreven. De eisende partij wil dat deze aanbesteding wordt gestaakt en dat de kort geding rechter de gemeentes gebiedt om de concessieopdracht in meerdere delen in de markt te zetten. Verder vindt de eisende partij dat bepaalde punten in deze aanbesteding veranderd moeten worden. De kort geding rechter wijst de vorderingen af.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 januari 2026, met producties 1 tot en met 16 en de aanvullend overgelegde producties 17, 18 en 19- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 16 en de aanvullend overgelegde productie 17
- incidentele conclusie tot tussenkomst/voeging van FIMIH en RD.
Op 14 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daar is eerst de vordering tot tussenkomst/voeging van FIMIH en RD behandeld. Park&Charge en de Aanbestedende diensten hebben ter zitting verklaard tegen tussenkomst geen bezwaar te hebben. FIMIH en RD zijn vervolgens toegelaten als tussenkomende partijen, aangezien zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij daarbij voldoende belang hebben en niet is gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat.
2. De feiten
Op 1 september 2025 hebben de Aanbestedende diensten een Europese aanbestedingsprocedure gepubliceerd voor het overnemen, realiseren, exploiteren, beheren en onderhouden van laadvoorzieningen voor elektrische voertuigen in Rotterdam en de NAL-regio Zuidwest Nederland. Uit het Beschrijvend Document volgt dat de verwachte omvang van de concessieopdracht ongeveer 20.000 nieuwe en (overname van) ongeveer 3.100 bestaande laadpalen in de deelnemende gemeenten betreft.
In het Beschrijvend Document is verder, voor zover van belang, opgenomen:
Indeling en aantal Concessiehouders
De Aanbestedende Dienst kiest ervoor om deze Concessie niet op te delen in percelen. Het
betreft één Concessieopdracht, bestaande uit plaatsing en Exploitatie van nieuwe en over te
nemen Laadpalen.
Het totaal aan Laadlocaties van deze Concessie wordt verdeeld tussen twee Concessiehouders, waarbij de verdeling als volgt plaatsvindt:
- Eén Concessiehouder ontvangt 60% van de Laadlocaties;
- De andere Concessiehouder ontvangt 40% van de Laadlocaties.
Deze verdeling geldt zowel voor de nieuw te realiseren Laadlocaties als voor de bestaande over te nemen Laadlocaties. De Concessiehouder die bij definitieve gunning als eerste [is] in de rangschikking is geëindigd op basis van de Beste Prijs Kwaliteit Verhouding, ontvangt 60% van zowel de nieuwe als de bestaande Laadlocaties; de nummer twee in de rangschikking ontvangt 40% van beide onderdelen. Het bepalen van Laadlocaties gebeurt conform het proces geschetst in §2.16.1 “Datagestuurd plaatsen”.
(…)
Subgunningscriterium P-2 luidt:
‘P-2 Energievergoeding o.b.v. bandbreedte
De Inschrijver geeft een vaste prijs per kilowattuur (kWh) op voor de netto inkoop van elektriciteit ten behoeve van de Laadpalen gedurende de Concessie. Deze prijs is exclusief btw, Energiebelasting en overige wettelijke heffingen. Het betreft enkel de inkoopprijs van elektriciteit zoals deze door de Inschrijver wordt ingekocht op de energiemarkt, inclusief eventuele opslag- of leveringskosten die onderdeel zijn van het commerciële inkoopcontract.
Gezien de verwachte marktvolatiliteit wordt de opgegeven prijs ieder kwartaal geïndexeerd. De beoordeling vindt plaats binnen de bepaalde bandbreedte en volgens een beoordelingsmethodiek met een omslagpunt. Inschrijvingen aan de ondergrens van de bandbreedte ontvangen het maximale aantal punten (15). Indien een Inschrijver een Energievergoeding aanbiedt boven de € 0,12000/ kWh dan is de Inschrijving ongeldig en komt deze niet in aanmerking voor gunning.
In Figuur 3 is het scoreverloop op basis van de energie-inkoopprijs per kWh visueel weergegeven, conform de vastgestelde bandbreedte en beoordelingsformule.
(…)
Op 16 oktober 2025 heeft Park&Charge schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de opzet van de aanbestedingsprocedure. Specifiek heeft zij bezwaar tegen de zeer grote omvang van de concessieopdracht en de keuze om deze niet aan te besteden in verschillende, separate procedures of tenminste op te delen in percelen en het niet motiveren van die keuzes. Verder heeft zij bezwaar tegen subgunningscriterium P-2 en tegen de ondoorzichtige wijze van verdelen van laadlocaties over de uiteindelijke concessiehouders. Park&Charge heeft de Aanbestedende diensten verzocht de aanbesteding in te trekken en, rekening houdend met de klachten van Park&Charge, de opdracht opnieuw aan te besteden.
Op 12 november 2025 hebben de Aanbestedende diensten via een aanvullende Nota van Inlichtingen twee documenten gepubliceerd waarin een toelichting wordt gegeven op de inrichting van de aanbestedingsprocedure en subgunningscriterium P-2.
Op 12 december 2025 heeft Park&Charge opnieuw bezwaar gemaakt tegen de opzet van de aanbestedingsprocedure in de huidige vorm en aangekondigd rechtsmaatregelen te zullen treffen indien de Aanbestedende dienst niet overgaat tot intrekking en heraanbesteding.
3. Het geschil
Park&Charge vordert, samengevat weergegeven, de Aanbestedende diensten te veroordelen de lopende aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden en haar, voor zover zij nog wenst te gunnen, te gebieden om primair, meerdere aanbestedingen te organiseren voor het verzorgen van openbare laaddiensten binnen het Concessiegebied, subsidiair één nieuwe heraanbesteding te organiseren met inachtneming van de verplichting om de opdracht te splitsen en meer subsidiair om een heraanbesteding te organiseren met inachtneming van het transparantie- en proportionaliteitsbeginsel, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000.- voor iedere dag dat de Aanbestedende diensten in gebreke blijven aan de veroordeling(en) te voldoen.
Park&Charge legt aan de vorderingen ten grondslag dat de Aanbestedende diensten in strijd hebben behandeld met het clusterverbod ex artikel 1.5 lid 1 Aanbestedingswet (hierna Aw) en het splitsingsgebod ex artikel 1.5 lid 3 Aw door separaat aan te besteden opdrachten onnodig samen te voegen of, als uitgegaan wordt van één opdracht, deze niet in percelen te splitsen. Daarnaast is de gekozen manier van verdeling achteraf over de Concessiehouders in strijd met het transparantiebeginsel en kent de aanbesteding een aantal eisen en criteria die disproportioneel nadelig zijn voor Park&Charge en andere potentiële mkb-inschrijvers.
De Aanbestedende diensten voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Park&Charge, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Park&Charge, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Park&Charge in de kosten van deze procedure.
FIMIH en RD concluderen eveneens tot afwijzing van de vorderingen van Park&Charge en vragen daarnaast dat een nieuwe inschrijvingsdatum wordt bepaald in mei 2026. FIMIH en RD voeren kort gezegd aan dat van strijd met de genoemde bepalingen in de Aanbestedingswet geen sprake is en van disproportionele benadeling van mkb-ondernemingen evenmin. Zij zijn zelf (samenwerkende) mkb-ondernemingen en ervaren geen beperkingen om zich op de aanbesteding in te schrijven. Risico’s en investeringen kunnen worden gemitigeerd door samenwerking en deze inspanningen zijn vooral lonend bij een substantieel volume. Het opdelen van de opdracht in kleinere percelen zou samenwerkende partijen als FIMIH en RD juist hinderen.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Beoordeeld moet worden of er, in dit stadium waar weliswaar de aanbesteding is gepubliceerd maar in afwachting van deze procedure nog niet is of kon worden ingeschreven, aanleiding bestaat om in te grijpen in de onderhavige aanbestedingsprocedure. Vooropgesteld wordt dat een aanbestedende dienst een aanzienlijke mate van vrijheid toekomt om de uitvraag in een aanbesteding en de modaliteiten van die aanbesteding te bepalen, met dien verstande dat die vrijheid wordt begrensd door de Aanbestedingswet, de Gids Proportionaliteit en de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht.
Uit artikel 1.10, eerste lid, Aw volgt dat een aanbestedende dienst bij de voorbereiding van en het tot stand brengen van een overheidsopdracht uitsluitend eisen, voorwaarden en criteria aan de inschrijvers en de inschrijvingen stelt die in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht; dit is een uitwerking van het proportionaliteitsbeginsel. Het is aan de aanbestedende dienst om ervoor te zorgen dat aan het proportionaliteitsbeginsel is voldaan en dat in voorkomend geval ook aan te tonen. De achtergrond van het proportionaliteitsbeginsel is mede daarin gelegen dat voorkomen wordt dat bepaalde ondernemers niet in aanmerking komen voor de opdracht vanwege nodeloos hoge eisen en/of te strenge voorwaarden. Het ziet in dat opzicht op het voorkomen van favoritisme en de bevordering van de concurrentie, belangrijke uitgangspunten van het aanbestedingsrecht.
Onnodige samenvoeging opdrachten?
Op grond van artikel 1.5 lid 1 Aw mag een aanbestedende dienst opdrachten niet onnodig samenvoegen. Het doel van deze bepaling is om de kansen van het midden- en kleinbedrijf bij een aanbesteding te vergroten. De voorzieningenrechter verwerpt het verweer van de Aanbestedende diensten dat Park&Charge geen mkb-bedrijf (meer) is en om die reden geen beroep zou kunnen doen op artikel 1.5. Aw. Park&Charge heeft onder verwijzing naar het aantal personeelsleden en de (omzet)cijfers (van zowel haar eigen vennootschap als van Qwello GmbH, de onderneming die Park&Charge heeft overgenomen), voldoende gemotiveerd dat zij nog steeds kwalificeert als mkb-onderneming, uitgaande van de Europese regels op dat punt.
De Aanbestedende diensten hebben verder aangevoerd dat geen sprake is van samenvoeging van opdrachten, omdat de opdracht, te weten het vervangen, plaatsen, exploiteren en onderhouden van laadpalen, één technische en economische functie vervult, namelijk het (tegen betaling) aanbieden van laadvoorzieningen voor elektrische voertuigen in het concessiegebied. Verder is aangesloten bij de NAL-regio Zuidwest Nederland plus Rotterdam.
De voorzieningenrechter acht deze argumentatie niet voldoende overtuigend, gelet op de zelfstandige rol van de gemeenten op sommige punten. Naar voorlopig oordeel gaat het hier om het samenvoegen van gelijksoortige opdrachten door meerdere aanbestedende diensten (in dit geval 43 gemeenten).
Dat het hier gaat om een groot aantal aanbestedende diensten, die ook hadden kunnen kiezen voor een aanbesteding voor bijvoorbeeld alleen het grondgebied van de eigen gemeente, betekent nog niet dat die aanbestedende diensten daartoe verplicht zijn. Samenvoegen is in beginsel toegestaan, mits dat niet onnodig is en de aanbestedende diensten ‘acht slaan’ op de in artikel 1.5 lid 1 Aw genoemde criteria. Daarnaast moet de keuze om samen te voegen worden gemotiveerd (artikel 1.5 lid 2 Aw).
Anders dan Park&Charge heeft betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Aanbestedende diensten dit (zowel het acht slaan op als het motiveren) voldoende gedaan hebben, en dat daarmee geen sprake is van het onnodig samenvoegen van opdrachten. Hiertoe wordt het navolgende overwogen.
Criteria artikel 1.5 lid 1 Aw en de motivering ervan
De Aanbestedende diensten moeten acht slaan op
de samenstelling van de relevante markt en de invloed van de samenvoeging op de toegang tot de opdracht voor voldoende bedrijven uit het midden- en kleinbedrijf;
de organisatorische gevolgen en risico's van de samenvoeging van de opdrachten voor de aanbestedende diensten en de ondernemers;
de mate van samenhang van de opdrachten.
Anders dan Park&Charge lijkt te betogen, houdt het voldoen aan deze criteria niet in dat iedere mkb-onderneming in staat zou moeten worden gesteld om zelfstandig de opdracht aan te kunnen nemen. Evenmin is er de verplichting voor de aanbestedende diensten om een voor hun eigen belang nadelige keuze te maken ten behoeve van de toegang tot de opdracht voor mkb-bedrijven. Een aanbestedende dienst heeft in beginsel het recht om haar opdracht zo in te richten, dat hiermee maximaal aan haar behoeften wordt tegemoetgekomen, mits zij de in art. 1.5 lid 1 Aw genoemde criteria meeweegt.
Uit de aanbestedingsstukken en dan met name de ‘Toelichting inrichting aanbesteding’ (die bij Nota van Inlichtingen en daarmee tijdig is gegeven) blijkt voldoende dat de Aanbestedende diensten hieraan in dit geval aandacht hebben besteed. In alle deelnemende gemeenten gaat het om plaatsing, exploitatie en onderhoud van laadpalen voor elektrische voertuigen, waarmee de samenhang van de opdrachten verder niet ter discussie staat. De Aanbestedende diensten hebben vrij uitvoerig toegelicht wat de reden is geweest om te kiezen voor een aanbesteding die alle gemeenten (voor zover zij wilden deelnemen) in de provincies Zuid-Holland en Zeeland omvat. Er is aangesloten bij de NAL-regioindeling, voor eindgebruikers (E-rijders) ontstaat binnen die regio een herkenbare en uniforme laadinfrastructuur, het schaalvoordeel leidt naar verwachting tot relatief lagere exploitatiekosten en daarmee lagere laadtarieven en de omvang van de opdracht maakt dat een betere verdeling mogelijk is tussen locaties met een hogere en lagere verdienmogelijkheid. Vanuit de deelnemende overheden bezien biedt deze opzet voorts aanzienlijke praktische en administratieve voordelen, nu de begeleiding en het contractmanagement grotendeels door de grootste gemeente (Rotterdam) kan worden gedaan. Ter zitting is toegelicht dat inmiddels is voorzien in een mandaatregeling die dat mogelijk maakt. De keuze voor de opdracht van deze omvang is, gelet op deze toelichting, niet onbegrijpelijk of onnodig. De grote omvang (ca. 23.000 laadpalen, waarvan er ca. 3.000 reeds (be)staan) maakt, vanuit de Aanbestedende diensten bezien, de voordelen juist duidelijker. Ook de belangen van de inschrijvende mkb-ondernemers dienen echter in aanmerking te worden genomen.
Duidelijk en door de Aanbestedende diensten ook onderkend is dat de grote omvang kan leiden tot drempels voor mkb-ondernemingen, zoals grotere investeringen en risico’s. Aan de toegang voor mkb-ondernemingen tot deze aanbesteding is tegemoetgekomen door de mogelijkheid om ten behoeve van de inschrijving een samenwerking met andere ondernemingen aan te gaan, met name door zich als combinatie in te schrijven of als onderaannemer. Ook zijn de referentie-eisen voor de opdracht hierop aangepast, door deze relatief laag te stellen. Voorts is de duur van de concessie 3 tot 4,5 jaar en bestaat geen verplichting om de investeringen in bijvoorbeeld nieuwe palen meteen te doen, zodat spreiding over meerdere jaren mogelijk is. Daarnaast is de opdracht verdeeld in twee stukken van 60% respectievelijk 40% van de opdracht, als gevolg waarvan meer ruimte ontstaat voor de toegang voor verschillende en ook kleinere bedrijven. De keuze voor deze opzet is deels gebaseerd op het rapport van de ACM (productie 7 bij dagvaarding) en op marktconsultaties die de Aanbestedende diensten voorafgaand aan de inschrijving hebben gehouden en waaraan ook Park&Charge heeft deelgenomen.
Park&Charge heeft aangevoerd dat haar ten tijde van die deelneming nog niet bekend was wat de omvang van de opdracht zou worden, maar al in de verslaglegging van de eerste marktconsultatie (productie 3, cva) is vermeld dat de aanbesteding wordt opengesteld voor alle gemeenten in de provincies Zuid-Holland en Zeeland. Park & Charge, noch een van de andere aan de marktconsultatie deelnemende bedrijven, heeft in die fase aangegeven dat het concessiegebied of de omvang van de opdracht een belemmering zou vormen voor deelname aan de aanbesteding. Dat de Aanbestedende diensten daarna een vervolggesprek hebben gehad met grotere ondernemingen waaraan Park&Charge niet heeft deelgenomen stond hun vrij, evenals het gebruikmaken van de daarin verkregen informatie. Zij waren niet verplicht om alle belangstellenden bij elke fase te betrekken.
De Aanbestedende diensten hebben aldus op adequate wijze invulling gegeven aan de verkenning van de markt die bij een opdracht als deze van hen gevergd kon worden en de daaruit verkregen inzichten voldoende verwerkt.
De conclusie uit het voorgaande is dat de Aanbestedende diensten niet in strijd hebben gehandeld met het clusterverbod. De vordering om op deze grond staking van de huidige aanbestedingsprocedure te gelasten en de Aanbestedende diensten te gelasten meerdere nieuwe aanbestedingsprocedure te organiseren, wordt afgewezen.
Splitsingsgebod?
Park&Charge heeft aangevoerd dat, voor zover geoordeeld wordt dat de Aanbestedende diensten niet onnodig hebben samengevoegd, zij de opdracht hadden moeten opdelen in meerdere percelen. De Aanbestedingswet houdt dat immers als beginsel in. Hoewel Park&Charge terecht aanvoert dat dat niet samenvalt met het clusterverbod heeft ook het uitgangspunt van splitsing als achtergrond dat het aanbieden van de opdracht in gedeelten, kleinere ondernemingen een grotere kans moet geven mee te dingen naar (een deel van) de opdracht. Hiervoor geldt echter evenzeer dat een aanbestedende dienst in beginsel het recht heeft om haar opdracht zo in te richten dat hiermee maximaal aan haar behoeften wordt tegemoetgekomen. De wet bepaalt in dat geval dat zij af kan zien van splitsing als zij dat passend acht, waarbij die keuze wel gemotiveerd moet worden. Zij moet rekening houden met de belangen van de inschrijvers, ook de mkb-ondernemingen onder hen, maar zij hoeft die belangen niet de doorslag te laten geven.
Wat hiervoor onder 4.4.2 en 4.4.3 is overwogen, kort samengevat dat er voldoende redenen waren om deze grote opdracht zo in de markt te zetten, is ook in dit verband van belang. Daarbij komt dat, hoewel in de aanbestedingsstukken staat dat de opdracht niet in percelen is opgedeeld en er ook niet voor een specifiek perceel kan worden ingeschreven, de Aanbestedende diensten de opdracht feitelijk toch in twee percelen hebben opgesplitst. Zij zullen immers de opdracht uiteindelijk in de verhouding 60-40 aan twee concessiehouders gunnen. Dat heeft zij tijdig en deugdelijk via een NvI gemotiveerd.
De twee voor de hand liggende verdergaande wijzen van splitsen in percelen worden door de Aanbestedende diensten niet passend geacht. Het opdelen van de opdracht in geografische gebieden zou afbreuk doen aan de legitieme behoefte van de Aanbestedende diensten om tot zoveel mogelijk eenheid te komen in de laadinfrastructuur binnen de NAL-regio Zuidwest Nederland en aan de praktische en administratieve voordelen. Voorts zouden naar verwachting bepaalde gebieden veel aantrekkelijker zijn voor inschrijvers dan andere. Het opdelen in percelen van bijvoorbeeld elk ca. 4.000 laadpalen zou de eenheid ernstig bedreigen. Door de Aanbestedende diensten is toegelicht, en door Park&Charge niet serieus betwist, dat het overlaten aan de markt er in de praktijk toe heeft geleid dat er aanzienlijke versnippering is opgetreden, waarbij zowel de prijzen als de systemen voor de E-rijder onduidelijk, onvoorspelbaar en verschillend zijn.
Daarbij komt, gelet op de visie van FIMIH en RD, dat het bepaald niet vast staat dat een dergelijke opdeling door alle potentiële mkb-inschrijvers als gunstiger zal worden gezien. Zij wijzen er immers op dat de grotere omvang juist voordelen heeft. Meer in het algemeen valt te verwachten dat organisatorische en onderhandelingsvoordelen te behalen zijn, zoals een gedeelde back office of een afname-garantie. Tegen die achtergrond is alleszins voorstelbaar dat tegenover Park&Charge en OpCharge (de onderneming van wie zij een adhesiebetuiging heeft overgelegd) met hun voorkeuren ook andere potentiële mkb-inschrijvers staan, die net als FIMIH en RD juist voordelen zien in grote concessies. De gekozen indeling in twee ‘percelen’ is, tegen deze achtergrond en gegeven de gerechtvaardigde belangen van de Aanbestedende diensten en hun vrijheid bij het inrichten van de aanbesteding, niet disproportioneel.
De conclusie uit het voorgaande is dat de Aanbestedende diensten niet in strijd hebben gehandeld met het splitsingsgebod ex artikel 1.5. lid 3 Aw. De vordering om op deze grond staking van de huidige aanbestedingsprocedure te gelasten en de Aanbestedende diensten te gelasten meerdere nieuwe aanbestedingsprocedure te organiseren, wordt afgewezen.
Schending van het transparantiebeginsel?
Park&Charge heeft gesteld dat de manier waarop de laadlocaties na gunning worden verdeeld over de twee concessiehouders, in de verhouding 60/40, in strijd is met het transparantiebeginsel. De toewijzing van laadlocaties vindt, volgens de aanbestedingsdocumentatie, volledig automatisch ‘at random’ plaats op basis van een mechanisme dat niet vooraf bekend wordt gemaakt. Op deze manier is onduidelijk welk deel van de opdracht een concessiehouder krijgt toegewezen en daardoor kan vooraf geen goede inschatting worden gemaakt van de kosten en risico’s, aldus Park&Charge.
Het transparantiebeginsel strekt, in samenhang met het beginsel van gelijke behandeling, ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in de aanbestedingsdocumenten worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsheeft.
Inmiddels is via een NvI duidelijk gemaakt hoe de ca. 3.100 bestaande palen over de beide concessiehouders zullen worden verdeeld. Van gebrek aan transparantie op dat punt is dus geen sprake.
De wijze waarop na inschrijving de (nieuwe) laadlocaties worden verdeeld, is verwoord in alinea 2.8 van het Beschrijvend Document en nader toegelicht in alinea 2.16 ev. ‘Aanwijzen van Laadlocaties’. Anders dan Park&Charge heeft betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze wijze van verdelen voldoende transparant is en voldoende duidelijk is omschreven. Er worden verschillende (genoemde) bronnen gebruikt om te bepalen op welke locaties laadpunten worden geplaatst. Omdat daarbij rekening wordt met huidige laaddruk-gegevens en kWh-afname ontstaat naar verwachting een verhouding van 60/ 40. Deze verhouding ziet zowel op de aantallen palen op zichzelf als op de verhouding tussen rendabele en minder rendabele palen. Het systeem kent bovendien correctiemechanismen, doordat de Aanbestedende diensten de verdeling periodiek controleren (antwoord op vraag 428 NvI) en kunnen bijstellen en ook de uiteindelijke concessiehouders kunnen aangeven dat er structurele afwijkingen zijn (antwoord op vraag 859 NvI).
Dat Park&Charge nu nog niet precies weten waar de laadlocaties moeten komen, is een onzekerheid die voor alle inschrijvers geldt en die inherent is aan de aard van deze concessie. Dat is geen transparantiegebrek.
