RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9214
(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),
en
[huidige naam verweerder] , voorheen [voormalige naam verweerder] , verweerder,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).
Procesverloop
1.
Bij besluit van 5 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van in totaal € 5.000,- wegens gestelde overtredingen van de Wet dieren.
Bij besluit van 23 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Namens eiseres zijn verschenen [persoon A] (bestuurder van eiseres) en [persoon B] (hierna: [persoon B] ), bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [persoon C] en [persoon D] , toezichthouders bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Totstandkoming van het besluit
2.
Eiseres exploiteert een horecaslagerij in [plaats] .
Op 19 december 2023 heeft verweerder spoedbestuursdwang toegepast en de erkenning van eiseres geschorst op grond van artikel 5.12 van de Wet dieren. Op 21 december 2023 heeft de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dit besluit geschorst.
Onder meer op 26 januari 2024 hebben de twee toezichthouders van de NVWA die ook op de zitting aanwezig waren, opnieuw een inspectie uitgevoerd bij eiseres. In het over die inspectie opgemaakte rapport van bevindingen van 29 januari 2024 is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Bevinding(en):
Datum en tijdstip van de bevinding: 26 januari 2024, omstreeks 09.00 uur.
Wij hebben in het bedrijf aangesproken en zijn met naam en functie bekend bij:
de heer [persoon A] , functie: Exploitant slachthuis.
Wij zagen dat er op de vloer in de “kleine vriescel” veel oud vuil en oude vleesresten aanwezig waren. Het oude vuil bevond zich ter hoogte van de deur van de kleine vriescel. De ingang van deze “kleine vriescel” bevindt zich in de “grote uitsnijderij ruimte” waar vlees bestemd voor humane consumptie wordt verwerkt en verpakt. Er was oud vuil en oude vleesresten aanwezig op de betonnen aanrijdbeveiliging aan de binnenzijde van de vriescel en er lagen plastic resten op de vloer (zie fotobijlage, foto's 1 en 2). Deze verontreinigde betonnen aanrijdbeveiliging stond vlak naast vlees bestemd voor humane consumptie.
Vervolgens zagen wij in de “kleine vriescel” veel (condens)rijpvorming op het plafond, op de verdamper en om de deur heen (zie fotobijlage, foto's 3, 4 en 5). Rijpvorming is bevroren condens. De vorming van condens dient voorkomen te worden en indien er wel condens aanwezig is dient het oppervlak waarop de condens zich bevindt afdoende schoongemaakt te worden. Indien (condens)rijpvorming smelt kan het vlees verontreinigd raken. Het kan potentieel listeria ssp. of andere ziekteverwekkers bevatten. Wij zagen dat (condens)rijpvorming van het plafond naar beneden viel.
Wij zagen dat er vlees in de vorm van shoarma-rollen onder deze rijp stond. Dat het om vlees bestemd voor humane consumptie ging bleek ons uit het aanwezige EG-merk ‘9087’ dat op de verpakkingen was aangebracht. De bovenkant van deze shoarma-rollen waren niet volledig afgedekt. Bij een aantal shoarma-rollen was vriesband zichtbaar, doordat het vlees niet goed was afgedekt. Tussen de dolly’s en de shoarma-rollen lag een vel blauw plastic welke de onderkant van de shoarma rollen niet goed afdekte (zie fotobijlage, foto's 6, 7 en 8). Het niet afgedekte vlees kwam daardoor in direct contact met de dolly’s. Wij zagen dat er op dolly’s oud aangekoekt vuil en stukjes plastic op dolly’s aanwezig was en het
naakte vlees raakte de dolly hierdoor het vlees ook vuil. Deze dolly’s worden niet dagelijks gereinigd en ontsmet en hierdoor werd kruiscontaminatie niet voorkomen. Wij zagen dat de bedrijfsruimte voor levensmiddelen niet schoon was.”
Op basis van het rapport van bevindingen heeft verweerder bij het primaire besluit aan eiseres een boete van € 5.000,- opgelegd voor de volgende twee beboetbare feiten:
a. De bedrijfsruimten voor levensmiddelen waren niet schoon.
Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 4, tweede lid, in samenhang met Bijlage II, hoofdstuk I, punt 1, van Verordening (EG) 852/2004. De boete die voor dit feit kan worden opgelegd, bedraagt
€ 2.500,-.
b. Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan
worden geconsumeerd.
Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 4, tweede lid, in samenhang met Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van de Verordening (EG) 852/2004. De boete die voor dit feit kan worden opgelegd bedraagt € 2.500,-.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Eiseres betwist de bevindingen die in het rapport van bevindingen zijn vermeld. Onder meer kan geen sprake zijn geweest van vleesresten. Ook betwist eiseres dat de in de kleine vriescel aanwezige levensmiddelen onvoldoende werden beschermd tegen verontreiniging. Eiseres heeft de shoarmarollen wel degelijk volledig afgedekt. Eiseres heeft verder naar voren gebracht dat zij het niet eens is met de gang van zaken tijdens de inspectie. Het was bekend bij de toezichthouders dat het, gezien de ontstane spanning door de vele inspecties en de schorsing van de erkenning, voor eiseres belangrijk was dat er steeds iemand van het bedrijf van eiseres bij de inspecties aanwezig was. Toch hebben de toezichthouders de inspectie in de kleine koelcel uitgevoerd zonder dat er iemand aanwezig was van het bedrijf van eiseres. Vervolgens hebben de toezichthouders niets gezegd over geconstateerde overtredingen.
De rechtbank is van oordeel dat het rapport van bevindingen zodanig onzorgvuldig tot stand is gekomen dat het niet aan de overtredingen ten grondslag kan worden gelegd. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
Het gaat in deze zaak om overtredingen van voorschriften betreffende de hygiëne in de zogenoemde kleine koelcel. Ter zitting zijn het rapport van bevindingen en de bijbehorende foto’s besproken. Onder meer is stilgestaan bij de constatering van de toezichthouders dat op de zogenoemde betonnen aanrijdbeveiliging vleesresten aanwezig waren. Volgens de toezichthouders gaat het om vleesresten die op te pakken zouden zijn geweest en zijn die vleesresten ook op de foto’s te zien. Het gaat dan om de bruine vlekken links en rechts op de foto, aldus de toezichthouders. Eiseres heeft stellig betwist dat deze vlekken duiden op vleesresten. Eiseres heeft er daarbij op gewezen dat op de foto heel veel bruine vlekken te zien zijn. Het gaat volgens eiseres om oude vlekken en niet om vleesresten. Ter zitting is ook gesproken over de constatering van de toezichthouders dat sommige shoarmarollen in de kleine vriescel niet volledig waren afgedekt, namelijk op de plek waar de pin in de rollen heeft gezeten. Eiseres heeft hierover verklaard dat, hoewel op de foto’s inderdaad shoarmarollen zijn te zien die niet volledig zijn afgedekt, zij de shoarmarollen wel volledig afgedekt in de kleine vriescel heeft opgeslagen.
Eiseres heeft van de gang van zaken bij de inspectie op 26 januari 2024 een verslag gemaakt, dat is overgelegd in deze procedure. Uit dit verslag komt, voor zover van belang, het volgende naar voren:
Op 26 januari 2024 hebben twee toezichthouders van de NVWA een onverwachte inspectie uitgevoerd op het bedrijf van eiseres.
Eiseres had van haar advocaat het advies gekregen bij inspecties van de NVWA aanwezig te zijn en deze te filmen. Namens eiseres is [persoon B] bij de inspectie aanwezig geweest. Zij heeft hierbij ook gefilmd.
Tijdens de inspectie hebben de toezichthouders een compliment gemaakt over het nieuwe plafond in de slagerij. Verder is onder meer het vervangen kitwerk opgemerkt en zijn de machines van binnen en buiten bekeken en goed bevonden.
Na de inspectie is koffie gedronken in de kantine. De toezichthouders zijn vervolgens naar hun auto gegaan, nadat zij hadden gezegd dat ze met hun teamleider zouden gaan overleggen.
Na een kwartier zijn de toezichthouders teruggekomen omdat zij een nadere inspectieronde wilden doen. [persoon B] is hiervan door een collega op de hoogte gesteld.
[persoon B] heeft daarop in de kantine tegen de toezichthouders gezegd dat zij weer met hen zal meelopen, maar dat zij eerst haar bedrijfskleding moet aantrekken. Eén van de toezichthouders heeft daarop gezegd dat zij nog foto’s van de grote vriezer willen maken.
Toen [persoon B] terugkwam in de kantine, waren de toezichthouders al vertrokken. Zij is vervolgens naar de grote vriezer gelopen. Zij is daarbij langs de kleine vriezer gekomen, waarvan de deur gesloten was.
Onderweg naar de grote vriezer is zij een collega tegengekomen, die haar meedeelde dat de toezichthouders naar de kleine vriezer waren gegaan.
[persoon B] is daarop teruggelopen naar de kleine vriezer, waar de toezichthouders net uitkwamen.
De toezichthouders hebben niets gezegd over geconstateerde overtredingen.
Ter zitting is dit verslag besproken. Verweerder heeft de juistheid van het verslag niet betwist. De toezichthouders hebben ter zitting wel verklaard dat zij niet wisten dat eiseres wilde dat er iemand van het bedrijf aanwezig zou zijn bij de inspectie. Op dit punt is de rechtbank van oordeel dat, zelfs als wordt afgezien van de mededeling van [persoon B] dat zij weer met de toezichthouders zal meelopen (zie onder 4.3, zesde streepje), de toezichthouders hadden moeten begrijpen dat het voor eiseres belangrijk was dat er iemand van het bedrijf bij de inspectie aanwezig zou zijn. Bij de eerdere inspectieronde was immers [persoon B] aanwezig geweest en zij had daarbij zelfs gefilmd. Dat het voor eiseres belangrijk was dat er iemand van het bedrijf bij de inspectie aanwezig zou zijn, is ook wel begrijpelijk gezien de gebeurtenissen van kort daarvoor (de eerdere inspecties, de schorsing van de erkenning en de procedure bij het CBb). Het is ook begrijpelijk dat de betrokkenen op het bedrijf van eiseres de situatie als gespannen hebben beleefd.
De rechtbank moet er dus van uitgaan dat, hoewel de toezichthouders hadden moeten begrijpen dat het voor eiseres belangrijk was dat er iemand van het bedrijf van eiseres aanwezig zou zijn bij de inspectie, de toezichthouders de inspectie van de kleine koelcel toch hebben uitgevoerd zonder dat er iemand van het bedrijf aanwezig was. Verder staat vast dat de toezichthouders, toen zij de kleine koelcel uitkwamen, niets hebben gezegd over geconstateerde overtredingen. De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval op de weg van de toezichthouders had gelegen om te wachten met de nadere inspectieronde tot [persoon B] met hen mee kon lopen. In dat geval hadden de toezichthouders ook direct kunnen wijzen op de feiten die volgens de toezichthouders een overtreding opleverden, zoals de gestelde aanwezigheid van vleesresten op de aanrijdbeveiliging en de gestelde aanwezigheid van niet volledig afgedichte shoarmarollen (zie hiervoor in 4.2). De rechtbank ziet in de gang zaken aanleiding voor het oordeel dat het rapport van bevindingen niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het rapport kan daarom niet aan de gestelde overtredingen ten grondslag worden gelegd. Het gevolg daarvan is dat niet worden vastgesteld dat eiseres de overtredingen heeft begaan. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was de boete aan eiseres op te leggen.
Conclusie en gevolgen
5.
Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat de boete vervalt.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend en een kantoorgenoot van de gemachtigde heeft de hoorzitting bijgewoond. Verder heeft de gemachtigde een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
de griffier is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.