Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummers: 10/011586-24, 10/319686-24 en 10/327696-24 (gevoegd ttz)
Parketnummers vordering TUL VV: 10/060690-23 en 10/660272-20
Datum uitspraak: 17 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. M.R. de Kok, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 april 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. Kort gezegd gaat het om de beschuldiging van de volgende feiten:
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. C. de Bruijn heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
De rechtbank bespreekt hierna het bewijs ten aanzien van de verschillende feiten.
Feit 1, 2, 3 en 4
Deze feiten zijn door de verdachte bekend en worden zonder nadere bespreking bewezen verklaard. De rechtbank verwijst naar bijlage II bij dit vonnis voor de bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring is gebaseerd.
Feit 5 en 6
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 5 en 6 primair ten laste gelegde feiten. De verdachte voldoet aan het signalement van de bestuurder van de scooter, zijn telefoon straalt een zendmast aan in de omgeving van de plaats delict en hij heeft rond het tijdstip van het plegen van het feit contact gehad met de medeverdachte [medeverdachte] . Uit deze feiten en omstandigheden blijkt de betrokkenheid van de verdachte, aldus de officier van justitie.
Beoordeling
Vast staat dat er op 7 augustus 2024 door twee personen, die samen aan kwamen rijden op een scooter, is geprobeerd om met een slijptol de garagebox met nummer [huisnummer X] aan de [naam locatie] in Rotterdam open te breken. Hierbij werden zij aangesproken door twee omstanders, die vervolgens door de bijrijder zijn bedreigd met een vuurwapen. De twee personen reden uiteindelijk samen op de scooter weg.
Enkele uren later, omstreeks 14:00 uur, werd melding gedaan door de bewoonster van de woning aan de [adres 2] . Zij is tevens huurster van de hiervoor genoemde garagebox. De meldster is in haar woning door een persoon met een vuurwapen gedwongen tot de afgifte van (onder meer) de sleutels van haar garagebox. Op de camerabeelden is te zien dat er een scooter aan komt rijden in de straat, dat de bestuurder van de scooter iets van de grond raapt vanaf de stoep voor de garageboxen, daarmee op de garagedeur afloopt en samen met de medeverdachte [medeverdachte] de garagebox betreedt. Zij vertrekken daarna samen op de scooter.
De medeverdachte [medeverdachte] heeft bekend dat hij op 7 augustus 2024 in de ochtend samen met een ander heeft geprobeerd om de garagebox open te breken, dat hij de persoon is die het vuurwapen heeft getrokken en, enkele uren later, de huurster van de garagebox met een vuurwapen heeft gedwongen tot de afgifte van (onder meer) de sleutels van de garagebox.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de ten laste gelegde feiten.
Uit het onderzoek naar de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat er rondom de tijdstippen van beide incidenten Snapchat-contact is geweest tussen de medeverdachte en een persoon met de naam “ [accountnaam] ”. De rechtbank stelt vast dat het Snapchat-account toebehoort aan de verdachte. Ook heeft de telefoon van de verdachte rondom het tweede incident op 7 augustus 2024 een zendmast aangestraald op circa 314 meter afstand vanaf de [naam locatie] in Rotterdam. Deze feiten en omstandigheden zouden kunnen wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde. Daar staat echter tegenover dat er op de telefoon van de verdachte of die van medeverdachte [medeverdachte] geen berichten zijn aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met het ten laste gelegde. Door de aangever is een signalement gegeven van de bestuurder van de scooter die heeft geprobeerd om met een slijptol de garagebox open te breken. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit signalement onvoldoende specifiek is om buiten redelijke twijfel tot de vaststelling te komen dat de verdachte de bestuurder van de scooter was. De bestuurder van de scooter is op camerabeelden ook door verbalisanten niet ondubbelzinnig herkend als de verdachte. Dat er op de telefoon van de verdachte afbeeldingen van hem zijn aangetroffen waarop hij kledingstukken draagt die overeenkomsten vertonen met de kleding die de bestuurder van de scooter droeg, maakt dat niet anders. Deze kleding (een blauw shirt en een zwarte broek) is onvoldoende specifiek om vast te stellen dat de verdachte de bestuurder van de scooter is. Datzelfde geldt voor de in de kelderbox van de woning van de verdachte aangetroffen scooterhelm. Hoewel er in het dossier dus aanwijzingen zijn voor de betrokkenheid van de verdachte, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten.