Aan Park&Charge kan worden toegegeven dat de gekozen methode van toedeling op voorhand niet zonder meer doorzichtig is, omdat weliswaar de mee te wegen elementen bekend zijn maar niet de exacte formule/het algoritme waarmee uiteindelijk wordt bepaald wie van de concessiehouders welke waar te plaatsen palen krijgt toegewezen. Dat gebrek aan inzicht neemt echter niet weg dat, zodra de toedeling is geschied, het eindresultaat een 60/40 verdeling moet zijn, zowel in aantallen als in winstgevendheid. Of dat inderdaad zo is is voor de concessiehouder in kwestie gelet op de beschikbare (deels openbare) informatie behoorlijk te controleren. De Aanbestedende diensten hebben ook laten zien dat bij simulaties het toedelingsalgoritme inderdaad die 60/40 verdeling oplevert, terwijl voorts, als dat onverhoopt anders mocht zijn, de hiervoor genoemde correctiemechanismes beschikbaar zijn. Voor het verantwoord kunnen nemen van de beslissing om in te schrijven en het bepalen van de kansen en risico’s moet dat voldoende zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het transparantiebeginsel in dit opzicht niet aan deze aanbestedingsprocedure in de weg.
Disproportionele eisen/ gunningscriteria?
Park&Charge heeft tot slot diverse bezwaren geuit ten aanzien van een aantal in de aanbesteding opgenomen eisen. Zij meent dat de gekozen bandbreedte en het omslagpunt bij de energievergoeding (subgunningscriterium p-2) disproportioneel is voor partijen die niet zelf energie opwekken, dat de wachtkamerregeling buitensporig lang duurt en te risicovol is voor met name mkb-bedrijven, dat de ICT-eisen ten aanzien van het ‘vehicle-to-grid- laden’ en ‘netbewust laden’ en tenslotte de eis dat nieuwe laadpalen een scherm moeten hebben, disproportioneel en risicovol zijn.
Subgunningscriterium P-2
Het bezwaar van Park&Charge ten aanzien van subgunningscriterium P-2 komt erop neer dat de gekozen bandbreedte en het gekozen omslagpunt van € 0,09 niet marktconform zijn en (extra) nadelig zijn voor inschrijvers die niet zelf stroom opwekken. Ook is dit geen onderdeel geweest van de marktconsultatie, waarmee een gedegen basis ontbreekt, aldus Park&Charge. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze stellingen niet leiden tot het oordeel dat dit criterium in strijd in met de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid, transparantie en/of proportionaliteit.
De Aanbestedende diensten hebben de achtergrond en werking van dit criterium uitgebreid toegelicht in ‘bijlage NVI-2 Toelichtingscriterium P-2’. Daaruit volgt dat onder andere is gekeken naar tarieven in soortgelijke concessies, huidige en historische energieprijzen en toekomstige fluctuaties in de marktprijs van energie. Voorshands is daarmee aannemelijk dat het tarief voldoende marktconform is. Verder is voldoende duidelijk hoe de Aanbestedende diensten tot de gekozen normering zijn gekomen en hoe deze werkt. Er wordt weliswaar gewerkt met een omslagpunt, maar inschrijvers die daarboven inschrijven worden niet uitgesloten. Ook het gewicht (15 op de 100 punten) is voorshands niet excessief. Voorts is ter zitting nader toegelicht dat het systeem voorziet in aanpassing in de tijd. Park&Charge en FIMIH en RD hebben bevestigd dat dat een op zichzelf in de markt gebruikelijk systeem is. Daarmee is voldoende transparantie bereikt.
Dit criterium en de uitwerking daarvan is daarnaast voor alle inschrijvers gelijk. Als juist is dat dit gunstiger kan uitpakken voor ondernemingen die zelf energie opwekken omdat zij niet hoeven inkopen op een volatiele markt is dat een omstandigheid waarmee de Aanbestedende diensten geen rekening hoeven te houden en die criterium P-2 ook niet disproportioneel maakt. Een gebruikelijk aspect van een markt met normale, gezonde mededinging is immers dat niet alle marktdeelnemers te maken hebben met dezelfde (inkoop)kosten. Dat aspect behoeft de Aanbestedende dienst niet te compenseren. Dat zij de prijs mede ten behoeve van de E-rijders laag wenst te houden is in het maatschappelijk belang. De rol van de MSP-ers valt daarbij buiten de verantwoordelijkheid van de Aanbestedende diensten en niet aannemelijk is voorts dat deze rol elk belang ontneemt aan sturing op een lagere prijs bij deze aanbesteding.
De Aanbestedende diensten mogen uiteraard niet aan favoritisme doen door de criteria zo te formuleren dat een of twee bepaalde inschrijvers daardoor bevoordeeld wordt/worden. Daarvan is naar voorshands oordeel geen sprake. Concrete aanwijzingen dat dit criterium door inschrijvers wordt ervaren als zodanig risicovol dat zij massaal zullen afzien van inschrijving ontbreken op dit moment.
Wachtkamerregeling
Park&Charge heeft niet weersproken dat de Aanbestedende diensten de wachtkamerregeling, die geldt voor de inschrijvers die op de derde en vierde plek eindigen, inmiddels optioneel hebben gemaakt. Met de Aanbestedende diensten gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het bezwaar daarmee is vervallen zodat dit onderdeel geen verdere bespreking behoeft.
ICT-eisen en scherm
Park&Charge heeft bezwaren tegen een aantal van de technische eisen en functionaliteiten die de Aanbestedende diensten stellen aan de te plaatsen laadpalen. Niet valt in te zien waarom deze eisen de aanbestedingsrechtelijke beginselen schenden. De eisen gelden voor alle inschrijvers (gelijkheid), zijn omschreven in de aanbestedingsstukken (transparantie) en bieden niet in het bijzonder een voordeel voor één of slechts enkele inschrijvers. Zij passen bij de aard van de aanbesteding, het bevorderen van elektrisch rijden en het belang van toekomstbestendigheid van de te realiseren laadpalen. Het is niet aan de rechter om nu op dit punt in te grijpen in de vrijheid van de Aanbestedende diensten.
Afwijzing vorderingen en proceskosten
Gelet op het voorgaande wordt ook de meer subsidiaire vordering van Park&Charge afgewezen. Park&Charge is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Aanbestedende diensten worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.766,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.690,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Vorderingen tussenkomende partijen
De vorderingen van Park&Charge worden afgewezen en de aanbestedingsprocedure zal worden voortgezet, Dat hebben de Aanbestedende diensten ter zitting verklaard voor het zich nu voordoende geval van afwijzing van de vorderingen. Ter zitting is bovendien bevestigd dat de Aanbestedende diensten, als de vorderingen van Park&Charge worden afgewezen, de inschrijfdatum in mei 2026 die zij reeds aan de markt hebben medegedeeld (12 mei 2026), zullen handhaven. Nu dat ook het doel was van de vorderingen in de tussenkomst, hebben FIMIH en RD geen belang (meer) bij toewijzing van hun vorderingen. Omdat zij materieel ten opzichte van Park&Charge gelijk krijgen, wordt Park&Charge veroordeeld in de kosten van FIMIH en RD, begroot op:
Omdat er geen verweer is gevoerd tegen de gevorderde tussenkomst, is er geen aanleiding voor een (aparte) kostenveroordeling in het incident. In het incident draagt iedere partij de eigen kosten.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in het incident
compenseert de proceskosten in het incident tot tussenkomst aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
wijst de vorderingen van Park&Charge af,
veroordeelt Park&Charge in de proceskosten aan de zijde van de Aanbestedende diensten ad € 2.690,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Park&Charge niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Park&Charge tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
wijst de vorderingen van FIMIH en RD af,
veroordeelt Park&Charge in de proceskosten aan de zijde van FIMIH en RD ad € 2.690,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Park&Charge niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordelingen onder 5.3, 5.4 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.3144/106