RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2753
(gemachtigde: mr. N. Roos),
en
(gemachtigden: mr. C.W. de Jong en mr. Z. Abachi).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft het verzoek afgewezen, omdat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe in die zin dat het college tot vier weken na de beslissing op bezwaar een voorschot op de bijstandsuitkering moet uitbetalen aan verzoeker. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 19 januari 2026 heeft het college de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
3. Verzoeker heeft op 10 december 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft het college op 31 december 2025 aanvullende gegevens opgevraagd bij verzoeker. Op 5 januari 2026 heeft het college een besluit genomen en aan verzoeker een voorschot op de bijstandsuitkering (€ 880,11) toegekend, omdat nog geen besluit kon worden genomen op verzoekers aanvraag. Verzoeker heeft vervolgens diverse gegevens aangeleverd, de vragenlijst ‘gezamenlijke huishouding’ ingevuld en daarover een gesprek gehad met een inkomensconsulente.
Vervolgens heeft het college het bestreden besluit genomen. Het college stelt dat ervan uit wordt gegaan dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-echtgenote, [naam]. Het college geeft aan dat zij dezelfde woning als hoofdverblijf hebben en in de terugkijkperiode van twee jaar voor de aanvraag gehuwd zijn geweest of als gehuwden worden gezien. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat aan hem een voorschot op een bijstandsuitkering wordt uitbetaald tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen of er voldoende spoedeisend belang is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Het verzoek heeft betrekking op de afwijzing van een bijstandsuitkering, een vangnetvoorziening. Het gevolg van het besluit van het college is dat verzoeker op dit moment geen bijstandsuitkering ontvangt. Dit levert doorgaans op zichzelf een spoedeisend belang op. Een bijstandsuitkering is namelijk bedoeld voor mensen die geen aanspraak kunnen maken op andere inkomsten. Als de bijstandsuitkering wordt geweigerd, dan kunnen zij in principe niet meer voorzien in hun levensonderhoud. Niet is gebleken dat verzoeker andere inkomsten heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Naar hij heeft toegelicht, zijn inmiddels schulden aan het ontstaan. De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang daarom aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
5. Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder a van de PW wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee voorafgaand aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt. In zo’n geval is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding. Dit is wat het college aan verzoeker heeft tegengeworpen.
Het is niet in geschil dat verzoeker en zijn ex-echtgenote ten tijde van de aanvraag ingeschreven staan op hetzelfde adres in Rotterdam. Daarbij heeft verzoeker onvoldoende met stukken aannemelijk gemaakt dat zijn ex-echtgenote geen hoofdverblijf heeft in de woning, maar – zoals verzoeker stelt – in Turkije. De voorzieningenrechter neemt daarom voorshands aan dat verzoeker en zijn ex-echtgenote hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. In het bestreden besluit stelt het college dat verzoeker in de terugkijkperiode van twee jaar voor de aanvraagdatum gehuwd is geweest of wordt gezien als gehuwd met zijn ex-echtgenote. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat hij en zijn ex-echtgenote in 1988 inderdaad met elkaar gehuwd zijn maar dat zij al in 1995 – en dus ruim voor de terugkijkperiode van twee jaar – zijn gescheiden. Dit staat ook op de uitdraai van Suwinet van 19 januari 2026. Op zitting heeft het college onderkend dat deze afwijzingsgrond in de beslissing op bezwaar geen stand zal houden.
Het college heeft zich ter zitting evenwel op het standpunt gesteld dat de aanvraag van verzoeker alsnog moet worden afgewezen, omdat verzoeker en zijn ex-echtgenote kinderen hebben en daarmee nog steeds sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Het college heeft ter zitting aangegeven dat bovendien sprake is van een gezamenlijke huishouding vanwege de aanwezigheid van wederzijdse zorg.
Ook als het college in bezwaar de grondslag van het bestreden besluit zal wijzigen, ziet de voorzieningenrechter niet zonder meer in dat het besluit alsdan rechtmatig zal zijn. Zij merkt in dat kader het volgende op. Verzoeker ontkent niet dat sprake is van kinderen die uit de relatie met zijn ex-echtgenote zijn geboren. Wel geeft verzoeker aan dat – onder verwijzing naar rechtspraak – sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van het onweerlegbare rechtsvermoeden. Daarover geeft verzoeker aan dat hij en zijn ex-echtgenote al sinds 1995 zijn gescheiden, de kinderen (geboren in 1991 en 1993) ruimschoots volwassen zijn, hun eigen levens leiden, niet woonachtig zijn op hetzelfde adres als hij en zijn ex-echtgenote en zij niet vanwege zorg afhankelijk zijn van hun ouders. Verzoeker en zijn ex-echtgenote hebben al jarenlang niet meer samengewoond, maar verzoeker moest nu in verband met het beëindigen van zijn detentie een woonadres opgeven. Bij gebrek aan een eigen woning kon verzoeker – na bemiddeling van zijn zoon – verblijven bij zijn ex-echtgenote. Daar beschikt hij over een zelfstandige verblijfsruimte met een eigen toegang op de begane grond. Zijn ex-echtgenote woont op de eerste etage met een eigen toegangsdeur en kan vanwege haar gezondheidsproblemen (onder andere Parkinson) niet beneden komen. Verzoeker en zijn ex-echtgenote zijn een kostgangersovereenkomst aangegaan waarin onder meer is overeengekomen onder welke voorwaarden en tegen welk bedrag verzoeker gebruik kan maken van de woning (en de gedeelde faciliteiten: keuken, badkamer en toilet). Verzoeker heeft ter zitting verder aangegeven dat de verhoudingen met zijn ex-echtgenote ten opzichte van de verklaringen van 2 en 10 januari 2026 inmiddels zijn verslechterd. Verzoeker verricht geen zorgtaken meer en er wordt niet samen gekookt of gegeten. Ook doucht hij zoveel mogelijk buiten de deur.
Onder deze feiten en omstandigheden kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment niet worden gezegd dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Daarbij merkt de voorzieningenrechter overigens op dat, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, er aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor een belangenafweging. Verzoeker heeft een groot en zwaarwegend belang bij toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoeker heeft op dit moment geen inkomsten, is in de schulden aan het geraken (door het lenen van geld) en kan zijn verplichtingen vanuit de kostgangersovereenkomst niet nakomen. Volgens verzoeker mag hij alleen tegen betaling in de woning verblijven. Hierbij komt dat verzoeker onweersproken heeft verklaard dat hij momenteel niet kan werken vanwege zijn medische situatie waarvoor hij geopereerd moet worden, en waarna hij zes maanden moet revalideren. Dit gaat bovendien veel zorgkosten met zich meebrengen, die verzoeker momenteel niet kan dragen. Bovendien heeft verzoeker gesteld dat hij zonder woning geen operatie kan ondergaan, omdat er dan geen geschikte plek is om te revalideren. Daartegenover staat dat het college slechts een beperkt financieel belang heeft. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het belang van verzoeker in dit specifieke geval zwaarder weegt dan het belang van het college.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en oordeelt dat het college bij wijze van voorlopige voorziening per de datum van de aanvraag aan verzoeker voorschotten dient te verstrekken ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar van verzoeker. Een en ander voor zover de voorschotten nog niet eerder aan verzoeker zijn verstrekt, dan wel zijn teruggevorderd.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden.
De voorzieningenrechter veroordeelt het college ook in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit;
- draagt het college op vanaf de datum van de aanvraag, 10 december 2025, aan verzoeker voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm, voor zover deze voorschotten althans nog niet eerder aan hem zijn verstrekt dan wel zijn teruggevorderd;
- bepaalt dat deze voorziening vervalt na vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar van verzoeker;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: