Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-232217-21
Datum uitspraak: 13 april 2026
Datum zitting: 30 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres 1], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. J. Vermaat
Officier van justitie: mr. P.L. van Montfoort
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van het medeplegen van oplichting van meerdere personen door deze personen, zonder daartoe bevoegd te zijn, woningen te huur aan te bieden en hen daarvoor geldbedragen te laten betalen. Daarbij zou de verdachte valse huurovereenkomsten hebben gebruikt.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 juni 2021 tot en met 08 juli 2021 te Dordrecht, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door (telkens) het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten (telkens) één of meer geldbedrag(en), door (telkens)
2
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 juni 2021 tot en met 08 juli 2021 te Dordrecht, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een huurcontract als ware het echt en onvervalst, door
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor beide feiten moet worden veroordeeld. De verdachte moet partieel worden vrijgesproken van de onder feit 1 tenlastegelegde oplichting voor zover die ziet op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].
Conclusie van de verdediging
De verdachte moet partieel worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde oplichting voor zover die ziet op [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. De verdediging heeft zich ten aanzien van de overige feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Bewezen is dat:
1.
zij in de periode van 04 juni 2021 tot en met 08 juli 2021 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten geldbedragen, door
2.
zij in de periode van 04 juni 2021 tot en met 08 juli 2021 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander, meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een huurcontract als ware het echt en onvervalst, door slachtoffers een vals huurcontract te overleggen en (mede) te laten ondertekenen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
en
Feit 2
medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat aan de verdachte een taakstraf van 200 uur, met aftrek van voorarrest, moet worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich in 2021 driemaal schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting door samen met ofwel haar ex-partner ofwel haar ex-zwager online woningen te huur aan te bieden en zich daarbij ten onrechte voor te doen als rechtmatige verhuurder. In goed vertrouwen hebben de aangevers (voorschotten op) huursommen of borgsommen betaald, in de veronderstelling dat zij daarmee huurder van de betreffende woning werden. Door valse huurcontracten aan te bieden en te laten ondertekenen, heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het gebruikmaken van valse geschriften. Met haar handelen heeft de verdachte laten zien dat zij alleen maar uit is geweest op financieel gewin. Zij heeft op geen enkel moment stil gestaan of willen staan bij de gevolgen die haar handelen voor de slachtoffers heeft gehad. De rechtbank neemt dit de verdachte erg kwalijk.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad van 24 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
- Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 30 december 2021 staat het volgende.
Als delictgerelateerde problemen komen de leefgebieden financiën en dagbesteding naar voren. Ten tijde van de onderhavige delicten had de verdachte geen inkomen en hoge schulden. Tevens lijkt de relatie met haar (ex-)partner en (ex-)zwager een stimulans te zijn geweest om onderhavige delicten te plegen. Positief is dat de verdachte naar aanleiding van onderhavige delicten de relatie met haar (ex-)partner heeft verbroken. Zij heeft ook geen contact meer met haar (ex-)zwager. Zij toont inzicht in haar delictgedrag. Zij realiseert zich goed wat voor schade zij bij de slachtoffers heeft veroorzaakt en betuigt spijt van haar daden. De verdachte wil voor haar kinderen haar best doen om haar leven op orde te krijgen. Dit alles beschouwen wij als beschermende factoren die de kans op recidive kunnen verminderen. De kans op delictgedrag lijkt te zijn verkleind, omdat de verdachte goed lijkt te zijn ingebed in de hulpverlening (praktische ondersteuning bij schulden en huisvesting en traumabehandeling), zij weer een inkomen heeft, voldoende inzicht toont in haar delictgedrag en geen hulpvragen heeft. Er wordt dan ook geen meerwaarde gezien in een reclasseringstoezicht met verdere interventies.
Overige persoonlijke omstandigheden
Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat zij op dit moment een bijstandsuitkering ontvangt en co-ouderschap heeft met de vader van hun drie minderjarige kinderen. Als de verdachte niet in de woning bij haar kinderen verblijft, verblijft zij bij haar moeder, waar zij ook mantelzorger voor is. De verdachte heeft een restschuld uit de periode van haar huwelijk. De verdachte heeft zelf hulp gezocht en heeft de afgelopen periode hard aan zichzelf gewerkt. De verdachte is onder traumabehandeling bij een psycholoog van Antes en krijgt ondersteuning in algemene zin, bijvoorbeeld bij de opvoeding en de communicatie binnen het co-ouderschap.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte vindt de rechtbank een taakstraf van 60 uur passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Net als de verdediging ziet de rechtbank aanleiding om deze taakstraf voorwaardelijk op te leggen. Daarbij weegt mee dat de zaak al geruime tijd heeft stilgelegen en deze procesvertraging niet aan de verdachte te wijten is. De voorwaardelijke straf dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
5. Vordering van de benadeelde partijen
Vorderingen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]
[benadeelde partij 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.200,- als vergoeding voor materiële schade en € 300,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 2] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.800,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 3] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 2.800,- als vergoeding voor materiële schade en € 500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ook heeft de benadeelde partij € 800,- aan vergoeding voor proceskosten gevorderd, en vergoeding van alle overige nog te maken kosten.
[benadeelde partij 4] heeft als benadeelde partij voor feit 1 (naar de rechtbank begrijpt) € 800,- als vergoeding voor materiële schade en € 800,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
Vorderingen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3]
De rechtbank verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen, omdat de verdachte partieel wordt vrijgesproken van oplichting voor zover die ziet op deze benadeelde partijen.
Vordering [benadeelde partij 2]
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. Op grond van het procesdossier is vast komen te staan dat de benadeelde partij een geldbedrag van in totaal € 1.700,- heeft betaald. De vordering wordt daarom tot dit bedrag toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 19 juni 2021.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 17 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Vordering [benadeelde partij 4]
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. Op grond van het procesdossier is vast komen te staan dat de benadeelde partij een geldbedrag van in totaal € 800,- heeft betaald. De vordering wordt daarom toegewezen.
Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade van € 800,- geldt dat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij wordt in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 8 juli 2021.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 8 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Voorwaardelijke taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 56 (zesenvijftig) uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 28 dagen;
bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 (één) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3]
verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vorderingen (feit 1);
[benadeelde partij 2]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met haar mededader, aan de benadeelde partij
[benadeelde partij 2] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.700,- , bestaande uit vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 19 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
wijst af het resterende deel van de vordering van de benadeelde partij (feit 1);
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat € 1.700,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 19 juni 2021 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 17 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of haar mededader de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
[benadeelde partij 4]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met haar mededader, aan de [benadeelde partij 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 800,- , bestaande uit vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2021 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(feit 1);
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 800,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2021 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 8 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of haar mededader de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. IJspeerd, voorzitter,
en mrs. J.H. Janssen en E.H.N. van Hees, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Nagtegaal, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 april 2026.
Mr. E.H.N. van Hees en mr. J. Nagtegaal zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.