RECHTBANK ROTTERDAM
[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3062
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigden: mr. C. Vermin en mr. F.R.H. van der Leeuw),
en
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van een aanvraag voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (EGP). Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster in staat wordt geacht minimaal 100 meter zelfstandig te kunnen lopen. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft daarom om een voorlopige voorziening verzocht.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat het niet duidelijk is op grond waarvan de EGP is afgewezen en of die motivering standhoudt in bezwaar. Omdat de belangen bij voorlopig behoud van de EGP voor verzoekster groter zijn dan de belangen van het college, verlengt de voorzieningenrechter de EGP en bijbehorende parkeervoorzieningen voor de duur van vier weken na het nemen van een beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 6 maart 2026 heeft het college de aanvraag van verzoekster voor verlenging van haar EGP afgewezen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigden en de gemachtigde van het college.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
3. Verzoekster heeft op 15 april 2021 een EGP gekregen met een geldigheidsdatum tot en met 24 april 2026. Vanwege het naderende einde van de geldigheidsdatum heeft verzoekster op 30 december 2025 een aanvraag ingediend voor een nieuwe EGP. Met het bestreden besluit heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat verzoekster volgens het medisch advies van de GGD, team Sociaal Medische Advisering (SMA) in staat wordt geacht om zelfstandig (eventueel met gebruik van hulpmiddelen) een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te overbruggen. Daarnaast stelt het college dat niet is aangetoond dat verzoekster een andere beperking heeft dan een loopbeperking die zwaarwegend genoeg is om voor een EGP in aanmerking te komen. Verzoekster is het niet eens met dit besluit en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij over een EGP beschikt totdat is beslist op haar bezwaarschrift.
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn of haar bezwaar- of beroepschrift. Niet in geschil is dat er een spoedeisend belang is, nu de EGP op 24 april 2026, een dag na de zitting, verloopt en dat gevolgen heeft voor verzoeksters mobiliteit.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en overweegt daartoe als volgt.
Het besluit van het college om een aanvraag voor een EGP toe of af te wijzen wordt genomen op basis van een medisch onderzoek en het daarbij behorende SMA-advies. Het college mag dit advies betrekken bij de beoordeling van de aanvraag, maar alleen als het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het college dient zich hiervan te vergewissen (de zogeheten ‘vergewisplicht’) voorafgaand aan het nemen van een besluit op een aanvraag.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de adviezen van de SMA te summier en onvoldoende inzichtelijk om te kunnen voldoen aan die vergewisplicht. Hoewel het college ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat het SMA-advies van 25 februari 2026 naar aanleiding van nieuwe medische informatie tot twee keer toe is aangevuld op 15 en 20 april 2026, maken deze adviezen onvoldoende inzichtelijk op grond waarvan de arts tot de conclusie is gekomen dat verzoekster een afstand van meer dan 100 meter kan belopen. Uit de adviezen valt onvoldoende op te maken wat er aan de hand is met verzoekster, wat er precies is onderzocht en op basis waarvan en op grond van welke gegevens is geconcludeerd dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden voor een EGP. Dat in de adviezen staat opgenomen welke medische informatie is meegenomen, geeft nog geen inzage hoe deze informatie heeft geleid tot het oordeel dat verzoekster – in tegenstelling tot bij de afgifte van de EGP in 2021 – nu wel in staat is om 100 meter te lopen. Daarbij kent de voorzieningenrechter betekenis toe aan het feit dat volgens het advies (nog steeds sprake) is van een langdurige aandoening en een aantoonbare loopbeperking van langdurige aard (beide ten minste zes maanden), zij het dat de beperkingen worden onderdrukt door medicatie. Op welke wijze en in welke mate dat gebeurt, blijft onduidelijk. Hierbij komt dat verzoekster naar voren heeft gebracht dat zij ten tijde van de medische beoordeling extra prednison had ingenomen. Ook wordt niet duidelijk welke moeilijk objectiveerbare aandoening wel leidt tot een belemmering – zoals het SMA-advies vermeldt – maar niet leidt tot afgifte van de EGP, en ook niet of een en ander in onderlinge samenhang is bezien met de andere objectiveerbare aandoeningen. Hierdoor – en zonder inzage in de volledige medische beoordeling door het SMA – is het niet alleen voor verzoekster, maar ook voor de voorzieningenrechter moeilijk te controleren welke aspecten de doorslag hebben gegeven om de aanvraag tot verlenging van de EGP af te wijzen. Omdat die informatie ontbreekt en een voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor uitgebreid onderzoek, heeft de voorzieningenrechter aan verzoekster meegegeven deze aanvullende medische beoordeling bij de SMA op te vragen. Uit het Medisch Werkdocument Gehandicaptenparkeerkaart van de Vereniging Artsen Volksgezondheid (VAV) van juli 2024 (p.9) volgt immers dat de arts gehouden is om een apart medisch dossier aan te leggen met uitgebreidere onderbouwing van het advies, welke informatie beschikbaar is voor de betrokkene en aldus door verzoekster kan worden opgevraagd.
In afwachting daarvan heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat – gelet op de verschillende belangen – de EGP en de daaraan verbonden parkeervoorzieningen in de tussenliggende periode tijdelijk moeten worden verlengd. In dat kader heeft verzoekster in het verzoekschrift en ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat het intrekken van de EGP grote gevolgen heeft voor haar mobiliteit. Daarbij heeft verzoekster gewezen op de samenloop van haar eigen gezondheidsproblemen (waaronder astma, reuma, artrose en fibromyalgie, die overigens ook allen worden aangehaald in het hiervoor genoemde Medisch Werkdocument) en de (gezondheids)problematiek van haar minderjarige dochter. Hoewel het college terecht opmerkt dat voor de dochter een eigen EGP voor passagiers kan worden aangevraagd, wegen voornoemde belangen op dit moment zwaarder dan de gestelde belangen van het college (de parkeerdruk en de praktische (ICT-) problemen bij het tijdelijk verlenen van een EGP). De voorzieningenrechter hecht daarbij waarde aan het feit dat verzoekster al vijf jaar beschikt over een EGP, zodat het niet onoverkomelijk is om deze periode in ieder geval tijdelijk te continueren.
De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toewijzen en bepalen dat verzoekster in ieder geval tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar onveranderd aanspraak heeft op een EGP en de daarop gebaseerde parkeervoorzieningen. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter dat het hier gaat om een voorlopige voorziening en de uitkomst van de bezwaarprocedure kan inhouden dat in de toekomst geen recht bestaat op een EGP.
De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding te bepalen dat het college de proceskosten van verzoekster moet betalen. De hoogte van de te vergoeden proceskosten stelt de voorzieningenrechter vast op € 1.868,- (op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht één punt voor het indienen van het verzoekschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van €934,- per punt).
Ten aanzien van het griffierecht overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster een beroep op betalingsonmacht (bobog) heeft gedaan dat op zitting is toegewezen. Dat betekent dat het verschuldigde griffierecht daarmee op € 0,- is komen te staan en dat het college deze dus niet hoeft te vergoeden.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet open staat.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat het college aan verzoekster een (tijdelijke) Europese gehandicaptenparkeerkaart en de daarmee verbonden parkeervoorzieningen dient te verstrekken;
- bepaalt dat deze voorziening vervalt na vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar van verzoekster;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 door mr. F.P. Heijne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: