RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2748
(gemachtigde: mr. A. el Idrissi),
en
(gemachtigde: mr. A. Hielkema).
1. Deze uitspraak gaat over een aanvraag om herindicatie van het ondersteuningsarrangement van verzoekster onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Verzoekster is het niet eens met de omvang van de toegekende ondersteuning en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Ook verzoekt verzoekster om een voorlopige voorziening bestaande uit een verdubbeling van het wekelijkse persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp en elke dag 1 uur individuele begeleiding.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
3. Verzoekster heeft bij het college een aanvraag ingediend voor herindicatie van het ondersteuningsarrangement van de Wmo. Het college heeft met het besluit van 4 maart 2026 (bestreden besluit) de uitbreiding van de bestaande ondersteuning afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen. Verzoekster was met voorafgaand bericht verhinderd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
4. Verzoekster heeft op 4 december 2025 een aanvraag ingediend voor een herindicatie van het ondersteuningsarrangement van de Wmo en wenst een verdubbeling van het wekelijkse pgb voor huishoudelijke hulp en aanvullend 1 uur individuele begeleiding per dag ook in de vorm van een pgb.
Op 27 februari 2026 is een ondersteuningsverslag opgemaakt over deze hulpvraag. Daarin is geadviseerd om de huidige indicatie voor ondersteuning bij huishoudelijke taken en verzorging van de was voort te zetten. Voor wat betreft de overige behoeften van verzoekster, zoals begeleiding bij afspraken, warme maaltijden en het laten bezorgen van boodschappen, geldt dat sprake is van voorliggende voorzieningen (zie verder hierna). Voor wat betreft begeleiding bij bewegen, staat in het ondersteuningsverslag dat verzoekster dit op alternatieve wijze kan (laten) regelen, maar hiervoor geen ondersteuning onder de Wmo krijgt. Met het bestreden besluit heeft het college aan verzoekster aldus een pgb voor ondersteuningsarrangement toegekend van € 65,93 per week geldig van 9 maart 2026 tot en met 21 april 2030. De hoogte van het pgb is gebaseerd op de keuze van verzoekster voor informele dienstverlening via het sociale netwerk van verzoekster.
Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat haar pgb voor huishoudelijke hulp alsnog per direct wordt verdubbeld en dat zij pgb ontvangt voor individuele begeleiding van 1 uur per dag, zeven dagen per week.
Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. Hierover heeft verzoekster aangevoerd dat zij zich in een acute noodsituatie bevindt door het bestreden besluit. Verzoekster stelt dat het huis vervuilt, de koelkast leeg is en zij door het ontbreken van individuele begeleiding niet buiten komt en aan huis is gekluisterd. Dit vergt een inhoudelijke beoordeling van het verzoek, waarbij het spoedeisend belang is gegeven. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat de reeds toegekende ondersteuning niet toereikend is en de door haar verzochte uitbreiding noodzakelijk is. Daarbij geldt dat er geen verplichting op het college rust om een maatwerkvoorziening te verstrekken als de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie met een algemeen gebruikelijke voorziening kan worden verminderd of weggenomen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Uit het ondersteuningsverslag van 27 februari 2026 volgt dat verzoekster beschikt over een geldige indicatie die voorziet in het schoon en leefbaar houden van het huis en het verzorgen van de was. Er zijn geen mogelijkheden tot uitbreiding van de huidige indicatie. Het college heeft daarover ter zitting aangegeven dat de omvang van deze ondersteuning wordt bepaald aan de hand van onder meer de omvang van het huishouden, het aantal kamers, de mogelijkheden van de aanvrager om zelf bij te dragen, en andere objectieve maatstaven. Dat leidt tot een aantal minuten dat voldoende moet zijn om de noodzakelijke huishoudelijke hulp te verlenen die voor verzoeksters zelfredzaamheid en participatie nodig is. Tot die hulp behoort ook het regelmatig wegbrengen van vuilniszakken en het verzorgen van de was. Voor zover verzoekster heeft verzocht om extra ondersteuning bij het strijken van de was – volgt uit rechtspraak – dat dit buiten de ondersteuning valt omdat dat niet noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid van verzoekster. Omdat verzoekster verder niet met stukken heeft onderbouwd of anderszins inzichtelijk heeft gemaakt waarom de verdubbeling van het pgb noodzakelijk is, heeft het college naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen vasthouden aan voortzetting van de reeds van toepassing zijnde indicatie voor huishoudelijke hulp.
Ten aanzien van de individuele begeleiding heeft het college naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoekster hiervoor een beroep kan doen op haar naasten of sociale netwerk. Mantelzorg of ondersteuning vanuit het netwerk is voorliggend op ondersteuning vanuit de Wmo. Het college heeft verder ten overvloede verwezen naar vrijwilligersorganisaties die verzoekster daarnaast wellicht ook zouden kunnen ondersteunen. Hoewel het college betwist dat het onderdeel uitmaakt van haar verplichtingen onder de Wmo en het bestreden besluit dus niet onzorgvuldig tot stand is gekomen, heeft het college ter zitting aangegeven bereid te zijn mee te denken over het benaderen van vrijwilligersorganisaties voor zover dat verzoekster zelf niet lukt. Voor wat betreft de boodschappen en maaltijden heeft het college verzoekster kunnen wijzen op de mogelijkheid van een boodschappen- en maaltijdservicediensten. Ook dit zijn voorliggende voorzieningen. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van zo’n service niet mogelijk is door verzoeksters darmklachten. Dat verzoekster graag zelf haar boodschappen wil doen is – evenals haar wens om vaker buiten te komen – niet onbegrijpelijk, maar leidt in het kader van een voorlopige voorziening niet op voorhand tot een aanspraak onder de Wmo. Verder heeft verzoekster ook niet aannemelijk gemaakt op grond waarvan zij – ook als voorlopige voorziening – per dag 1 uur begeleiding nodig heeft. Daarbij herhaalt de voorzieningenrechter de door het college geschetste mogelijkheden voor verzoekster dat zij voor begeleiding bij het bewegen terecht kan bij het huis van de wijk of de fysiotherapeut die al aan huis komt. Bovendien kan verzoekster gebruik maken van een taxiservice met extra begeleiding die haar naar de gewenste bestemming brengt.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: