RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11652268 CV EXPL 25-9654
datum uitspraak: 13 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonbron,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: H.A.M. Over de Vest,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Lagendijk,
en
2. [gedaagde 2] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘Woonbron’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 10 april 2025, met bijlagen 1 tot en met 3;
het antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde 1] , met bijlagen 1 tot en met 13;
de akte wijziging van eis van Woonbron.
Op 13 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig de gemachtigde van Woonbron en [gedaagde 1] met haar gemachtigde.
Tegen [gedaagde 2] is verstek verleend (artikel 139 Rv). Dat brengt mee dat op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis wordt gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op
tegenspraak wordt beschouwd.
2. De vorderingen
Woonbron heeft - samengevat - gevorderd de met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesloten huurovereenkomst voor de garage gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats 1] te ontbinden, het gehuurde te ontruimen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de huurachterstand. Woonbron heeft op de mondelinge behandeling een akte wijziging van eis in het geding gebracht waarbij zij haar eis wijzigt in die zin dat als adres van de gehuurde garage moet worden gelezen [adres 2] te [woonplaats 1] .
[gedaagde 1] heeft gemotiveerd betwist dat zij met Woonbron een huurovereenkomst voor de garage heeft gesloten. In reconventie heeft zij - samengevat - gevorderd te verklaren voor recht dat zij geen huurder van de garage is en dat zij onverschuldigd huurpenningen voor de garage heeft voldaan.
3. De beoordeling
ten aanzien van [gedaagde 1]
Woonbron heeft ter zitting erkend dat de huurovereenkomst voor de garage aan de [adres 2] in [woonplaats 1] niet mede is aangegaan door [gedaagde 1] . Partijen hebben vervolgens ter zitting afspraken gemaakt over de afwikkeling van de zaak. Die houden in dat Woonbron [gedaagde 1] tegen finale kwijting € 350,– betaalt en dat partijen verder afzien van het over en weer gevorderde. Woonbron wordt hierna daarom veroordeeld dat bedrag aan [gedaagde 1] te betalen en verder wordt het gevorderde afgewezen.
Gezien de tussen partijen gemaakte afspraken is er geen aanleiding een van partijen te veroordelen in de (verdere) kosten van de procedure. Die worden daarom gecompenseerd.
ten aanzien van [gedaagde 2]
Woonbron heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij met [gedaagde 2] een huurovereenkomst heeft gesloten voor een garage gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats 1] . Vast staat dat op dit adres niet een garage is gelegen, maar de door [gedaagde 1] (en voorheen [gedaagde 2] ) van Woonbron gehuurde woning. De op de mondelinge behandeling door Woonbron in het geding gebrachte akte wijziging eis heeft ingevolge het bepaalde in artikel 130 lid 3 Rv geen werking jegens [gedaagde 2] , nu deze akte niet bij exploot aan hem kenbaar is gemaakt en [gedaagde 2] niet in de procedure is verschenen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen tot ontbinding van de huur- overeenkomst van de garage aan de [adres 1] en de ontruiming van het gehuurde niet toewijsbaar zijn, nu evident is dat op dat adres geen garage is gelegen. Hetzelfde lot treft de gevorderde veroordeling tot betaling van de huurachterstand, nu ook aan deze vordering ten grondslag is gelegd dat er een huurovereenkomst is gesloten voor een garage aan de [adres 1] .
Woonbron wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden begroot op nihil.
4. De beslissing
De kantonrechter:
ten aanzien van de procedure tussen Woonbron en [gedaagde 1]
veroordeelt Woonbron tot betaling aan [gedaagde 1] van € 350,-;
compenseert de (overige) kosten van de procedure zodat beide partijen de eigen kosten dragen;
wijst het over en weer meer of anders gevorderde af;
ten aanzien van de procedure tussen Woonbron en [gedaagde 2]
wijst de vorderingen van Woonbron af;
veroordeelt Woonbron in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 2] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
62574