Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/696623 / FA RK 25-2287
Beschikking van 20 februari 2026 over vernietiging van de erkenning
in de zaak van:
[verzoekster] , hierna: de verzoekster,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam,
In deze zaak is belanghebbende:
[belanghebbende] , hierna: [belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] .
In deze zaak is als informant aangemerkt:
[informant] , hierna: [informant] ,
wonende te [woonplaats] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van verzoekster, ingekomen op 25 maart 2025;
- het bericht met bijlage van verzoekster van 3 april 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat;
- [belanghebbende] ;
- [informant] .
2. De vaststaande feiten
Op [geboortedatum] 1989 is te [geboorteplaats] uit [informant] verzoekster geboren.
[belanghebbende] heeft verzoekster op 18 juni 1997 erkend.
3. De beoordeling
Vernietiging erkenning
Het verzoek strekt tot vernietiging van de erkenning van verzoekster door [belanghebbende] .
Verzoekster heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat niet [belanghebbende] haar biologische vader is, maar [naam] (hierna: [naam] ). [naam] is op [datum] overleden. Pas na het overlijden van [naam] heeft [informant] een relatie gekregen met [belanghebbende] .
[belanghebbende] voert geen verweer. Bij de producties zit een e-mail waarin hij de advocaat van verzoekster schrijft dat hij instemt. Op de mondelinge behandeling heeft hij zijn instemming bevestigd.
[informant] stemt in met het verzoek. Bij de producties zit een instemmingsverklaring.
Op grond van artikel 1:205 lid 1sub a en lid 4 BW kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning op grond van het feit dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind, binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet de biologische vader is. Als het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek. Vaststaat dat de wettelijke termijn waarbinnen verzoekster een verzoek tot vernietiging van de erkenning had kunnen doen, ruimschoots is verstreken.
Verzoekster heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 januari 2022 waarin het volgende is overwogen over de termijn:
“De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat het stellen van termijnen in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging is in het familie- en gezinsleven van betrokkene in de zin van artikel 8 EVRM, omdat de in de wet gestelde termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving teneinde de rechtszekerheid te waarborgen en ter bescherming van de belangen van het kind. Dat laat onverlet dat onder bepaalde omstandigheden het vasthouden aan een termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wel degelijk een ongerechtvaardigde inmenging in het familie- en gezinsleven kan opleveren en in zoverre strijdig kan zijn met artikel 8 EVRM. Bij de beoordeling van de vraag of in dit geval sprake is van strijd met artikel 8 EVRM dient het belang van de vrouw om de biologische en maatschappelijk werkelijkheid met elkaar in overeenstemming te brengen, te worden afgewogen tegen het belang van de andere belanghebbenden, de man en de moeder, en dat van de gemeenschap.”
De rechtbank is van oordeel dat ook in de zaak van verzoekster het belang van verzoekster dat de termijnoverschrijding niet in de weg staat aan de mogelijkheid tot het ongedaan maken van de bestaande juridische afstammingsrelatie die niet overeenkomt met de biologische werkelijkheid, zwaarder weegt dan andere denkbare belangen. Verzoekster heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het altijd verwarrend voor haar is geweest dat [belanghebbende] haar op haar achtste heeft erkend, terwijl zij tot haar vijfde jaar haar biologische vader in haar leven heeft gehad, die toen kwam te overlijden. Verzoekster heeft verder uitgelegd dat zij als kind, ondanks die verwarring, is meegegaan in de beslissingen die de volwassenen om haar heen hebben genomen over de erkenning. Zij heeft zich er dus bij neergelegd dat [belanghebbende] haar heeft erkend zonder zich af te vragen of zij daar een (andere) mening over kon hebben; het was gewoon zo. Als kind heeft zij zich geconformeerd aan de wensen van [informant] en [belanghebbende] daarover. Naarmate verzoekster ouder is geworden, en zeker nadat zij zelf kinderen heeft gekregen, is haar gevoel dat zij de juridische afstammingsrelatie niet langer wilde laten voortduren sterker geworden. Verzoekster heeft zichzelf, om de keuze die voor haar als kind is gemaakt te respecteren, nooit eerder emotionele toestemming gegeven om de benodigde juridische stappen te nemen om daar verandering in te brengen, tot nu. De rechtbank ziet in dat een strenge handhaving van de termijn geen ruimte biedt voor het proces dat verzoekster heeft moeten doormaken totdat zij deze procedure kon beginnen. Tegenover het belang van verzoekster zijn geen andere belangen van [belanghebbende] , [informant] of de gemeenschap gebleken die ertoe leiden dat de rechtszekerheid moet prevaleren. [belanghebbende] heeft tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen de vernietiging van de erkenning. [belanghebbende] heeft geen contact meer met verzoekster en daarmee niet langer een feitelijke band. Het door verzoekster beoogde rechtsgevolg verandert dat ook niet. [informant] staat achter het verzoek van haar dochter. Niet is gebleken dat de rechtszekerheid of de belangen van andere betrokkenen dan de direct belanghebbenden zullen worden geschaad bij toewijzing van het verzoek. Dat betekent dat de rechtbank verzoekster zal ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijk is voor de rechtbank op grond van de gestelde feiten en omstandigheden voldoende komen vast te staan dat [belanghebbende] niet de biologische vader van verzoekster is. De biologische vader van verzoekster is immers overleden toen verzoekster bijna vijf jaar oud was. [belanghebbende] is pas één of twee jaar later in beeld gekomen. Andere toetsingsgronden dan het niet zijn van biologisch vader, zijn er niet.
Gezien het voorgaande zal het verzoek worden toegewezen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
vernietigt de erkenning van [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1989, [geboorteplaats] ;
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Vlaardingen zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van ‘t Zelfde, griffier, op 20 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Verzoeker en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere manier bekend is geworden.