Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/690924 / FA RK 24-9232
Beschikking van 20 februari 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. B. Özates te Rotterdam,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.P. Kloppenburg te Rotterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 11 december 2024;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 21 februari 2025;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 26 maart 2025;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 6 januari 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] .
De [minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2. De vaststaande feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] op [datum] .
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats 2] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 januari 2025 in de voorlopige voorzieningenprocedure is (zoals de rechtbank ambtshalve bekend):
bepaald dat de man met ingang van de datum van die beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ;
bepaald dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- de onderlinge regeling opgenomen die partijen over de zorgregeling hebben getroffen, te weten dat de man de minderjarigen vanaf 6 januari 2025:
o op woensdagmiddag ophaalt uit school en hen de eerste twee keer om 15.00 uur en de keren daarna om 16.00 uur terugbrengt bij de vrouw en
o op zondagmiddag bij zich zal hebben, de eerste twee keer van 13.00 tot 15.00 uur en de keren daarna van 13:00 tot 16.00 uur;
bepaald ten aanzien van de tussen partijen onderling getroffen zorgregeling dat de man de minderjarigen op zondag om 13.00 uur ophaalt bij de vrouw en dat de vrouw de minderjarigen om 16.00 uur (de eerste twee keer om 15.00 uur) ophaalt bij de man;
bepaald dat de behandeling van de zaak in de echtscheidingsprocedure bekend onder nummer C/10/690924 / FA RK 24-9232 wordt aangehouden met verzoek aan de advocaten van partijen schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van de mediation.
De mediation is niet gestart.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 11 december 2024 is de vordering van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de basisschool ‘ [naam school] ’ in [plaatsnaam] , afgewezen. Deze beslissing is op 12 augustus 2025 door het gerechtshof Den Haag vernietigd. Het gerechtshof heeft alsnog vervangende toestemming verleend.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 6 mei 2025 is de vrouw veroordeeld:
- tot nakoming van de beschikking van deze rechtbank van 14 januari 2025, in die zin dat de daarin opgenomen zorgregeling van de man met de minderjarigen weer volgens het schema plaatsvindt vanaf de eerste zondag na de datum van dit vonnis. Daaraan zijn de volgende bepalingen gekoppeld:
- de minderjarigen worden door [naam 2] en wanneer [naam 2] niet zou kunnen door [naam 3] of [naam 4] opgehaald en teruggebracht in plaats van door de man. De man is niet aanwezig wanneer de minderjarigen bij de vrouw worden opgehaald (ook niet in de nabije omgeving);
- de man is niet bij de deur aanwezig wanneer de vrouw op zondagmiddag de minderjarigen bij de man ophaalt. De overdracht vindt dan plaats door [naam 2] en wanneer [naam 2] niet zou kunnen door [naam 3] of [naam 4] ;
- de overdracht van de minderjarigen bij de vrouw thuis kan ook worden geregeld door oma moederszijde. De vrouw kan hier voor kiezen;
- om aan de man een dwangsom te betalen van € 100,- per keer dat zij niet aan de hierboven genoemde uitgesproken hoofdveroordeling voldoet tot een maximum van in totaal € 2.500,-.
(Dit vonnis maakt geen deel uit van het dossier. De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling kennis genomen van de exacte inhoud van dit vonnis, nadat partijen over dit vonnis en de inhoud daarvan hadden verklaard op de mondelinge behandeling.)
In het proces-verbaal van gerechtshof Den Haag van 19 augustus 2025 (in een procedure over hervatting van de zorgregeling) is opgenomen dat partijen het volgende zijn overeengekomen:
1. De omgang tussen de man en de minderjarigen wordt uitgebreid naar twee keer per week op de woensdag en de zondag. Op de zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur, op de woensdag na school tot 18.00 uur;
2. Halen en brengen verdelen partijen. Dit blijft ongewijzigd.
3. De dwangsom zoals bepaald in het kortgedingvonnis van 6 mei 2025 komt hierbij
te vervallen.
4. Partijen verzoeken doorhaling van de zaak per heden.
3. De beoordeling
Scheiding
Beide partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Uit het feit dat partijen meerdere procedures hebben gevoerd over de minderjarigen, is voldoende gebleken dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. Daarom zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
Verblijfplaats
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw wordt bepaald. De rechtbank zal deze afspraak opnemen in de beschikking en de andere verzoeken over de hoofdverblijfplaats beschouwen als ingetrokken, en deze afwijzen. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich tegen een hoofdverblijf bij de vrouw verzet.
Zorgregeling
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ook afspraken gemaakt over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling). De rechtbank zal deze afspraak opnemen in de beschikking en de overige verzoeken over de zorgregeling beschouwen als ingetrokken, en deze afwijzen. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich tegen de overeengekomen zorgregeling verzet.
Zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling zal de rechtbank nog wel beslissen over de vraag of het noodzakelijk is dat een derde de overdracht van de minderjarigen tussen partijen begeleidt, en zo ja wie van partijen deze derde moet regelen. De rechtbank is met de raad van oordeel dat een derde voorlopig wel wenselijk en noodzakelijk is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank gemerkt hoe snel de communicatie tussen partijen escaleert. Het is schadelijk voor de minderjarigen als dat in hun bijzijn gebeurt. Daarbij is het, zoals de raad heeft aangegeven, ook niet in het belang van de minderjarigen als partijen op afstand blijven staan van elkaar en de minderjarigen zelf van de ene naar de andere ouder moeten lopen. De rechtbank zal bepalen dat de man de persoon moet regelen die de overdracht kan begeleiden. De moeder van de vrouw heeft de begeleiding van de overdracht al een tijd op zich genomen. Nu is het de beurt aan de man om dit te verzorgen. Als de moeder van de vrouw er toch blijkt te zijn, maakt dit het niet anders. Ook dan moet de man een (extra) derde regelen, iemand anders dan de moeder van de vrouw.
De rechtbank wil daarbij benadrukken dat zij van beide partijen verwacht dat zij op een fatsoenlijke manier over en met elkaar spreken. Dat betekent dat zij elkaar in de gesprekken niet uitschelden, niet schreeuwend toespreken, niet door elkaar heen praten, en elkaar zeker niet bedreigen, maar dat zij met zacht volume en respectvol met elkaar praten, elkaar laten uitspreken en naar elkaar luisteren. De communicatie moet puur en alleen over de minderjarigen gaan, waarbij de inhoud van die gesprekken zakelijk moet zijn. Dat houdt in dat zij elkaar alleen vertellen wat de ander moet weten om goed voor de minderjarigen te kunnen zorgen en hen adequaat op te vangen, bijvoorbeeld in het geval dat de minderjarigen een ongelukje hebben gehad of ziek zijn geweest, of dat zij iets hebben meegemaakt waar zij bijzonder blij of verdrietig over zijn. Zulke dingen moeten de ouders elkaar natuurlijk vertellen – niet zodat de één de ander vervolgens dingen kan gaan verwijten, maar met het uitsluitende doel dat de ouder die aan de beurt is om voor de minderjarigen te zorgen rekening kan houden met wat de minderjarigen hebben gedaan of meegemaakt. Mochten partijen elkaar, ondanks de begeleiding van de overdracht door een derde, treffen in het bijzijn van de minderjarigen, dan zullen zij elkaar op een vriendelijke manier moeten groeten en elkaar niet doodzwijgen, maar gewoon simpel ‘hallo’ of ‘dag’ zeggen. Het is voor kinderen moeilijk om te moeten zien of horen dat hun ouders elkaar onaardig vinden, omdat kinderen altijd loyaal zijn aan hun beide ouders. Het is het allerfijnst voor kinderen als hun ouders in hún bijzijn netjes, respectvol en als het even kan vriendelijk met elkaar omgaan.
Raadsonderzoek
Vanwege de uiteindelijk gemaakte afspraken heeft de raad het aanvankelijk op de mondelinge behandeling gedane aanbod om een onderzoek te verrichten naar de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling, en om dat zo nodig uit te breiden naar een beschermingsonderzoek, ingetrokken. Hoewel het positief is dat het partijen alsnog, ondanks hun geruzie tijdens de mondelinge behandeling, is gelukt om afspraken te maken, heeft de raad niet zonder reden aanvankelijk aangeboden om een raadsonderzoek te doen. Er zijn al langer zorgen over de slechte en gespannen verstandhouding, de explosieve communicatie en wankele samenwerking tussen partijen als ouders. Het is daarom belangrijk dat partijen nu gaan laten zien dat zij de gemaakte afspraken nakomen en dat zij zich gedragen als beschreven in rechtsoverweging 3.3.3.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 14 september 2016 te Schiedam;
neemt de onderlinge regelingen die partijen over de minderjarigen hebben getroffen op, te weten:
de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen zal bij de vrouw zijn;
de zorgregeling zal inhouden dat de minderjarigen de komende zes maanden bij de man zijn als volgt:
- voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : om de week van zondag 12.00 uur tot maandag naar school, waarbij de vrouw de minderjarigen op zondag naar de man brengt en de man de minderjarigen op maandag naar school brengt, en waarbij een extra persoon aanwezig is tijdens de overnachting van de minderjarigen bij de man en de man niet blowt als de minderjarigen bij hem zijn;
- voor [minderjarige 3] : om de week op zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige 3] brengt en haalt;
- voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] : op woensdag uit school tot 18.00 uur, waarbij de man de minderjarigen ophaalt van school en de vrouw de minderjarigen ophaalt bij de man;
- partijen gaan ondertussen met elkaar in gesprek bij Arosa om een definitieve zorgregeling (zowel regulier als voor vakanties en feestdagen) af te spreken;
de rechtbank bepaalt dat overdrachtsmomenten in de onder 4.2. weergegeven zorgregeling, behalve voor de momenten waarop de man de minderjarigen naar school brengt of op school ophaalt, worden begeleid door een door de man te regelen derde;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van ‘t Zelfde, griffier, op 20 februari 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.