RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714582 / HA ZA 26-128
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[VvE] ,
vestigingsplaats: [plaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. M.J. de Vries,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. K. Bastiaans.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 17;
de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie, met bijlagen 1 tot en met 7.
2. De beoordeling
in conventie en in voorwaardelijke reconventie
Op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie kan de rechtbank een zaak voor verdere behandeling verwijzen naar een andere rechtbank, als naar haar oordeel door betrokkenheid van de rechtbank behandeling van die zaak door een andere rechtbank gewenst is.
De rechtbank overweegt dat gebleken is dat één van de bestuursleden van de eisende partij tot 1 januari 2025 rechter-plaatsvervanger was bij de sector Kanton van de Rechtbank Rotterdam en dat de schoondochter van dat bestuurslid sinds 1 oktober 2025 rechter in opleiding is bij de Rechtbank Rotterdam. Gelet hierop acht de rechtbank behandeling van deze zaak door een andere rechtbank gewenst en verwijst zij deze zaak naar de Rechtbank Den Haag. De griffier van die rechtbank zal partijen informeren over het verdere verloop van de procedure.
3. De beslissing
De rechtbank:
in conventie en in voorwaardelijke reconventie
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de Rechtbank Den Haag.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.3349 / 1918