ECLI:NL:RBROT:2026:5205

ECLI:NL:RBROT:2026:5205

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 08-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer ROT 25/1766
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Varia, opleggen onderzoek naar het alcoholgebruik. Het opleggen van een onderzoek, in de plaats van een EMA, aan personen die geen Nederlands spreken is geen ongeoorloofd onderscheid

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Rotterdam, eiser

De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1766

(gemachtigde: mr. R.F.M. Gerritsen),

en

(gemachtigde: [naam]).

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een onderzoek naar het alcoholgebruik van eiser. Eiser is het niet eens met het opleggen van het onderzoek. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR het onderzoek aan eiser heeft mogen opleggen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Het CBR heeft in een besluit van 20 november 2024 (het primaire besluit) aan eiser een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd.

Met het besluit van 10 januari 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) heeft het CBR het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Het CBR heeft aan eiser een onderzoek naar zijn alcoholgebruik (het onderzoek) opgelegd, omdat hij in de avond van 11 november 2024 is staandegehouden door de politie en bij hem een ademalcoholgehalte van 635 µg/l is gemeten.

Normaal gesproken legt het CBR in deze gevallen een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) op. In gevallen waarbij de betrokkene onvoldoende Nederlands spreekt, wordt een onderzoek naar het alcoholgebruik opgelegd. Eiser spreekt onvoldoende Nederlands om een EMA te volgen en dus heeft het CBR het onderzoek opgelegd. Met het bestreden besluit heeft het CBR het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Standpunt van eiser

4. Eiser heeft in beroep onder verwijzing naar artikel 12, onder b en artikel 23, eerste lid, onder e, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling), naar voren gebracht dat het CBR gehouden was om hem een EMA op te leggen in plaats van een onderzoek naar zijn alcoholgebruik. Nu aan eiser een zwaardere maatregel wordt omgelegd omdat hij geen Nederlands spreekt, leidt dit tot verboden discriminatie naar taal en/of nationaliteit. De Regeling en daarmee het bestreden besluit zijn in strijd met artikel 21 van Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het gemaakte onderscheid is niet noodzakelijk. Daarnaast mist het onderzoek het educatieve karakter en draagt het in die zin niet bij aan de preventie.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de vraag of het CBR terecht aan eiser een onderzoek naar zijn alcoholgebruik heeft opgelegd. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 11 november 2024 staande is gehouden en dat bij hem een ademalcoholgehalte is gemeten van 635 µg/l. Verder stelt de rechtbank voorop dat het CBR op goede gronden heeft aangenomen dat zij gehouden is om de voorgeschreven maatregelen te nemen om onder meer ervoor te zorgen dat bestuurders het vereiste rijgedrag voor het besturen van een motorvoertuig vertonen zodat zij veilig kunnen deelnemen aan het verkeer.

Eiser heeft naar voren gebracht dat de Regeling, en daarmee het bestreden besluit, leidt tot verboden discriminatie omdat eiser, en daarmee ook andere personen die de Nederlandse taal niet machtig zijn, worden uitgesloten van het volgen van een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA).

Van indirecte discriminatie is sprake indien een regeling geen direct onderscheid naar bijvoorbeeld nationaliteit of taal maakt, maar wel tot gevolg heeft dat overwegend personen met een niet-Nederlandse nationaliteit daarvan nadelige gevolgen ondervinden. Bij de beoordeling of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling aanwezig is, moet worden beoordeeld of het doel van het onderscheid legitiem is en of de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan ook worden gevonden in gronden die verband houden met een correcte en doelmatige uitvoering van de regeling.

Gelet op de door het CBR in het verweerschrift en op de zitting gegeven toelichting stelt de rechtbank vast dat bij de toepassing van de Regeling een volkomen gelijke behandeling van personen die de Nederlandse taal wel of niet beheersen vaak onmogelijk of praktisch moeilijk uitvoerbaar is. Aan de door eiser gestelde alternatieven en bezwaren kan niet de door eiser gewenste betekenis worden toegekend. Bovendien zouden ook de door eiser gesuggereerde oplossingen tot ongelijkheden kunnen leiden. Het behoort ook niet tot de rechtsvormende taak van de rechter om een oplossing te bieden om ongelijke behandeling te beëindigen en daarbij een keuze te maken uit verschillende opties.

Met inachtneming van de hiervoor vermelde uitgangspunten en overwegingen oordeelt de rechtbank dat voor het onderscheid dat in de Regeling wordt gemaakt tussen personen die de Nederlandse taal wel of niet beheersen, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Voor het maken van dat onderscheid bestaan in het licht van het doel van de van toepassing zijnde regeling, namelijk de verkeersveiligheid en het bevorderen van de rijvaardigheid, redelijke en objectieve gronden. Het CBR mocht aan het algemeen belang doorslaggevende betekenis toekennen. Dat beoogde doel is legitiem en de door het CBR toegepaste maatregelen voor het bereiken van dat doel zijn passend en noodzakelijk.

De rechtbank is van oordeel dat de gevolgen van de Regeling en het bestreden besluit voor eiser ook overigens niet zo uitzonderlijk en onevenredig zijn dat de relevante bepalingen in de Regeling buiten toepassing moeten blijven. Het CBR heeft toegelicht dat ook het onvoldoende meewerken aan een EMA kan leiden tot het ongeldig verklaren van het rijbewijs. Verder bedragen de kosten voor het onderzoek naar zijn alcoholgebruik in het geval van eiser ongeveer € 228,- meer dan de kosten voor de EMA. Die extra kosten leiden op zichzelf echter niet tot het oordeel dat het onderscheid onredelijk of onevenredig is. Tegenover die extra kosten staat verder dat de tijdsbesteding voor het onderzoek naar zijn alcoholgebruik (ongeveer 2,5 uur) aanzienlijk minder is dan de tijdsbesteding die met de EMA is gemoeid (twee bijeenkomsten van vier uur en een individueel eindgesprek). Ook heeft het CBR toegelicht dat in het individuele eindgesprek met de psycholoog aandacht is voor preventie. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een ongeoorloofd onderscheid.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt zijn griffierecht niet terug. Ook is er geen aanleiding tot een vergoeding van de proceskosten van eiser.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand