Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/207272-25
Datum uitspraak: 17 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
raadsvrouw mr. M.G.J. Plat, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 17 april 2026.
2. Tenlastelegging
De verdachte wordt – samengevat – beschuldigd van poging tot doodslag, althans poging tot zware mishandeling van [slachtoffer]. Dit feit is subsidiair ten laste gelegd als openlijke geweldpleging. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie, mr. S. Katib, heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak poging tot doodslag
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het impliciet primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling
De verdachte heeft bekend dat zij het slachtoffer opzettelijk meermalen tegen het hoofd en het lichaam heeft geschopt en dat zij haar ook heeft geslagen. Het hoofd is een kwetsbaar lichaamsdeel. Door zo te handelen bestond de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
zij op of omstreeks 18 juni 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer]
van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermaals die [slachtoffer]:
- meermaals op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of
- op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
Poging tot zware mishandeling
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft op 18 juni 2025 geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar tegen haar hoofd en lichaam te schoppen en te slaan, terwijl zij op de grond lag en ook door anderen werd geslagen en geschopt. De verdachte en het slachtoffer waren op dat moment beiden 15 jaar oud. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij dit heeft gedaan omdat zij boos was op het slachtoffer. Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Dat het bewezen verklaarde feit een grote impact heeft gehad op het slachtoffer, blijkt ook uit haar toelichting bij het verzoek tot schadevergoeding.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 13 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
Rapportages
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 maart 2026. De Raad schrijft hierin samengevat het volgende.
Uit het onderzoek naar de verdachte komen zowel beschermende factoren als risicofactoren naar voren. Thuis lijkt er niet altijd voldoende toezicht te zijn en er is sprake van schoolverzuim. Daarnaast lijkt de verdachte om te gaan met antisociale jongeren die haar in de problemen brengen en heeft zij moeite met emotieregulatie. Als beschermende factoren ziet de Raad de hobby’s van de verdachte. Het dynamisch risicoprofiel en het algemeen recidive risico profiel komen uit op laag. De domeinen gezin, school en vrije tijd worden wel als risicofactoren gezien. De Raad is van mening dat de jeugdreclassering betrokken dient te blijven om de schoolgang van de verdachte te monitoren en het schoolverzuim te verminderen. Daarnaast is het belangrijk dat er zicht komt op de thuissituatie. Indien de verdachte wordt veroordeeld, adviseert de Raad om haar een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. De verdachte dient begeleid te worden vanuit de jeugdreclassering en een coach zou ook goed voor haar zijn, omdat een coach individueel met de verdachte aan de slag kan gaan.
Ook Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: Jeugdbescherming) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 15 april 2026. De Jeugdbescherming schrijft samengevat het volgende.
De verdachte is aangemeld voor ambulante coaching bij E25 en er heeft reeds een kennismakingsgesprek plaatsgevonden. De begeleiding zal halverwege mei starten. Het is van belang dat er zicht komt op het gedrag van de verdachte. Het beeld ontstaat dat de verdachte door de hoeveelheid problemen als het ware blokkeert, wat zich uit in mentale vermoeidheid. Het is van belang om hier meer zicht op te krijgen zodat duidelijk wordt welke ondersteuning zij nodig heeft. Daarnaast is het van belang dat de verdachte conform haar schoolrooster naar school gaat en zich voldoende inzet om achterstanden in te halen en het schooljaar te kunnen afronden. Bij een veroordeling adviseert de Jeugdbescherming om aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat de verdachte sinds 9 juli 2025 in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt en zich goed heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. De verdachte stelt zich begeleidbaar op en neemt verantwoordelijkheid voor wat zij heeft gedaan. Daarnaast is de verdachte een first offender. In plaats van jeugddetentie zal de rechtbank daarom een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen, waarvan een gedeeltelijk voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke deel van de werkstraf verbindt de rechtbank bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Jeugdbescherming. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De Jeugdbescherming heeft onder meer geadviseerd om aan de verdachte als bijzondere voorwaarde op te leggen dat zij mee dient te werken aan systeemgerichte behandeling. Een systeemgerichte behandeling is echter niet alleen gericht op de verdachte, maar ook op de andere gezinsleden. Hoewel een dergelijke behandeling mogelijk zinvol kan zijn voor het gezin, zal de rechtbank deze verplichting niet als bijzondere voorwaarde aan de verdachte op leggen in het kader van de strafzaak.
Het slachtoffer heeft verzocht om aan de verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen in de vorm van een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Hiertoe ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat de verdachte al geruime tijd geen contact heeft gezocht met het slachtoffer en ook ter zitting heeft aangegeven daar geen behoefte aan te hebben. De rechtbank legt daarom geen contact- en locatieverbod op.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.100,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 850,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het resterende bedrag van de vordering is al toegewezen in de strafzaken tegen de beide medeverdachten.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de vordering tot schadevergoeding op dezelfde wijze af moet worden gedaan als in de zaken van de medeverdachten, te weten hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 250,-.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. De verdachte heeft tegen het hoofd en lichaam van de benadeelde partij geschopt en geslagen, waarbij ook de medeverdachten betrokken zijn geweest. De medeverdachten zijn veroordeeld voor openlijke geweldpleging, waarbij de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk is toegewezen tot een bedrag van € 250,-. Bij de begroting van de schade zal de rechtbank zich aansluiten bij het bedrag dat in de zaken van de medeverdachten is toegewezen. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders het toegewezen schadebedrag betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 juni 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij (deels) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die hierbij door de benadeelde partij zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair (poging tot doodslag) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 74 (vierenzeventig) uren te verrichten werkstraf resteren;
bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte groot 40 (veertig uren), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarden;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 17 (zeventien) dagen;
verbindt aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd, die wordt vastgesteld op een 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot
het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de
veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met haar mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededaders, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met haar mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij] te betalen € 250,- (hoofdsom, zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. S. Jordaan en S. Putting, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2026.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
zij op of omstreeks 18 juni 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer]
van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermaals die [slachtoffer]:
- op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of
- op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 18 juni 2025 te Rotterdam
op het perron van metrostation Beurs in Rotterdam, in elk geval openlijk
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer]
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit meermaals
- op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] schoppen en/of trappen en/of
- op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] slaan en/of stompen en/of
- aan de haren van die [slachtoffer] trekken,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten kneuzingen aan de/het jukbe(e)n(deren) en/of de kaak, diverse kneuzingen en zwellingen van het hoofd en/of de ribben en huidbeschadigingen ten gevolge had;