ECLI:NL:RBROT:2026:5172

ECLI:NL:RBROT:2026:5172

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 13-04-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 10-404449-24 en 10-232346-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling voor het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, oplichting en poging tot oplichting door onrechtmatig woningen (trachten) te verhuren, het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en diefstal, meermalen gepleegd, tot een taakstraf van 120 uur, met aftrek van voorarrest, waarvan 80 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10-404449-24 en 10-232346-21

Datum uitspraak: 13 april 2026

Datum zitting: 30 maart 2026

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],

ingeschreven op het adres [adres 1], [postcode] [plaatsnaam].

Advocaat van de verdachte: mr. A.W. Syrier

Officier van justitie: mr. P.L. van Montfoort

Benadeelde partijen:

10-404449-24: [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

10-232346-21: [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7]

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van diefstal van goederen uit een woning en van diefstal of heling van drie elektrische fietsen. Ook beschuldigt de officier van justitie de verdachte van het medeplegen van oplichting van meerdere personen en een poging tot oplichting van een persoon door deze personen, zonder daartoe bevoegd te zijn, woningen te huur aan te bieden en hen daarvoor geldbedragen te laten betalen. Daarbij zou de verdachte valse huurovereenkomsten hebben gebruikt.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

10-404449-24

1.

hij in of omstreeks de periode van 6 augustus 2024 tot en met 17 augustus 2024 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 2], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een autosleutel, verrekijker en/of heggenschaar, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2. primair

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2025 tot en met 15 maart 2025 te Dordrecht en/of Nederland, een of meerdere (elektrische) fietsen, te weten\

die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of, [slachtoffer 3] en/of, [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2. subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 12 maart 2025 tot en met 15 maart te Dordrecht en/of Nederland, een of meerdere (elektrische) fietsen, te weten

althans een goed en/of goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed en/of deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed en/of goederen betrof.

10-232346-21

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 juni 2021 tot en met 08 juli 2021 te Dordrecht, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door (telkens) het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten (telkens) één of meer geldbedrag(en), door (telkens)

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 25 juni 2021 en/of 26 juni 2021 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 10] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag (in totaal 1.100 euro), heeft verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 juni 2021 tot en met 08 juli 2021 te Dordrecht, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een huurcontract als ware het echt en onvervalst, door

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 juni 2021 tot en met 27 juni 2021 te Dordrecht, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meerdere sleutelkluisje(s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan woningcorporatie Trivire heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

10-404449-24

De verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal. De verdachte moet voor de onder 2 primair tenlastegelegde diefstal van de fatbike worden veroordeeld, en moet worden vrijgesproken van diefstal van de twee elektrische fietsen van het merk Sparta en Batavus.

10-232346-21

De verdachte moet worden veroordeeld voor de tenlastegelegde feiten. De verdachte moet partieel worden vrijgesproken van de onder feit 1 tenlastegelegde oplichting voor zover die ziet op [slachtoffer 6].

Conclusie van de verdediging

10-404449-24

De verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal. De verdachte moet partieel worden vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde diefstal van de elektrische fietsen van het merk Sparta en Batavus.

10-232346-21

De verdachte moet partieel worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde oplichting voor zover die ziet op [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7].

De verdediging heeft zich ten aanzien van de overige feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.

Bewezen is dat:

10-404449-24

2. primair

hij in de periode van 10 maart 2025 tot en met 15 maart 2025 te Dordrecht een elektrische fiets, te weten een elektrische Fatbike (ouxi v20 pro, kleur: zwart), die aan [slachtoffer 4] toebehoorde, heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

10-232346-21

1.

hij in de periode van 04 juni 2021 tot en met 08 juli 2021 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten geldbedragen, door

en dat

hij in de periode van 04 juni 2021 tot en met 08 juli 2021 te Dordrecht, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten geldbedragen, door

2.

hij op 25 juni 2021 en 26 juni 2021 te Dordrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 10] te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (in totaal 1.100 euro), heeft verdachte met voren omschreven oogmerk opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij in de periode van 04 juni 2021 tot en met 08 juli 2021 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een huurcontract als ware het echt en onvervalst, door slachtoffers en/of hun naasten een vals huurcontract te overleggen en/of (mede) te laten ondertekenen.

4.

hij in de periode van 23 juni 2021 tot en met 27 juni 2021 te Dordrecht, sleutelkluisjes, die aan een ander dan aan verdachte toebehoorden, te weten aan woningcorporatie Trivire, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Vrijspraak gekwalificeerde diefstal (10-404449-24)

De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

10-404449-24

Feit 2 primair

diefstal;

10-232346-21

Feit 1

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd,

en

oplichting,

Feit 2

poging tot oplichting

Feit 3

medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

Feit 4

diefstal, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om een taakstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich in 2025 schuldig gemaakt aan diefstal van een fatbike uit een voortuin van een woning. Diefstallen zijn hinderlijke feiten die doorgaans overlast en schade opleveren voor de slachtoffers. De verdachte heeft met zijn handelen getoond dat hij geen respect heeft voor andermans spullen. Ook heeft de verdachte zich in 2021 driemaal schuldig gemaakt aan oplichting, waarvan eenmaal samen met zijn broer en eenmaal samen met zijn ex-schoonzus, door online woningen te huur aan te bieden en zich daarbij ten onrechte voor te doen als rechtmatige verhuurder. In goed vertrouwen hebben de aangevers (voorschotten op) huursommen en/of borgsommen betaald, in de veronderstelling dat zij daarmee huurder van de betreffende woning werden. De verdachte heeft zich op eenzelfde wijze ook schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting. Door valse huurcontracten aan te bieden en te laten ondertekenen, heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het gebruikmaken van valse geschriften. Met zijn handelen heeft de verdachte laten zien dat hij alleen maar uit is geweest op financieel gewin. Hij heeft op geen enkel moment stil gestaan of willen staan bij de gevolgen die zijn handelen voor de slachtoffers heeft gehad. De rechtbank neemt dit de verdachte erg kwalijk.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

- Strafblad

Uit het strafblad van 12 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare vermogensdelicten. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.

- Rapporten van de reclassering

In de rapporten van het Leger des Heils reclassering van 10 juni 2025 en 27 maart 2026 staat onder meer het volgende.

Er is sprake van een delictpatroon ten aanzien van vermogensdelicten, waarbij er meermaals sprake lijkt te zijn van gelegenheidscriminaliteit. Direct delictgerelateerd is het gebrek aan financiële middelen in combinatie met een gokverslaving. De verdachte kent instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Daarnaast is het zorgelijk dat de verdachte de gevolgen van zijn daden niet goed lijkt te overzien en in combinatie met slaapgebrek, een problematisch psychosociaal functioneren en mogelijk ook door drugsgebruik uit een impuls lijkt te handelen. In de jeugd van de verdachte is de diagnose PDD-NOS gesteld en is een lichte verstandelijke beperking vastgesteld, maar er zijn vermoedens dat er mogelijk nog andere psychosociale problemen spelen.

De verdachte wordt in het kader van drie overlappende reclasseringstoezichten vanaf januari 2025 door de reclassering begeleid. Het toezicht verloopt moeizaam. De verdachte laat een zorgmijdende houding zien jegens forensische behandeling, ambulante begeleiding en begeleid wonen. Hij komt afspraken bij Fivoor niet na en maakt geen gebruik van de mogelijkheden die worden aangeboden om iets aan zijn schuldenproblematiek te doen. De verdachte heeft meermalen positief gescoord op amfetamine-/speedgebruik. Inmiddels is de verdachte aangemeld bij diverse begeleid wonen-trajecten van Fivoor en is met hem afgesproken dat hij geplaatst zal worden bij een gebruikersplek. De verdachte werkt echter nog niet naar behoren mee aan plaatsing. Het huidige kader lijkt door de zorgmijdende houding van de verdachte niet afdoende te zijn. Een nieuw tweejarig toezicht met behoud van voorwaarden is wenselijk.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte vindt de rechtbank een flinke taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met het strafblad van de verdachte. De rechtbank ziet aanleiding om een deel van deze taakstraf voorwaardelijk op te leggen. Daarbij weegt mee dat de zaak met parketnummer 10-232346-21 geruime tijd heeft stilgelegen en deze procesvertraging niet aan de verdachte te wijten is. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf te verbinden, enerzijds omdat het deels oude feiten betreft en anderzijds omdat de verdachte al in meerdere toezichten loopt.