Feit 7 en 8
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 7 ten laste gelegde feit en vrijspraak van het onder 8 ten laste gelegde feit.
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat er op 26 juli 2024 brand is gesticht bij het pand van [naam zorginstelling] , gelegen aan de [adres 3] te Rotterdam. Op de camerabeelden is te zien dat een persoon ontbrandbare vloeistof uit een fles giet bij de gevel van het pand en dit vervolgens aansteekt met een aansteker. Hierdoor ontstond een brand, die door een in het pand aanwezig persoon kon worden geblust.
In de nabije omgeving van het pand is een handschoen op straat aangetroffen. Uit DNA-onderzoek volgt dat aan de binnenzijde van deze handschoen DNA van de verdachte zit. De persoon op de beelden die de brand heeft gesticht, wordt echter niet herkend als zijnde de verdachte door opsporingsambtenaren of aangever [person A] . Dit terwijl aangever [person A] werkzaam is bij [naam zorginstelling] en de verdachte kent als voormalig cliënt van die instelling. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder 7 ten laste gelegde daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen. De verdachte wordt van dit feit vrijgesproken.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ook het onder 8 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 4 heeft begaan op die wijze dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2024 tot en met 9 januari 2024
te Bleiswijk en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
ter uitvoering van het door hem, verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een (of meerdere), vuurwapen(s) in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, over te dragen, hebbende en/of zijnde hij, verdachte en/of zijn mededader(s),
- op/via de chatapplicatie Telegram een advertentie geplaatst en/of contact gehad en/of afspraken gemaakt over de aankoop en/of de verkoop en/of de vraagprijs en/of de beschikbaarheid van bovengenoemde vuurwapens en/of onderdelen van deze dit wapens en/of
- één of meerdere afbeelding(en) en/of video’s van deze dit en/of ander(e) vuurwapen(s) en/of onderdelen van deze dit vuurwapens via voornoemde chat applicatie verzonden en/of ontvangen en/of
- (vervolgens) via voornoemde chat applicatie afspraken gemaakt over onder meer de locatie van de overdracht van deze dit en/of ander(e) vuurwapen(s) en/of het aankoop (geld)bedrag te weten 1050 euro en/of
- (vervolgens) (met één of meerdere vuurwapen(s)) naar de afgesproken locatie, te weten het parkeerterrein van de KFC aan de [adres 4] te Bleiswijk, gekomen en/of
- (vervolgens) aldaar aan de potentiële koper(s) van het vuurwapen aangegeven dat hij alvorens het vuurwapen te laten zien eerst het geld wilde checken en/of gesproken en/of gevraagd naar (een) geld(bedrag) en/of (vervolgens) gezegd dat hij het vuurwapen zouden gaan halen en/of gezegd dat hij het geld wilde zien en/of gezegd dat hij het (vuur)wapen bij zich had,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 9 januari 2024 te Bleiswijk, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
(een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Retay, type 17, kaliber 9 mm kort (.380)
en/of
(voor voornoemd wapen bestemd) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 9 kogelpatronen van het kaliber 380 auto (9 mm kort)
voorhanden heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een koffer met 2130, althans een hoeveelheid simkaarten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n) door
- een vuurwapen uit zijn, verdachtes, kleding te pakken, en/of
- een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten en/of (daarbij) zijn, verdachtes, wijsvinger om de trekker te houden, en/of
- een mes/vuurwapen, althans een voorwerp, uit zijn, verdachtes, jaszak te trekken en/of dit op die [slachtoffer 1] gericht te houden, en/of
- meermalen tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij moest opkankeren;
4
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een omgebouwd gaspistool (9mm PAK) naar een kogelverschietend pistool van het merk Blow, type TR34, kaliber 9mm PAK,
en/of
(bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, te weten een of meerdere, kogelpatronen van het kaliber 9mm PAK,
voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1
medeplegen van een poging tot handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
2
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet
wapens en munitie
3
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
4
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet
wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van
categorie III
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet
wapens en munitie
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf en maatregel
Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot het handelen in en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Hij was op dat moment 16 jaar oud. Het ongecontroleerde handelen in en het in bezit hebben van vuurwapens en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft een enorme maatschappelijke impact. Het voorhanden hebben van vuurwapens leidt immers maar al te vaak ook tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien. Gelet op de toename van het vuurwapenbezit en het gevaarzettend karakter daarvan, dient er streng tegen te worden opgetreden. De verdachte heeft door zijn handelen onvoldoende stil gestaan bij de risico’s van het vuurwapenbezit met alle ernstige gevolgen van dien. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan een afpersing in vereniging, waarbij een vuurwapen is gebruikt. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte een plan gemaakt om de aangever te beroven van een groot aantal simkaarten. Ter uitvoering van dit plan hebben zij een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. De verdachte en zijn medeverdachte hebben door dreiging met het vuurwapen de aangever gedwongen tot afgifte van een koffer met simkaarten. De verdachte en zijn medeverdachte hebben hiermee een zeer bedreigende situatie gecreëerd voor het slachtoffer. Daarnaast kunnen dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid bij de maatschappij in het algemeen veroorzaken. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij alleen oog heeft gehad voor zijn eigen financiële voordeel en niet voor de ernstige gevolgen voor het slachtoffer.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Zo liep de verdachte nog in een proeftijd van een veroordeling voor een feit met betrekking tot een vuurwapen.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
Psycholoog [persoon B] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 10 november 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een normoverschrijdend-gedragsstoornis, waarbij sprake is van een achterstand en scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling die bedreigd wordt met narcistische en antisociale trekken. De gedragsstoornis en de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig en het beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in licht verminderde mate toe te rekenen.
De normoverschrijdend-gedragsstoornis met een achterstand en scheefgroei in de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling komen onder meer tot uiting in egocentrisch en zelfbepalend gedrag, zich niet houden aan regels en normen, slecht verdragen van frustratie, beperkingen in de gewetensfunctie en een gebrek aan empathie en probleemoplossend vermogen. De verdachte houdt onvoldoende rekening met de gevolgen van zijn gedrag voor anderen en met een externaliserende houding neemt hij onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. De gedragskeuzes van de verdachte werden met name beïnvloed door zijn gebrekkige vermogen om frustratie te verdragen en motivatie op te brengen om zich in te spannen voor taken en doelen waar hij geen zin in heeft. Het maakte dat hij sinds de basisschool niet tot nauwelijks naar school ging en zich onvoldoende hield aan verwachtingen, afspraken en voorwaarden. Hij is op egocentrische wijze gericht op directe behoeftebevrediging en het wegmaken van frustratie.
Ondanks de aanwezige psychische stoornis (gedragsstoornis) samenhangend met de gebrekkige ontwikkeling (achterstand met scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling) had de verdachte volledig besef van de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Door deze beperkingen wordt hij echter van binnenuit beperkt afgeremd in egocentrisch grensoverschrijdend gedrag, zoals de ten laste gelegde feiten, waardoor hij niet optimaal in staat is geweest om zijn gedrag conform dat besef te sturen en andere keuzes te maken.
Het risico op delictgedrag wordt als hoog ingeschat wanneer de verdachte zonder passende behandeling en toezicht in de maatschappij verkeert. Geadviseerd wordt een verplichte behandeling in een gesloten setting waarin tevens sprake is van een pedagogisch behandelklimaat en scholing/opleiding. Doelen van de behandeling zijn het remediëren van de gedragsstoornis en scheefgroei in de persoonlijkheid en verdere stimulatie van de persoonlijkheidsontwikkeling.
Als juridisch kader wordt een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd. De verdachte wordt geacht te kunnen profiteren van behandeling en een pedagogisch dwingend klimaat. Hij zal zich naar alle waarschijnlijkheid niet duurzaam kunnen houden aan voorwaarden en het ontbreekt hem aan motivatie en frustratietolerantie om een ambulante behandeling succesvol vol te houden. Een behandelklimaat met pedagogische aansturing en mogelijkheden tot opleiding, die hij niet kan vermijden zoals hij gewend is te doen, geeft de grootste kans op het verbeteren van zijn functioneren en ontwikkeling. Ook behoedt het hem voor verdere delinquente escalatie.
Psychiater supervisor [persoon C] en psychiater supervisant [persoon D] hebben een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 21 november 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een normoverschrijdend-gedragsstoornis, waarbij er ook een achterstand en scheefgroei is in de persoonlijkheidsontwikkeling. De stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde, is duurzaam en moeilijk te beïnvloeden. Ook is waarschijnlijk dat deze van invloed is geweest op het handelen van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten.
Ten aanzien van feiten 1 tot en met 4 lijkt sprake van een patroon om snel en gemakkelijk, wederrechtelijk geld te verkrijgen. De stoornis van de verdachte speelt hierin een rol en daarom is het advies om de verdachte deze ten laste gelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen. De gedragsdeskundige precisering van de mate van vermindering in het advies over het toerekenen voor de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 4 is moeilijk te geven, omdat hij weinig openheid heeft getoond over zijn precieze belevingen en gedragskeuzes. De verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijk gedrag, het gedrag is planmatig en over langere tijd waardoor de mate van vermindering in het advies over het toerekenen voor deze feiten slechts beperkt zal zijn.
Het risico op delictgedrag wordt als hoog ingeschat wanneer de verdachte zonder passende behandeling en toezicht in de maatschappij verkeert. Het advies is een verplichte behandeling in een gesloten setting waarin tevens sprake is van een pedagogisch behandelklimaat en scholing/opleiding. De doelen van de behandeling zijn het behandelen van de gedragsstoornis en stimuleren van de persoonlijkheidsontwikkeling. Als juridisch kader wordt een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd. De verwachting is dat de verdachte kan profiteren van behandeling, echter bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel zal hij zich naar alle waarschijnlijkheid niet duurzaam kunnen houden aan voorwaarden.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JBRR) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 maart 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Vanaf 28 oktober 2025 heeft de verdachte een baan. Hij heeft begeleiding van een coach vanuit de gemeente, die hem heeft geholpen bij het zoeken naar een baan en het aanmelden bij Centraal Onthaal. Hij staat op een wachtlijst voor een begeleid wonen traject. Ook staat hij ingeschreven voor de opleiding logistiek (MBO 1), die start in september 2026. De verdachte heeft vanaf 8 januari 2026 poliklinische behandeling bij de Waag. Hij verschijnt op de afspraken. De behandelaren zien het nut van voortzetting van de behandeling en indien nodig wordt de behandeling geïntensiveerd.
De verdachte laat een gedragsverandering zien vanaf juni 2025. De vraag is of deze gedragsverandering beklijft of dat er sprake is van sociaal wenselijk gedrag om onder een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel uit te komen. JBRR is van mening dat een stok achter de deur wenselijk is om het recidiverisico te verkleinen. Voor nu lijkt een voorwaardelijke PIJ-maatregel wenselijk, omdat hij al lange tijd in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt en zich aan de voorwaarden houdt. Als bijzondere voorwaarden adviseert JBRR dat de verdachte dient mee te werken aan behandeling van de Waag of een soortgelijke instelling, dient mee te werken aan hulpverlening of begeleiding indien de reclassering dit noodzakelijk acht, zich inzet voor het hebben en behouden van een dagbesteding (werk en/of opleiding) en dient mee te werken aan begeleid wonen. Gezien de leeftijd van de verdachte en het ontbreken van pedagogische meerwaarde, adviseert JBRR het toezicht uit te laten voeren door Reclassering Nederland. Daarnaast adviseert JBRR een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 april 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
De Raad is van mening dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel beter aansluit bij de prille, positieve ontwikkeling die de verdachte in de schorsingsperiode (juni 2025 tot heden) laat zien. Het opnieuw terugplaatsen van de verdachte in een gesloten instelling zou voor hemonnavolgbaar zijn, omdat hij in de buitenwereld positieve vooruitgang laat zien. De verdachte laat zien dat hij behandeltrouw is. De Raad gunt het de verdachte om zijn behandeling bij de Waag in een ambulant kader verder voort te zetten. Wel acht de Raad het van belang dat de behandeling zich richt op de aspecten die de psycholoog en psychiater adviseren, namelijk gericht op de vaststelde gedragsstoornis en het bijsturen van de persoonlijkheidsontwikkeling. Hiervoor is het van belang dat de Waag de NIFP-rapportage ontvangt om de behandeling daarop aan te kunnen passen. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel met bijzondere voorwaarden (behandeling, dagbesteding en vrijetijdsbesteding), als stok achter de deur.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toerekeningsvatbaarheid
De conclusies van de psychiater en psycholoog worden gedragen door hun bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over. Nu bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis die ook aanwezig was ten tijde van de bewezen feiten, acht de rechtbank de verdachte voor deze feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een lichte overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Met de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank in de strafmaat rekening houden.
Straf en maatregel
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank zal een jeugddetentie opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest.
De rechtbank is van oordeel dat, naast het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie, een voorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden is en dat aan de voorwaarden voor oplegging van die maatregel wordt voldaan.
De rechtbank stelt vast dat de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van wat de psycholoog en de psychiater in hun rapporten vermelden, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat het hoge recidiverisico maakt dat behandeling noodzakelijk is. Het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt noodzakelijk geacht als stevige stok achter de deur voor naleving van de bijzondere voorwaarden die de rechtbank de verdachte zal opleggen, waaronder een behandelverplichting. De verdachte heeft lange tijd in voorlopige hechtenis verbleven en loopt inmiddels vanaf juni 2025 in een schorsing van de voorlopige hechtenis waaraan diverse voorwaarden zijn verbonden. De verdachte beschikt vanaf oktober 2025 over een dagbesteding in de vorm van werk en hij is voornemens om in september 2026 met een opleiding te starten, waarvoor hij al is aangemeld. Ook is het positief dat de verdachte in januari 2026 is gestart met een poliklinische behandeling bij de Waag in de vorm van wekelijkse individuele gesprekken. Hij komt de afspraken goed na, geeft openheid over zijn delicten en handelen en er is een start gemaakt met een delict analyse. Gelet op de prille, maar positieve ontwikkeling die de verdachte in de afgelopen maanden heeft laten zien, dient hij een kans te krijgen om de behandeling die noodzakelijk wordt geacht in een ambulante (poliklinische) setting voort te zetten. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het wenselijk is dat zijn behandelaar bij de Waag inzicht krijgt in het NIFP-rapport dat in het kader van deze strafzaak over de verdachte is opgemaakt, zodat de behandeling hier eventueel op kan worden afgestemd. De verdachte heeft ter zitting toegezegd dat hij het rapport vrijwillig beschikbaar zal stellen aan zijn behandelaren.
De voorwaardelijk op te leggen maatregel zal bij eventuele tenuitvoerlegging verlengbaar zijn tot een termijn van maximaal zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, aangezien verdachte veroordeeld zal worden wegens misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen (de feiten 3 en 4).
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (de feiten 3 en 4). Gelet op de ernst van deze feiten, de rapportages van de deskundigen, waaruit naar voren komt dat het risico op delictgedrag als hoog wordt ingeschat wanneer de verdachte zonder passende behandeling en toezicht in de maatschappij verkeert, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.
8. In beslag genomen voorwerpen
De in beslag genomen munitie en het wapen zullen worden onttrokken aan het verkeer, omdat met deze voorwerpen de bewezen verklaarde feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
9. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 475,86 aan materiële schade en een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] dient te worden afgewezen dan wel dat het bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd. De door de benadeelde partij [benadeelde 1] gevorderde materiële schade die ziet op reparatiekosten van de telefoon dient te worden afgewezen of de benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit deel van de vordering, omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade. Het ten laste gelegde feit heeft plaatsgevonden in oktober 2024, terwijl de factuur dateert van januari 2025. Het is opmerkelijk dat de telefoon niet direct is hersteld indien er sprake zou zijn van schade. De immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van € 500,00.
Beoordeling
Benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3]
De benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zullen in hun vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde feit.
Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
Voor de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat er schade aan de telefoon van de benadeelde partij [benadeelde 1] is ontstaan, doordat uit de aangifte volgt dat de telefoon tijdens het incident op de grond is gevallen. Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde 1] door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering voldoende is onderbouwd, zal dit deel van de vordering worden toegewezen.
Ook is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde 1] door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij werd, onder dreiging van een vuurwapen, gedwongen tot de afgifte van een koffer met simkaarten. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat de rechtbank van oordeel is dat een aantasting in de persoon, in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. De rechtbank heeft ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’ bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade. De immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,00, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij [benadeelde 1] betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 6 oktober 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
In deze procedure wordt over de door de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
De verdachte moet de benadeelde partij [benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 2.975,86 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
10. Vorderingen tenuitvoerlegging
Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 8 juni 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank in de zaak met parketnummer 10/060690-23 is de verdachte ter zake van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd) veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 95 dagen met aftrek, waarvan een gedeelte groot 50 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
De proeftijd is ingegaan op 23 juni 2023.
Bij vonnis van 1 april 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank in de zaak met parketnummer 10/660272-20 is de verdachte ter zake van bedreiging met zware mishandeling, opzetheling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
De proeftijd is ingegaan op 16 april 2021.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de 50 dagen jeugddetentie dienen te worden omgezet in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uur. De vordering tenuitvoerlegging van de jeugddetentie voor de duur van 2 weken dient te worden toegewezen. De verdachte dient zich te realiseren dat er consequenties aan zijn verbonden als hij zich niet houdt aan de voorwaarden bij een voorwaardelijke straf.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf die is opgelegd in de zaak met parketnummer 10/660272-20 dient te worden afgewezen, omdat het een oude zaak betreft. Ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in de zaak met parketnummer 10/060690-23 dient de proeftijd te worden verlengd, zodat er een extra stok achter de deur is voor de verdachte.
Beoordeling
De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank ziet echter aanleiding om hier vanaf te zien, uitsluitend om de reden dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van vier ten laste gelegde feiten komt, terwijl de officier van justitie bij haar strafeis – die de rechtbank volgt – is uitgegaan van zeven strafbare feiten. De rechtbank realiseert zich bovendien dat de verdachte voor de vier bewezenverklaarde feiten lange tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen zullen daarom worden afgewezen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.
12. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
13. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 306 (driehonderd zes) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer: 1 STK Pistool ( [goednummer 1] ) en 5 STK Munitie ( [goednummer 2] );
heft op de bevelen tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissingen geschorst;
verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vorderingen;
veroordeelt de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 2.975,86 (zegge: tweeduizend negenhonderdvijfenzeventig euro en zesentachtig eurocent), bestaande uit € 475,86 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 6 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] te betalen € 2.975,86 (hoofdsom, zegge: tweeduizend negenhonderdvijfenzeventig euro en zesentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 8 juni 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie (in de zaak met parketnummer 10/060690-23);
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 1 april 2021 van de kinderrechter aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie (in de zaak met parketnummer 10/660272-20).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. W.M. Stolk en S. Putting, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging is neergelegd in 3 dagvaardingen, met ieder een eigen parketnummer. Voor de leesbaarheid van dit vonnis heeft de rechtbank de verschillende feiten voorzien van een doorlopende nummering op de wijze zoals hieronder vermeld:
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
parketnummer 10/011586-24
Feit 1
hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2024 tot en met 9 januari 2024
te Bleiswijk en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
ter uitvoering van het door hem, verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een (of meerdere), vuurwapen(s) in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, over te dragen, hebbende en/of zijnde hij, verdachte en/of zijn mededader(s),
- op/via de chatapplicatie Telegram een advertentie geplaatst en/of contact gehad en/of afspraken gemaakt over de aankoop en/of de verkoop en/of de vraagprijs en/of de beschikbaarheid van bovengenoemde vuurwapens en/of onderdelen van deze wapens en/of
- één of meerdere afbeelding(en) en/of video’s van deze en/of ander(e) vuurwapen(s) en/of onderdelen van deze vuurwapens via voornoemde chat applicatie verzonden en/of ontvangen en/of
- ( vervolgens) via voornoemde chat applicatie afspraken gemaakt over onder meer de locatie van de overdracht van deze en/of ander(e) vuurwapen(s) en/of het aankoop (geld)bedrag te weten 1050 euro en/of
- ( vervolgens) (met één of meerdere vuurwapen(s)) naar de afgesproken locatie, te weten het parkeerterrein van de KFC aan de [adres 4] te Bleiswijk, gekomen en/of
- ( vervolgens) aldaar aan de potentiële koper(s) van het vuurwapen aangegeven dat hij alvorens het vuurwapen te laten zien eerst het geld wilde checken en/of gesproken en/of gevraagd naar (een) geld(bedrag) en/of (vervolgens) gezegd dat hij het vuurwapen zouden gaan halen en/of gezegd dat hij het geld wilde zien en/of gezegd dat hij het (vuur)wapen bij zich had,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op of omstreeks 9 januari 2024 te Bleiswijk, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
(een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Retay, type 17, kaliber 9 mm kort (.380)
en/of
(voor voornoemd wapen bestemd) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 9 kogelpatronen van het kaliber 380 auto (9 mm kort)
voorhanden heeft gehad;
parketnummer 10/319686-24
Feit 3
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een koffer met 2130, althans een hoeveelheid simkaarten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n) door
- een vuurwapen uit zijn, verdachtes, kleding te pakken, en/of
- een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten en/of (daarbij) zijn, verdachtes, wijsvinger om de trekker te houden, en/of
- een mes/vuurwapen, althans een voorwerp, uit zijn, verdachtes, jaszak te trekken en/of dit op die [slachtoffer 1] gericht te houden, en/of
- meermalen tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij moest opkankeren;
Feit 4
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een omgebouwd gaspistool (9mm PAK) naar een kogelverschietend pistool van het merk Blow, type TR34, kaliber 9mm PAK,
en/of
(bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, te weten een of meerdere, kogelpatronen van het kaliber 9mm PAK,
voorhanden heeft gehad;
Feit 5
hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 2] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) sleutel(s), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde 2] en/of een derde toebehoorde(n) door
- de (voor)deur van de woning aan de [adres 2] open te duwen en/of tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde 2] te duwen, waardoor voornoemde [benadeelde 2] is gevallen en/of
- een vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen aan voornoemde [benadeelde 2] en/of haar zoon en/of
- dit vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op de slaap en/of het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde 2] en/of haar zoon en/of dit vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp, dichtbij/op de slaap en/of het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde 2] te houden en/of
- voornoemde [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Pak en gooi naar beneden.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Feit 6
hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te Rotterdam
op/aan de openbare weg, te weten de [naam locatie] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om enig(e) goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking,
- naar garagebox nummer [huisnummer X] , althans een garagebox, aan de [naam locatie] in Rotterdam is gegaan en/of
- een slijptol, althans gereedschap, heeft meegenomen/met zich gevoerd en/of
- met die slijptol, althans dat gereedschap, (de deur/het slot van) voornoemde garagebox heeft geprobeerd open te slijpen en/of open te breken/krijgen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen meerdere, althans een, medewerker(s) van Havensteder (bekend onder nummer [nummer] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen aan voornoemde medewerker(s) van Havensteder (bekend onder nummer [nummer] ) en/of
- dit vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten op het lichaam van voornoemde medewerker(s) van Havensteder (bekend onder nummer [nummer] ) en/of
- voornoemde medewerker(s) van Havensteder (bekend onder nummer [nummer] ) dreigend de woorden toe te voegen: “Omdraaien, doorlopen doorlopen doorlopen!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- ( vervolgens) met dit vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde medewerker(s) van Havensteder (bekend onder nummer [nummer] )gericht houdend achter voornoemde medewerker(s) van Havensteder (bekend onder nummer [nummer] ) aan te lopen en/of (daarbij) aan hen meermalen de woorden toe te voegen: “doorlopen”;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meerdere, althans een, medewerker(s) van Havensteder (bekend onder nummer [nummer] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- een vuurwapen, althans een vuurwapengelijkend voorwerp, te tonen aan voornoemde medewerker(s) van Havensteder (bekend onder nummer [nummer] ) en/of (vervolgens) dit vuurwapen, althans een vuurwapengelijkend voorwerp, te richten op het lichaam van voornoemde medewerker(s) van Havensteder (bekend onder nummer [nummer] ) en/of
- voornoemde medewerker(s) van Havensteder (bekend onder nummer [nummer] ) (daarbij) de dreigende woorden toe te voegen: “Omdraaien, doorlopen doorlopen doorlopen!" en/of meermalen “doorlopen”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
parketnummer 10/327696-24
Feit 7
hij op of omstreeks 26 juli 2024 te Rotterdam
opzettelijk
brand heeft gesticht door bij/voor/tegen de voordeur en/of de centrale toegangsdeur van het pand aan de [adres 3] een brandbare substantie en/of stof(fen), tot ontsteking en/of ontbranding en/of ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde pand en/of nabijgelegen panden en/of de in die panden aanwezige goederen, te duchten was;
Feit 8
hij op of omstreeks 25 juli 2024 te Rotterdam
[naam zorginstelling] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meerdere medewerker(s) van [naam zorginstelling] en/of één of meerdere cliënt(en) van [naam zorginstelling] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een envelop met een kogelpatroon in de brievenbus te gooien van het pand aan de [adres 3] .