RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 16 april 2026
op het verzoek van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 2 februari 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- [naam], in behandeling bij Armaere Gerechtsdeurwaarders (hierna: [naam]);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 8 april 2026 zijn verschenen en gehoord:
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift achttien schuldeisers, waarvan twee preferente en zestien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 31.537,67 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 25 juni 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden. De schuldenlast betrof toen € 32.980,89 en is derhalve lager geworden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. Ten tijde van het aanbod was de afloscapaciteit van verzoekster gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar WIA-uitkering. Verzoekster ontving een WIA-uitkering sinds 21 april 2024 op basis van een arbeidsongeschiktheids-percentage van 44,45%.
Verzoekster heeft ernstige psychische gezondheidsklachten waardoor zij niet kan werken en heeft daarom bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het vastgestelde arbeidsongeschikt-heidspercentage. Deze procedure loopt nog en onduidelijk is wanneer de procedure zal zijn afgerond. Inmiddels ontvangt verzoekster inkomen uit een Participatiewet-uitkering. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat, zodra de procedure omtrent het arbeids-ongeschiktheidspercentage is afgerond, verzoekster in ieder geval door de gemeente zal worden ontheven van haar arbeidsverplichting. Een ontheffing van de arbeidsverplichting kan door de gemeente pas worden verleend wanneer de procedure over het arbeidsonge-schiktheidspercentage is afgerond. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger zal kunnen uitvallen. Op dit moment is de prognose dat er 0% van de vorderingen gereserveerd kan worden voor de schuldeisers. Schuldeisers worden, bij een gelijkblijvende afloscapaciteit, verzocht voor hun gehele vordering finale kwijting te verlenen.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Zeventien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam] stemt hier niet mee in. Hij heeft een vordering van € 4.330,06 op verzoekster, die 13,73% van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
Armaere Gerechtsdeurwaarders heeft namens [naam] aan schuldhulpverlening schriftelijk laten weten niet akkoord te gaan met de schuldregeling, omdat het uit te keren bedrag niet in verhouding staat met de openstaande vordering.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [naam] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunten ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam] bij zijn weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [naam] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 13,73%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zeventien van de achttien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Stroomopwaarts. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Ten tijde van het aanbod was de afloscapaciteit van verzoekster gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar WIA-uitkering. Verzoekster ontving een WIA-uitkering sinds 21 april 2024 op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 44,45%. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage. Deze procedure loopt nog en onduidelijk is wanneer de procedure zal zijn afgerond. De rechtbank acht het op voorhand niet onaannemelijk dat aan verzoekster een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage zal worden toegekend. Ook dient naar het oordeel van de rechtbank de onduidelijkheid over wanneer de procedure daarover zal zijn afgerond niet in de weg te staan aan verzoekster om tot een oplossing voor haar schulden te komen. Bovendien ontvangt verzoekster inmiddels inkomen uit een Participatiewet-uitkering en zal zij door de gemeente, zodra de procedure is afgerond, worden ontheven van haar arbeidsverplichting. Voldoende aannemelijk is geworden dat de afloscapaciteit van verzoekster niet binnen afzienbare tijd zal toenemen. Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd, waaruit blijkt dat verzoekster onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. De aangeboden regeling voorziet bovendien in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat als verzoekster toch binnen afzienbare tijd afloscapaciteit krijgt, de uitkering daarop zal worden aangepast en hoger zal kunnen uitvallen.
Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster in de komende periode geen afloscapaciteit zal verkrijgen. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster over vermogensbestanddelen beschikt die waarde zouden kunnen opleveren voor de schuldeisers. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (eventueel met een eerdere ingangsdatum) op verzoekster van toepassing zou zijn, er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoekster in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van [naam].
Het verzoek om [naam] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[naam] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt [naam] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [naam] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.