5. Vorderingen van de benadeelde partijen

10-404449-24

Vorderingen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

[benadeelde partij 1] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 799,- als vergoeding voor materiële schade en € 700,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 2] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 100,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van benadeelde partij

[benadeelde partij 3] voor feit 2 € 1.786,95 als vergoeding voor materiële schade en € 600,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Oordeel van de rechtbank

Vorderingen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

De rechtbank verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen, omdat de verdachte partieel wordt vrijgesproken van diefstal voor zover die ziet op de fietsen van de benadeelde partijen.

Vordering [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft € 1.169,95 gevorderd als vergoeding voor de fatbike. Op grond van het proces-verbaal van politie met nummer [proces-verbaalnummer] en de toelichting op de vordering is vast komen te staan dat de benadeelde partij de fatbike terug heeft gekregen. Dit gedeelte van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor benodigde reparaties aan de fatbike van in totaal € 617,- is de rechtbank van oordeel dat deze schade onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade van € 600,- geldt dat ook deze immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. Niet is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij wordt ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

10-232346-21

Vorderingen [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7]

[benadeelde partij 4] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.200,- als vergoeding voor materiële schade en € 300,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 5] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.800,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 6] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 2.800,- als vergoeding voor materiële schade en € 500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ook heeft de benadeelde partij € 800,- aan vergoeding voor proceskosten gevorderd, en vergoeding van alle overige nog te maken kosten.

[benadeelde partij 7] heeft als benadeelde partij voor feit 1 (naar de rechtbank begrijpt) € 800,- als vergoeding voor materiële schade en € 800,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Oordeel van de rechtbank

Vordering [benadeelde partij 5]

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte partieel wordt vrijgesproken van oplichting voor zover die ziet op deze benadeelde partij.

Vordering [benadeelde partij 4]

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De vordering van € 1.200,- wordt toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade van € 300,-, geldt dat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij wordt in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 13 juni 2021.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [benadeelde partij 6]

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor materiële schade in de vorm van aanbetaalde huursom(men) stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De vordering van

€ 1.900,- wordt toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor huisinrichting van € 400,-, is de rechtbank van oordeel dat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor juridisch advies van € 500,-, is de rechtbank van oordeel dat niet is vast komen te staan dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade van € 500,-, geldt dat ook deze schade onvoldoende is onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij wordt ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 6 juni 2021.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Niet is vast komen te staan dat de gevorderde proceskosten van € 500,- direct verband houden met het onder 1 gepleegde strafbare feit. De proceskosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 19 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [benadeelde partij 7]

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor materiële schade in de vorm van aanbetaalde huursom(men) stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De vordering van

€ 800,- wordt toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade van € 800,- geldt dat deze immateriële schade niet is onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij wordt in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 8 juli 2021.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 8 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 57, 63, 225, 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10-404449-24 onder 1

tenlastegelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 110 (honderdtien) uur taakstraf moet worden verricht;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 55 (vijfenvijftig) dagen;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 80 (tachtig) uur van deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;

Vorderingen benadeelde partijen 10-404449-24

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen (feit 2);

[benadeelde partij 3]

wijst af het gedeelte van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 2) van

€ 1.169,95 aan materiële schade die ziet op de waarde van de fiets;

verklaart de [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in het gedeelte van de vordering van € 617,- die ziet op materiële schade door reparatiekosten en van € 600,- aan immateriële schade (feit 2);

Vorderingen benadeelde partijen 10-232346-21

[benadeelde partij 5]

verklaart de [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);

[benadeelde partij 4]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 4]

(feit 1), te betalen een bedrag van € 1.200,- , bestaande uit vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 13 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering

(feit 1);

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 4] aan de staat € 1.200,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 13 juni 2021 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed;

[benadeelde partij 6]

veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 6] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.900,- , bestaande uit vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 6 juni 2021 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering

(feit 1);

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 6] aan de staat € 1.900,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 6 juni 2021 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 19 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde partij 7]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 7] (feit 1), te betalen een bedrag van € 800,-, bestaande uit vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2021 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door een mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering

(feit 1);

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 7] aan de staat € 800,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2021 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 8 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. IJspeerd, voorzitter,

en mrs. J.H. Janssen en E.H.N. van Hees, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Nagtegaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 april 2026.

Mr. E.H.N. van Hees en mr. J. Nagtegaal zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. IJspeerd

Griffier

  • mr. J. Nagtegaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand