ECLI:NL:RBROT:2026:5131

ECLI:NL:RBROT:2026:5131

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer ROT 24/1916
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Wabo. Beroep tegen het verlengen van de beslistermijnen en de afwijzing van een verzoek om handhaving. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het verlengen van de beslistermijn op het handhavingsverzoek en op het bezwaar niet rechtmatig was. Het verzoek om handhaving is afgewezen op basis van controles op de camping die een representatief beeld geven van de camping en waaruit volgt dat er geen sprake is van een overtreding. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit Noordeloos, eisers

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/1916

(gemachtigde: mr. R.N. van der Velde),

en

(gemachtigde: [naam 1]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam camping] uit Giessenburg (de camping).

1. Deze uitspraak gaat over de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijnen en over de afwijzing door het college van het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen een camping. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit hierover.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 15 mei 2023 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden tegen [naam camping] (de camping) die gevestigd is aan de [adres] (het perceel). Eisers wonen naast de camping aan de Overslingeland 32-1 in Noordeloos.

Met het besluit van 28 juli 2023 (primaire besluit 1) heeft het college als reactie op de ingebrekestelling van eisers aangegeven dat de ingebrekestelling prematuur is en dat er daarom geen dwangsom is verbeurd. Met het besluit van 28 juli 2023 (primaire besluit 2) heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen.

Met het bestreden besluit van 4 januari 2024 heeft het college, in navolging van het advies van de Advies commissie bezwaarschriften (bezwaarschriftencommissie), de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 15 maart 2024. Eisers hebben schriftelijk nadere reacties ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college, en namens vergunninghouder, [naam 2].

De rechtbank heeft in overleg met partijen het onderzoek ter zitting geschorst voor mediation. Op 22 juli 2025 heeft de rechtbank vernomen dat er geen mediation is gestart.

Eisers hebben aangegeven dat zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank op 12 maart 2026 een nadere zitting gehouden. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college (vergezeld door juridisch adviseurs mr. J.L. Roetman en [naam 3]) en namens de camping, [naam 2] (de eigenaar/exploitant van de camping).

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving is gedaan op 15 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Giessenlanden”. Het perceel heeft de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie” en “Waarde – Archeologie – 5”. Het perceel heeft de functieaanduiding “specifieke vorm van recreatie – minicamping”.

Verlenging beslistermijn

4. Eisers voeren aan dat het verlengen van de beslistermijn op het handhavingsverzoek niet rechtmatig was nu de tweede controle al had plaatsgevonden voor het einde van de beslistermijn. Ook betogen eisers dat het verlengen van de beslistermijn op het bezwaar niet rechtmatig was. De bezwaarschriftencommissie had al een advies gegeven voor het einde van de beslistermijn op het bezwaar. Volgens eisers was nader onderzoek dus niet nodig en had het college binnen de termijn kunnen beslissen op het bezwaar. Eisers verzoeken daarom om de hoogte van de dwangsom vast te stellen vanwege het niet tijdig beslissen.

Het college heeft op 7 juli 2023 eisers per brief meegedeeld dat de beslistermijn op het handhavingsverzoek werd verlengd omdat de behandeling meer tijd vergde. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het verlengen van de beslistermijn op het handhavingsverzoek niet rechtmatig was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) geen motiveringseis stelt aan de schriftelijke mededeling om de beslistermijn te verdagen. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat het verlengen van de beslistermijn op het bezwaar niet rechtmatig was. De termijn voor het nemen van een besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit van 28 juli 2023 bedroeg vanwege het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb, twaalf weken. De beslistermijn van twaalf weken eindigde op 1 december 2023. Het college heeft bij brief van 28 november 2023 de beslistermijn verdaagd met zes weken zodat de beslistermijn eindigde op 12 januari 2024. Het college heeft met het bestreden besluit van 4 januari 2024 binnen de beslistermijn een besluit genomen op het bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van een verschuldigde dwangsom. De beroepsgrond slaagt niet.

Bestreden besluit

Standplaatsen en recreatief (nacht)verblijf

5. Eisers betogen dat er sprake is van meerdere overtredingen op de camping. Volgens eisers zijn er op de camping meer dan 25 standplaatsen in gebruik, wordt er permanent gewoond en verblijven er arbeidsmigranten. Daarbij voeren eisers aan dat de controles op de camping niet op representatieve momenten hebben plaatsgevonden. De controles vonden namelijk plaats rond de middag terwijl er dan een wisseling van de gasten op de camping plaatsvindt. De controle van 19 mei 2023 was bovendien aangekondigd. Volgens eisers moeten er dagelijks controles worden uitgevoerd op de camping.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel van een bestuursorgaan niet kan worden verwacht dat het na aanleiding van een handhavingsverzoek elke dag controleert, is wel vereist dat het aantal controles representatief is en dat de wijze van toezichthouden die door een bestuursorgaan wordt gekozen, deugdelijk is. De controles op de camping hebben plaatsgevonden op vrijdag 19 mei 2023 (de dag na hemelvaart) om 10:00 uur en op vrijdag 23 juni 2023 om 14:50 uur. Het college heeft toegelicht dat de controles onaangekondigd waren. Naar het oordeel van de rechtbank geven de momenten waarop de controles hebben plaatsgevonden een representatief beeld van de camping. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college onweersproken heeft gesteld dat tussen partijen is afgesproken om de controles op vrijdagen uit te voeren.

Uit de foto’s van de camping bij de constateringsrapporten volgt dat er niet meer dan 25 standplaatsen in gebruik waren genomen tijdens de controles. Uit de foto’s blijkt ook dat er geen caravans zijn aangetroffen in de struiken waar arbeidsmigranten in zouden verblijven. Het college heeft toegelicht dat op de camping in de zomerperiode een aantal vaste gasten verblijven, maar dat de camping in de winter gesloten is en dat er in die periode ook geen gasten zijn aangetroffen. Verder heeft het college toegelicht dat er in de Basisregistratie Personen ook geen andere personen staan ingeschreven op het adres van de camping anders dan de gezinsleden van de campingeigenaren.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat op de camping meer dan 25 standplaatsen in gebruik zijn, er sprake is van permanente bewoning of dat er arbeidsmigranten verblijven. Het college heeft dus terecht geoordeeld dat er geen sprake is van een overtreding en dat handhavend optreden om die reden niet aan de orde was. De beroepsgrond slaagt niet.

Toiletgebouwen

6. Eisers stellen dat er geen omgevingsvergunning is verleend voor de toiletgebouwen en dat de toiletgebouwen niet voldoen aan de regels voor vergunningsvrij bouwen omdat de schuur met de sanitaire ruimte niet kan worden aangemerkt als hoofdgebouw. Tijdens de coronaperiode kon de camping ook openblijven ondanks dat de sanitaire ruimte gesloten was. Volgens eisers kan de camping dus functioneren zonder deze sanitaire ruimte.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de definitie van hoofdgebouw in artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (het Bor), het gebouw met sanitaire voorzieningen op de camping noodzakelijk voor de verwezenlijking van de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie” en kan het daarom worden gekwalificeerd als hoofdgebouw op het perceel. Dat er geen gebruik kon worden gemaakt van de sanitaire voorzieningen tijdens de coronaperiode, doet hier niet aan af. Het is gebruikelijk om sanitaire voorzieningen te hebben bij een verblijfsrecreatie zoals een camping. De toiletgebouwen liggen in het achtererfgebied en voldoen daarmee aan de vereisten voor vergunningsvrij bouwen uit artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II van het Bor. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college terecht heeft geoordeeld dat er in ook op dit punt geen sprake is van een overtreding. Het college was dus niet bevoegd handhavend op te treden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:10

1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

(…)

3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

(…)

5. Indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.

Besluit omgevingsrecht

Bijlage II

Artikel 1

1. In deze bijlage wordt verstaan onder:

achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

(…)

bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

(…)

hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

(…).

Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

(…)

3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

1. 5 m,

2. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

3. Het hoofdgebouw,

(…).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand