Rechtbank Rotterdam
Team familie
Reg.nrs.: C/10/718005 / KG ZA 26-343 (voorlopige voorziening)
C/10/717991/ FA RK 26-2916 (beroep tegen oplegging)
C/10/718004/ FA RK 26-2921 (beroep tegen verlenging)
Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen
[verzoeker] , verzoeker,
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde mr. R. Moghni,
en
de burgemeester van de gemeente Capelle aan den IJssel, verweerder,
gemachtigde mr. T. Raaphorst,
in welke zaken belanghebbende is:
[naam 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: achterblijfster,
en de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats] .
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 24 maart 2026 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker (hierna: het opleggingsbesluit).
Bij besluit van 2 april 2026 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot 21 april 2026 (hierna: het verlengingsbesluit).
Bij brief van 8 april 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de besluiten (hierna: de bestreden besluiten). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Aanwezig waren:
mr. O.C. Bozbiyik namens mr. R. Moghni;
verweerder, vertegenwoordigd door mr. T. Raaphorst en [naam 2] ;
Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond, vertegenwoordigd door [naam 3] .
2. Beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
3. Overwegingen
Wettelijk kader
De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de beoordeling van de beroepsgronden zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Weergave bestreden besluiten, verzoek en beroep
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van verzoeker en achterblijfster (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen op grond van de Wth. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van verzoeker en achterblijfster nog steeds (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.
Het beroep strekt ertoe beide bestreden besluiten te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Kortsluiten
Als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.
4. Gronden
Gevaar en belangenafweging
Verzoeker voert aan dat het gevaar niet bestond op het moment dat verweerder de bestreden besluiten nam en dat het gevaar ook nu niet (meer) bestaat. Daarnaast voert hij aan dat geen sprake is geweest van een zorgvuldige belangenafweging.
Namens verzoeker is toegelicht dat hij erkent dat hij de situatie tijdens het incident anders had kunnen aanpakken. Volgens verzoeker was geen sprake van een serieus gevaar dat de oplegging van het huisverbod rechtvaardigt en zijn er op dit moment geen aanknopingspunten dat verzoeker nog langer een gevaar vormt voor achterblijfster en de minderjarigen. Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij bereid is mee te werken aan het maken van de afspraken. De reden dat verzoeker eerder niet is verschenen bij de afspraken met de hulpverlening, is volgens verzoeker omdat hij geen toegang heeft tot brieven en zijn DigiD. Verder is namens verzoeker bepleit dat geen zorgvuldige belangenafweging is gemaakt, omdat hij aan zijn lot is overgelaten en hij geen netwerk heeft om op terug te vallen, terwijl achterblijfster wel gebruik kan maken van een netwerk van familie en vrienden.
De rechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Het aanvaarden van een aanbod tot hulpverlening, het beginnen met die hulpverlening en de reële verwachting dat betrokkene blijft meewerken daaraan, zijn indicaties dat het gevaar niet langer bestaat. Als blijkt van dat gevaar, dan is verweerder bevoegd het huisverbod te verlengen tot ten hoogste vier weken. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.
Het opleggingsbesluit
Uit de stukken blijkt dat ten tijde van de oplegging sprake was van gevaar. Na het incident trof de politie het huis aan met vernielingen, waarvan verzoeker niet heeft weersproken dat hij deze vernielingen – onder invloed van drugs – heeft aangebracht. De jonge minderjarige kinderen van verzoeker en achterblijfster waren aanwezig in de woning. Vanwege het gevaar, dat op dat moment aanwezig was, was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen. Ook heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid. De door verzoeker gestelde omstandigheden en ook anderszins bij verweerder bekende omstandigheden zijn betrokken. Zo heeft verweerder meegewogen wat verzoeker heeft aangedragen en wat is geconstateerd op het moment van het incident, zoals dat verzoeker is weggereden in een bus, waarin hij kan overnachten. Verzoeker heeft zijn beroepsgrond niet nader geconcretiseerd. Verweerder heeft kunnen concluderen dat de belangen van verzoeker dan minder zwaar wegen dan de belangen van achterblijvers.
Het verlengingsbesluit
Omdat geen gesprek heeft plaatsgevonden en geen afspraken zijn gemaakt, was het gevaar op het moment van de verlenging van het huisverbod nog aanwezig. Op 31 maart 2026, een paar dagen voor de verlenging van het huisverbod, stond een gesprek tussen verzoeker en Veilig Thuis gepland. Verzoeker is niet bij dit gesprek verschenen. Veilig Thuis heeft verzoeker wel telefonisch kunnen bereiken en blijft proberen met verzoeker in gesprek te komen. Verweerder was dus bevoegd het verlengingsbesluit te nemen en heeft ook in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Verzoeker heeft onvoldoende aangevoerd welke belangen verweerder niet bij zijn afweging heeft betrokken. De gronden van verzoeker lijken vooral gericht tegen de conclusie van de belangenafweging, waarmee verzoeker het niet eens is. De voorzieningenrechter toetst deze inhoudelijke weging terughoudend en ziet niet waarom verweerder een andere afweging had moeten maken.
De huidige situatie
De voorzieningenrechter acht het gevaar ook op dit moment nog altijd aanwezig.
Verzoeker is niet verschenen bij de afspraak met Veilig Thuis op 7 april 2026 zodat er nog altijd geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt en geen systeemgesprek heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft verzoeker het huisverbod overtreden door in de nacht van 7 op 8 april 2026 bij het huis van verzoeker en achterblijfster te verschijnen. Uit de politiestukken volgt dat achterblijfster de politie heeft gebeld en de politie heeft verzoeker aangehouden bij het huis. Verzoeker is niet ter zitting verschenen. Veilig Thuis heeft verklaard dat het contact met verzoeker moeizaam verloopt. Het gevaar wijkt pas als verzoeker de hulpverlening van Veilig Thuis toelaat en afspraken worden gemaakt waar hij zich aan houdt.
Het betoog faalt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Aldus gedaan door mr. S. Wierink, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. S.P. van Driel, griffier, ondertekend.
De griffier: De voorzieningenrechter:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op:
Bijlage
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, als het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan als beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Wet tijdelijk huisverbod (Wth)
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.
Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet tijdelijk huisverbod betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.