RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3230
(gemachtigde: mr. E.J.M. van Daalhuizen),
en
(gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin).
1. Deze uitspraak gaat over een door de SVB afgewezen verzoek tot wijziging van de aanvrager van de kinderbijslag voor eisers zoon op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Aan de hand van eisers beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze afwijzing.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB niet mocht uitgaan van de intrekking van de toestemming door de ex-partner met de aangevraagde wijziging. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 5 september 2024 heeft de SVB aan eiser medegedeeld dat zijn ex-partner de aanvrager van de kinderbijslag voor zijn zoon [naam kind 1] blijft, maar dat eiser wel recht heeft op de helft van de kinderbijslag voor [naam kind 1] . Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van de SVB (vanwege de weersomstandigheden via videobellen).
Zoals ter zitting afgesproken, heeft eiser na de zitting een nader stuk ingediend (ouderschapsplan). De SVB heeft daarop gereageerd. Nadat partijen niet hebben aangegeven op een nieuwe zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser en zijn ex-partner hebben samen drie kinderen, [naam kind 2] , [naam kind 3] en [naam kind 1] . Nadat eiser en zijn ex-partner uit elkaar zijn gegaan, ontving eiser als hoofdaanvrager de kinderbijslag voor [naam kind 2] en ontving zijn ex-partner als hoofdaanvrager de kinderbijslag voor [naam kind 3] en [naam kind 1] . Nadat het recht op kinderbijslag voor [naam kind 2] is komen te vervallen, heeft de SVB het formulier ‘Wijziging aanvrager co-ouderschap’ toegezonden gekregen. Op dit formulier is ingevuld dat eisers ex-partner voor [naam kind 3] de aanvrager blijft en dat eiser voor [naam kind 1] de aanvrager wordt, zodat de kosten 50-50 verdeeld worden onder beide ouders. Zowel eiser als zijn ex-partner hebben dit formulier ondertekend. Op basis van deze aanvraag, heeft de SVB met het besluit van 10 juli 2024 eiser de hoofdaanvrager van de kinderbijslag voor [naam kind 1] gemaakt.
De ex-partner van eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Zij heeft daarbij aangegeven dat eiser het formulier zonder haar toestemming heeft aangepast en dat zij niet akkoord is gegaan met de wijziging van de aanvrager van de kinderbijslag voor [naam kind 1] .
De SVB heeft daarop jegens eiser het primaire besluit genomen waarin is bepaald dat eisers ex-partner de aanvrager van de kinderbijslag voor [naam kind 1] blijft over het tweede en derde kwartaal van 2024. Eiser blijft wel de helft van de kinderbijslag voor [naam kind 1] ontvangen.
4. Met het bestreden besluit heeft de SVB het primaire besluit gehandhaafd. Hieraan heeft de SVB ten grondslag gelegd dat eisers ex-partner, de oorspronkelijke aanvrager van de kinderbijslag voor [naam kind 1] , geen toestemming geeft voor het wijzigen van de aanvrager, althans die toestemming heeft ingetrokken. Zij heeft gesteld het formulier met die toestemming niet te hebben ondertekend op de wijze zoals eiser het formulier heeft ingediend. Volgens de beleidsregel van de SVB, kan eiser zonder toestemming van zijn ex-partner alleen aanvrager worden als hij kan aantonen dat hij een financieel voordeel heeft bij de wijziging en zijn ex-partner er geen financieel nadeel bij heeft als de aanvrager wijzigt. Daarvan is geen sprake, nu zijn ex-partner financieel nadeel heeft als zij niet langer aanvrager is van de kinderbijslag van [naam kind 1] . Zij verliest dan immers haar recht op kindgebonden budget voor [naam kind 1] .
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de SVB eisers verzoek om als aanvrager van de kinderbijslag voor [naam kind 1] te worden aangemerkt terecht heeft afgewezen.
Belang bij aanpassing aanvrager kinderbijslag
6. In artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget is bepaald dat de ouder aan wie op grond van artikel 18 van de AKW kinderbijslag wordt betaald aanspraak heeft op kindgebonden budget. In het tiende lid is bepaald dat indien aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald op basis van het recht op kinderbijslag van één van die ouders, alleen de ouder wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald, aanspraak heeft op een kindgebonden budget. Hieruit volgt dat het recht op kindgebonden budget is gekoppeld aan het recht op uitbetaling van de kinderbijslag. De aanvrager van de kinderbijslag wordt op die grondslag gezien als rechthebbende van het kindgebonden budget.
Beleid van de SVB
7. In de beleidsregel Kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap (SB1096) (de beleidsregel) is bepaald dat, in geval van co-ouderschap, van aanvrager kan worden gewisseld als de huidige aanvrager daar toestemming voor geeft.
Als die toestemming ontbreekt, wisselt de SVB alleen van aanvrager als zich één van de volgende uitzonderingssituaties voordoet:
- Uit een schriftelijke overeenkomst van de co-ouders, een beslissing van de familierechter of de berekening van de kinderalimentatie blijkt dat het de bedoeling is dat de andere co-ouder het kindgebonden budget ontvangt.
