RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Dienst Toeslagen
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1714
(gemachtigde: mr. M. Gümüs),
en
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) omdat zij deze te laat heeft ingediend. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor zij niet in staat was tijdig een aanvraag te doen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 12 juli 2024 een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag zonder inhoudelijke beoordeling met het besluit van 24 oktober 2024 afgewezen omdat eiseres haar aanvraag te laat heeft ingediend. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De Dienst Toeslagen heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht was aanmelding voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag mogelijk tot en met 2 januari 2024. Eiseres heeft zich pas op 12 juli 2024 aangemeld bij de Dienst Toeslagen. Dat is te laat. Er is geen sprake van een bijzondere situatie die maakt dat eiseres zich niet tijdig heeft kunnen aanmelden.
4. Eiseres voert in beroep aan dat zij zich niet tijdig heeft kunnen aanmelden, omdat zij niet op de hoogte was van de hersteloperatie. Eiseres kijkt geen Nederlandse televisie meer vanwege de negatieve ervaringen die zij heeft met politieke berichtgeving. De publieke uitlatingen van de heer Wilders in 2014 over “minder Marokkanen”, hebben diepe sporen achtergelaten in haar leven en dat van haar kinderen. De gevolgen waren zo ingrijpend dat ze psychische hulp heeft moeten zoeken. Daarnaast heeft eiseres in 2013 en 2014 in Frankrijk gewoond, waardoor haar toegang tot belangrijke informatie over toeslagen is bemoeilijkt. Eiseres was destijds zeer jong en door de Dienst Toeslagen is er een stempel op haar leven gedrukt, zodat de Dienst Toeslagen in ieder geval uit coulance haar verzoek had moeten inwilligen.
5. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen op de grond dat deze te laat is ingediend.
Een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht moest voor 1 januari 2024 zijn ingediend. Deze aanvraagtermijn is door de wetgever dwingend geformuleerd. Een motie om de aanvraagtermijn te schrappen is door de Tweede Kamer verworpen. Het kabinet achtte de termijn van ruim drie jaar redelijk en stelde dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten.
Dat laat onverlet dat het kabinet wel van mening was dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden en ouders die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, is een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet passend. De rechtbank dient per concreet geval te toetsen of, gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding en de door de betreffende ouder genoemde redenen, de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het geval van eiseres geen zodanig bijzondere omstandigheden die afwijking van de aanmeldtermijn op grond van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De toeslagenaffaire en de mogelijkheid om op grond van de Wht compensatie aan te vragen is veelvuldig op verschillende manieren onder de aandacht van burgers gebracht. Dat eiseres ervoor heeft gekozen geen Nederlandse televisie te kijken, laat onverlet dat zij redelijkerwijs op andere wijze kennis had kunnen nemen van de mogelijkheid om zich aan te melden voor een herbeoordeling. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de omstandigheid dat eiseres tijdens de aanmeldperiode werkzaam was als docent wiskunde op een middelbare school. Dat eiseres in 2013 en 2014 in Frankrijk heeft gewoond, verandert dit oordeel niet. Dat was namelijk ver voor de aanmeldperiode. Dat eiseres vanwege psychische klachten niet in staat was om zich tijdig aan te melden, is niet gebleken. Eiseres heeft daarvan geen medische stukken overgelegd.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.