Rechtbank Rotterdam
Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/687214 / FA RK 24-7455
Beschikking van 22 januari 2025 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. E. El-Sharkawi te Den Haag,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.A. Smits te Rotterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 8 oktober 2024;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 12 november 2024 en 12 december 2024;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 18 december 2024;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 januari 2025;
het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 8 december 2025;
het bericht van de man van 8 december 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] op [datum] 2004.
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ).
Beide partijen hebben de Jemenitische nationaliteit.
3. De beoordeling
Scheiding
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
De man herkent zich niet in de gestelde duurzame ontwrichting en wil liever niet scheiden, maar hij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Omdat op het moment van indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het aan de man voorgestelde concept ouderschapsplan van de vrouw en de zelfstandige verzoeken van de man elkaar hebben gekruist. Inmiddels zijn de standpunten over en weer duidelijker geworden en is gebleken dat zij over sommige onderwerpen te veel van mening verschillen om een ouderschapsplan te kunnen maken. Gelet hierop zal de rechtbank het voor de ontvankelijkheid vereiste ouderschapsplan niet in de weg laten staan aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek tot echtscheiding.
Het verzoek tot echtscheiding wordt, als weliswaar niet gewenst door de man maar formeel gezien niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw, ondanks de wens van de man om bij elkaar te blijven, volhardt in haar wens tot echtscheiding.
Hoofdverblijfplaats en huurrecht
Beide partijen verzoeken het huurrecht van de woning en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar/hem te bepalen.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling ziet de rechtbank zich voor een lastige beslissing gesteld nu beide partijen hetzelfde verzoeken, maar een ander verhaal vertellen en elkaars verhaal op veel punten betwisten. Ondertussen is er maar één woning, hebben beide partijen geen geschikt alternatief en willen zij allebei zoveel mogelijk bij de minderjarige zijn. Na zorgvuldige afweging van de over en weer aangevoerde stellingen is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verzoeken van de vrouw worden toegewezen. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
Het uitgangspunt voor de rechtbank is dat de minderjarige haar hoofdverblijf zal hebben bij de ouder die in de echtelijke woning blijft wonen, omdat dat haar vertrouwde en stabiele omgeving is. De man heeft de stellingen van de vrouw dat zij degene is die thuis opruimt, kookt, wast, strijkt en voor de kinderen zorgt, onvoldoende gemotiveerd betwist. Datzelfde geldt voor het argument dat de minderjarige dochter van partijen in de puberteit raakt en dan vooral haar moeder nodig heeft. Wel heeft de man aangevoerd dat hij de tandarts- en ziekenhuisbezoeken regelt, dat partijen gelijk zijn wat de verzorging van de kinderen betreft, dat hij nu op de bank slaapt en dat hij zich voegt naar wat het gezin van hem nodig heeft en zo dus ook zijn steentje bijdraagt. Met deze stellingen heeft de man echter onvoldoende gemotiveerd betwist dat de vrouw het grootste deel van het takenpakket binnenshuis (rondom de huishouding en de kinderen) feitelijk voor haar rekening neemt. Dat de vrouw heeft gesteld en erkend dat partijen de taken buitenshuis ongeveer gelijkelijk verdelen, maakt deze beoordeling niet anders. Ook dat de minderjarige hartpatiënt is, verandert dit niet. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken is het belangrijk dat partijen de ziekenhuisbezoeken met de minderjarige zoveel mogelijk samen (blijven) doen, om allebei zo goed mogelijk geïnformeerd te zijn over haar gezondheid.
Daar komt bij dat de man is ingeschreven bij de woningbouw en dus eerder kans maakt op een woning dan de vrouw, die zich niet heeft ingeschreven. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat het de omgekeerde wereld lijkt als de pro-actievere houding van de man op deze manier in zijn nadeel werkt, is de status rondom inschrijving wel de feitelijke situatie die de rechtbank in deze belangenafweging meeneemt.
In de dagelijkse bezigheden van partijen heeft de rechtbank geen groter belang van de één of de ander bij de echtelijke woning kunnen constateren. De vrouw gaat vanuit de woning naar haar werk, dichtbij de woning, en de man volgt cursussen; de meeste dagen online vanuit de woning en de andere dag fysiek op de cursuslocatie in Amsterdam. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen doordeweeks evenveel belang bij de woning.
Wat wel verschil maakt is dat de man stelt vijf dagen per week fulltime bezig te zijn met de training terwijl de vrouw stelt 20 uur in vier dagen te werken. De vrouw houdt dus meer tijd over voor het huishouden en de kinderen.
Verder heeft de man een beroep gedaan op zijn medische situatie. Anders dan de man aanvoert ziet de rechtbank in zijn medische situatie echter geen doorslaggevende reden om zijn verzoeken toe te wijzen. Dat de man ’s nachts gebruikmaakt van een apneuapparaat voor zuurstof en dat hij medicijnen in de vorm van pillen slikt zijn geen omstandigheden die hem binden aan de echtelijke woning. Niet is gesteld of gebleken dat de woning daarop is aangepast. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man met zijn handen aangeduid wat de afmetingen van het apneuapparaat zijn, waaruit de rechtbank opmaakt dat dit een draag- en verplaatsbaar ding is. Uit de stukken van de man blijkt ook dat het als handbagage mee kan in een vliegtuig. Dat dit apparaat moet worden aangesloten op normale netstroom is ook geen omstandigheid die de man gebonden houdt aan de echtelijke woning. Bij deze beoordeling heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de man weliswaar kampt met medische klachten, maar dat hij niet direct na afgifte van deze beschikking de woning hoeft te verlaten omdat het huurrecht wordt toegewezen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken van de vrouw toewijzen en die van de man afwijzen. Concluderend is voor de rechtbank doorslaggevend dat het het meest in het belang van de minderjarige is om met de vrouw in de echtelijke woning te blijven. De overige aangevoerde belangen leiden niet tot een ander oordeel.
Zorgregeling
De man verzoekt, voor het geval de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw wordt bepaald, te bepalen dat:
in de periode dat de man nog geen eigen woning heeft, de omgang in overleg zal plaatsvinden, zowel in de echtelijke woning als daarbuiten, waarbij de frequentie en duur van contactmomenten met de minderjarige gezamenlijk zullen worden vastgesteld maar de man de ruimte krijgt om veel contact met de minderjarige te hebben;
vanaf het moment dat de man over een eigen woning beschikt, zal de minderjarige de ene week van vrijdagmiddag na school tot de volgende week vrijdagmorgen bij de man verblijven en de andere week van vrijdagmiddag uit school tot de week daarop vrijdagmorgen bij de vrouw;
de vakanties en reguliere feestdagen bij helfte zullen worden verdeeld.
De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
De rechtbank heeft geen bezwaar gehoord of gezien voor een zorgregeling in onderling overleg zolang de man nog geen eigen woning heeft. Dat past ook bij de situatie. Daarom zal dat gedeelte van het verzoek van de man worden toegewezen.
De rechtbank kan niet beoordelen of, zodra de man over eigen woonruimte beschikt, een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van de minderjarige is. Op dit moment is nog onduidelijk waar de man zal gaan wonen en wat dit betekent voor de minderjarige als het gaat om de afstand naar school en haar sociale netwerk. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat zij een regeling had voorgesteld waarbij de minderjarige om het weekend van vrijdag tot zondag bij haar vader zou zijn, onder voorbehoud dat de minderjarige deze regeling mag verruimen of verminderen. De vrouw zal zo’n basisregeling van een weekend per veertien dagen niet in de weg staan. De rechtbank gaat ervan uit dat, zodra de man eigen woonruimte heeft, partijen in onderling overleg en in gesprek met de minderjarige tot een regeling zullen komen zodat er regelmatig contact zal zijn tussen de man en minderjarige, ook tijdens vakanties en feestdagen. De rechtbank vindt het op dit moment, waarbij nog onduidelijk is waar de man terecht komt en gelet op de leeftijd van de minderjarige, die ook echt een stem heeft in het geheel, te vroeg om een regeling vast te stellen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd te [plaatsnaam] op [datum] 2004;
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;
bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] ;
stelt vast dat de minderjarige in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zal zijn in de periode dat de man nog geen eigen woning heeft, in onderling overleg, zowel in de echtelijke woning als daarbuiten, waarbij de frequentie en duur van contactmomenten met de minderjarige gezamenlijk zullen worden vastgesteld maar de man de ruimte krijgt om veel contact met de minderjarige te hebben;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van ‘t Zelfde, griffier, op 22 januari 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.