- De andere co-ouder heeft aannemelijk gemaakt een financieel voordeel te hebben bij de wisseling van aanvrager, terwijl nergens uit blijkt dat de huidige aanvrager belang heeft bij het zijn van aanvrager. Het financieel voordeel betreft het ontvangen van kindgebonden budget of het extra bedrag aan kinderbijslag voor thuiswonende kinderen die zijn aangewezen op intensieve zorg.
Toepassing beleidsregel op deze situatie
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsformulier van 1 juli 2024 een schriftelijke overeenkomst tussen hem en zijn ex-partner is die rechtens afdwingbaar is. Daarbij heeft de SVB in bezwaar niet in twijfel getrokken dat het formulier niet buiten medeweten van de ex-partner tot stand is gekomen. De ex-partner heeft het formulier ingediend bij de SVB. De SVB had hem en zijn ex-partner geadviseerd om de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor de kinderen [naam kind 3] en [naam kind 1] over beide ouders te verdelen.
Verder stelt eiser zich op het standpunt dat de SVB in zijn geval had moeten afwijken van de beleidsregel voor zover daarin is bepaald dat eiser alleen aanvrager kan worden als zijn ex-partner daar geen enkel financieel nadeel bij heeft. Dat zou geen redelijke uitkomst zijn. Als eiser de aanvrager voor de kinderbijslag voor [naam kind 1] wordt is er namelijk juist sprake van een evenwichtige verdeling tussen hem en zijn ex-partner. Volgens eiser ontvangen zij dan allebei een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder en allebei een kindgebonden budget voor één minderjarig kind. De huidige situatie is volgens eiser juist onevenwichtig, omdat zijn ex-partner een verkeerde invulling aan het besteden van het kindgebonden budget geeft.
9. Om van aanvrager te wisselen is als hoofdregel toestemming van de huidige aanvrager, in dit geval de ex-partner, nodig. Eiser heeft onweersproken gesteld dat het aanvraagformulier tot wijziging van de aanvrager van de kinderbijslag door de ex-partner bij de SVB is ingediend, voorzien van de handtekening van zowel eiser als de ex-partner.
Het betreft een formulier getiteld ‘Vragenformulier wijzigen aanvrager kinderbijslag’. Het formulier heeft daarmee kennelijk tot doel de aanvrager van de kinderbijslag te wijzigen van één van haar kinderen ( [naam kind 3] of [naam kind 1] ). Uit het dossier blijkt niet dat de ex-partner betwist dat zij dit formulier heeft ondertekend.
De aanvraag tot wijziging van de aanvrager is daarmee met toestemming van de ex-partner (op dat moment de aanvrager) ingediend. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser onweersproken heeft gesteld dat de SVB hem en de ex-partner had geadviseerd ten tijde van het meerderjarig worden van [naam kind 2] om wijziging van de aanvrager te verzoeken, dat hij en zijn ex-partner geen specifieke afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de kinderbijslag en het kindgebonden budget, en dat overigens tussen partijen vast staat dat sprake is van co-ouderschap.
10. Dat de ex-partner stelt dat zij de eerder verleende toestemming voor het wijzigen van de aanvrager van de kinderbijslag intrekt, al dan niet omdat eiser iets op het formulier gewijzigd zou hebben, betekent echter niet dat de SVB aan het bestreden besluit ten grondslag kon leggen dat de ex-partner de toestemming heeft ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank had de SVB dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. De toestemming is immers een eenzijdige rechtshandeling die de ex-partner enkel had kunnen intrekken door die intrekking uiterlijk gelijktijdig met de indiening van de instemming bij de SVB kenbaar te maken. Dit volgt uit de artikelen 3:33 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en 3:37, vijfde lid, van het BW, welke artikelen via artikel 3:59 van het BW van overeenkomstige toepassing zijn buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtshandeling zich daartegen niet verzet.
11. De ex-partner heeft pas door het indienen van haar bezwaar tegen de beslissing van de SVB van 10 juli 2024 kenbaar gemaakt die toestemming in te willen trekken. Uit de genoemde artikelen 3:33 en 3:37 van het BW volgt dat die intrekking geen doel treft. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake was van toestemming om eiser de hoofdaanvrager voor de kinderbijslag voor [naam kind 1] te maken, terwijl de SVB niet mag uitgaan van het intrekken van die toestemming omdat deze intrekking niet aan de wettelijke vereisten daartoe voldoet. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met de beleidsregel van de SVB genomen, door niet uit te gaan van de gegeven toestemming van de ex-partner.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. In het bestreden besluit is ten onrechte niet de aanvrager van de kinderbijslag van [naam kind 1] gewijzigd. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Omdat het gevolg hiervan is dat de SVB, uitgaande van de toestemming van de ex-partner, in lijn met de beleidsregel de kinderbijslag voor [naam kind 1] aan eiser moet toekennen vanaf het tweede kwartaal van 2024, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit tot afwijzing van de aanvraag te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
13. Omdat het beroep gegrond is, moet de SVB het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van € 934,-, en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.