RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Dienst Toeslagen
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9506
(gemachtigde: mr. L. van Baaren),
en
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) omdat zij deze te laat heeft ingediend. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor zij niet in staat was tijdig een aanvraag te doen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 25 maart 2024 een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag zonder inhoudelijke beoordeling met het besluit van 15 mei 2024 afgewezen omdat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend. Met het bestreden besluit van 12 september 2024 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De Dienst Toeslagen heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht was aanmelding voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag mogelijk tot en met 2 januari 2024. Eiseres heeft zich pas op 25 maart 2024 aangemeld bij de Dienst Toeslagen. Dat is te laat. De Dienst Toeslagen heeft zich ingezet om alle mogelijk gedupeerden op de hoogte te brengen van de hersteloperatie en de aanmeldtermijn daarvoor (via televisie, krant, sociale media en de website). Er is geen sprake van een bijzondere situatie die maakt dat eiseres zich niet tijdig heeft kunnen aanmelden.
4. Eiseres voert in beroep aan dat zij in 2023 contact heeft gezocht met de Belastingdienst omdat zij de zware financiële lasten van de kinderopvangtoeslag niet meer kon dragen. Tijdens dat gesprek is haar verteld dat zij niet in aanmerking kwam voor een herbeoordeling, waardoor zij niet verder heeft gehandeld. Deze foutieve informatie heeft ertoe geleid dat eiseres het vertrouwen verloor in haar mogelijkheden om hulp te krijgen en dat de stress die zij voelde alleen maar erger is geworden. De Belastingdienst heeft onzorgvuldig gehandeld. De Belastingdienst had namelijk moeten laten meewegen dat de foutieve informatie heeft geleid tot vertraging van de aanmelding van eiseres. Daarnaast voert eiseres aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zij had in 2023 ernstige psychische klachten, waardoor zij in 2023 niet inzetbaar was om te werken. Ter onderbouwing van de psychische klachten heeft eiseres stukken in geding gebracht. Naast deze mentale problemen was er ook het overlijden van haar tante begin 2023 en de door de toeslagenaffaire veroorzaakte financiële druk, waarvoor zij hulp heeft moeten zoeken bij schuldhulpverlening. Daarnaast gelden er verschillende termijnen binnen de hersteloperatie, wat onduidelijkheid creëert. Bovendien overschrijdt de Belastingdienst zelf beslistermijnen, ondanks opgelegde dwangsommen. Evident is dat eiseres gedupeerde is en recht heeft op compensatie. Het is niet gepast om streng te zijn met de termijnen met als gevolg dat eiseres geen gebruik kan maken van haar rechten als slachtoffer. Het bestreden besluit van de Dienst Toeslagen heeft ernstige en onevenredige gevolgen voor eiseres en haar kinderen. Eiseres leeft sinds 2012 dagelijks in angst voor deurwaarders en beslagleggingen en deze financiële onzekerheid heeft ook op haar kinderen een enorme impact.
5. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen op de grond dat deze te laat is ingediend.
Een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht moest voor 1 januari 2024 zijn ingediend. Deze aanvraagtermijn is door de wetgever dwingend geformuleerd. Een motie om de aanvraagtermijn te schrappen is door de Tweede Kamer verworpen. Het kabinet achtte de termijn van ruim drie jaar redelijk en stelde dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten.
Dat laat onverlet dat het kabinet wel van mening was dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden, waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, is een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet passend. De rechtbank dient per concreet geval te toetsen of, gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding en de door de betreffende ouder genoemde redenen, de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het geval van eiseres geen zodanig bijzondere omstandigheden die afwijking van de aanvraagtermijn op grond van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
Niet is gebleken dat de Dienst Toeslagen onjuiste informatie heeft verstrekt aan eiseres waardoor eiseres op het verkeerde been is gezet. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij in 2023 telefonisch contact heeft gezocht met de Belastingdienst om een persoonlijke betalingsregeling af te spreken. Dat was naar aanleiding van een brief die zij had ontvangen over een terugbetaling. Volgens eiseres heeft ze tegen de medewerker van de Belastingdienst gezegd dat ze mogelijk onder de toeslagenaffaire viel. De medewerker van de Belastingdienst zou toen hebben gezegd dat de jaren waar eiseres voor belde niet onder de hersteloperatie vielen. Eiseres heeft geen stukken overgelegd die (de inhoud van) het gestelde telefoongesprek bevestigen. Maar ervan uitgaande dat het gesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden zoals eiseres heeft verklaard, heeft de Belastingdienst op zichzelf geen onjuiste informatie verstrekt. Eiseres belde namelijk over een recente terugbetalingsverplichting die blijkbaar buiten het bereik van de hersteloperatie viel. Dat eiseres vervolgens kennelijk de conclusie heeft getrokken dat het ook geen zin had om een herbeoordeling van eerdere toeslagjaren aan te vragen, is ongelukkig, maar komt niet voor rekening van de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft dan ook niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Overigens blijkt uit de stellingen van eiseres dat zij in ieder geval in 2023 al op de hoogte was van de mogelijkheid om zich voor compensatie aan te melden.
De rechtbank begrijpt uit de toelichting van eiseres dat 2023 voor haar geen makkelijk jaar is geweest. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiseres medische klachten heeft ervaren en tijdelijk niet heeft kunnen werken. Uit de stukken blijkt echter niet dat eiseres door persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet in staat was zich tijdig aan te melden. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres in 2023 in staat is geweest om contact op te nemen met de Belastingdienst om een betalingsregeling te vragen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiseres in 2023 ook in staat was om zich aan te melden voor de hersteloperatie. Zeker omdat, zoals de Dienst Toeslagen ter zitting heeft toegelicht, het aanmelden voor de hersteloperatie laagdrempelig is gehouden. Dat kon telefonisch en het aanmelden duurde niet meer dan enkele minuten. Dat de Belastingdienst/de Dienst Toeslagen, ondanks dwangsommen, de beslistermijnen niet haalt en dat volgens eiseres evident is dat zij gedupeerde is van de toeslagenaffaire, zijn geen omstandigheden op grond waarvan verschoonbaarheid van de overschrijding van de aanmeldtermijn moet worden aangenomen.
Het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, is onderdeel van een wet in formele zin en mag vanwege het toetsingsverbod niet aan het evenredigheidsbeginsel worden getoetst. Dit is slechts anders als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet volledig zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. De wetgever heeft bewust gekozen voor een ruime aanmeldperiode van ongeveer drieënhalf jaar, om daarmee rekening te houden met persoonlijke omstandigheden.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.