RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710047 / JE RK 25-2334
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [roepnaam minderjarige] ,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[naam moeder] & [naam vader],
hierna te noemen: de ouders;
wonende te [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de briefrapportage van de GI met bijlagen van 10 maart 2026, binnengekomen op diezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van [roepnaam minderjarige] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] is telefonisch gehoord.
[roepnaam minderjarige] , de vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat [roepnaam minderjarige] , de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
De kinderrechter heeft [roepnaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [roepnaam minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
Bij beschikking van 30 september 2021 is [roepnaam minderjarige] onder voogdij gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.
[roepnaam minderjarige] verblijft sinds 22 februari 2026 bij haar ouders.
Bij beschikking van 4 december 2025 is een machtiging verleend om [roepnaam minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met ingang van 15 januari 2026 tot 15 april 2026. Het overige verzochte is aangehouden.
3. Het aangehouden verzoek
De GI heeft verzocht een machtiging te verlenen om [roepnaam minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden. Hiervan zijn reeds drie maanden toegewezen. Er dient nog beslist te worden over de overige drie maanden.
4. De standpunten
De GI heeft het verzoek in hun briefrapportage van 10 maart 2026 niet langer gehandhaafd. De jeugdbeschermer heeft dit mondeling als volgt toegelicht. [roepnaam minderjarige] verblijft inmiddels bij de ouders. Niet omdat dit de beste oplossing is, maar omdat dit de enige optie is. Het verblijf van [roepnaam minderjarige] bij Schakenbosch was zeer schadelijk voor haar omdat haar suïcidepogingen en aanvallen (PNEA) alleen maar erger werden. Schakenbosch heeft daarom aangegeven dat de opname zal worden stopgezet per 1 april 2026. De GGZ instellingen en de crisisdienst hebben bij herhaling aangeven dat de psychische problematiek niet voorliggend is, maar de gedragsproblematiek en willen haar daarom niet opnemen. Dat maakt dat het verblijf bij de ouders nu het meest passend lijkt. [roepnaam minderjarige] lijkt daar tot rust te komen en minder triggers te ervaren. Behalve een incident in maart, heeft zij verder geen suïcidepogingen gedaan. Er is sprake van fors trauma en hechtingsproblematiek. Doordat zij bij Schakenbosch in een omgeving zat waar [roepnaam minderjarige] zich niet veilig voelde, is zij niet toegekomen aan haar hulpverleningsvraag. De hoop is dat dat vanuit de thuissituatie wel gaat lukken. Het lijkt met [roepnaam minderjarige] bij de ouders voorlopig in ieder geval beter te gaan en ze neemt grotendeels deel aan het normale leven in die zin dat ze opstaat, eet en doucht en soms een kleine wandeling maakt. Het gezin wordt nu 3 keer per week ondersteund door Doebud, een ambulant team. [roepnaam minderjarige] heeft daar steun aan. Schakenbosch heeft echter aangegeven te stoppen met de financiering. Op dit moment wordt er gezocht naar een manier om Doebud te blijven financieren. Bij Enver en Youz ligt de vraag welke hulpverlening verder nodig is om te zorgen dat de situatie verder stabiliseert, om dingen te verwerken en verder te kunnen werken aan de toekomst van [roepnaam minderjarige] .
Namens [roepnaam minderjarige] is ingestemd met het afwijzen van het verzoek. De thuisplaatsing van [roepnaam minderjarige] bij de ouders is op dit moment de beste oplossing. [roepnaam minderjarige] lijkt het thuis beter te doen en meer tot rust te komen. Ze is blij dat ze weer thuis bij haar ouders is. De hulpverlening komt nu drie keer in de week een paar uurtjes langs en de hoop is wel dat dit verder uitgebreid kan worden. Daarnaast zal in de toekomst gekeken moeten worden naar een dagbesteding en school. Door alle suïcidepogingen blijft de situatie erg kwetsbaar.
5. De beoordeling
De kinderrechter stelt vast dat de GI het verzoek betreffende de machtiging gesloten jeugdhulp voor [roepnaam minderjarige] niet handhaaft en heeft ingetrokken. Als gevolg hiervan kunnen de gronden van het resterende deel van het verzoek niet meer onderzocht worden. Om die reden wijst de kinderrechter dit verzoek af.
Hoewel alle belanghebbenden het eens lijken te zijn dat [roepnaam minderjarige] thuis is geplaatst, vindt de kinderrechter de situatie uitermate zorgelijk. De kinderrechter heeft op 4 december 2025 nog een gesloten machtiging verleend gelet op de grote zorgen over de veiligheid van [roepnaam minderjarige] , omdat zij zichzelf herhaaldelijk in gevaar brengt door suïcidepogingen en aanvallen van PNEA. Regelmatig moest zij de afgelopen periode naar het ziekenhuis nadat zij zichzelf iets had aangedaan. De kinderrechter heeft toen overwogen dat [roepnaam minderjarige] niet naar huis kon gelet op de complexiteit van de problematiek die de ouders overstijgt. Bovendien zijn de ouders gelet op de eerdere zorgen in de thuissituatie in 2021 ontheven uit het ouderlijk gezag. De kinderrechter heeft daarom in haar laatste beschikking van 4 december 2025 overwogen dat voor [roepnaam minderjarige] dringend een passende plek moet worden gezocht zoals een plek bij de GGZ met intensieve hulpverlening. Dat [roepnaam minderjarige] twee maanden na deze uitspraak plotseling thuis is geplaatst roept daarom heel veel vragen op. Uit de uitgebreide toelichting van de GI leidt de kinderrechter af dat de GI in feite geen andere mogelijkheden had en dat [roepnaam minderjarige] de dupe is van een falend (jeugdzorg en ggz) systeem waarbij instanties geen plek hebben of willen geven aan een minderjarige als de problemen te complex zijn. Dat dit uiteindelijk als gevolg heeft dat zij alleen nog terecht kan bij haar ouders, is wrang.
Tegelijkertijd lijkt [roepnaam minderjarige] het nu beter te hebben bij haar ouders en ervaart zij meer rust en minder triggers. De kinderrechter kan de ouders alleen maar complimenteren over de wijze waarop ze het hebben opgepakt voor [roepnaam minderjarige] . Ze doen ontzettend hun best met alle begeleiding en adviezen en dat is ontzettend knap. De zorg blijft echter wel de continuering en inzet van de benodigde hulpverlening. Het is dan ook van groot belang dat Doebud de komende periode betrokken blijft en, waar mogelijk, nog meer betrokken wordt. [roepnaam minderjarige] lijkt een goede klik te hebben met de medewerker van Doebud en dat is voor nu van groot belang. Daarnaast is het belangrijk dat verder gekeken wordt naar de nodige hulpverlening en dat de financiering hiervan zo spoedig mogelijk geregeld wordt. De kinderrechter acht de situatie zorgelijk en hoopt dat de ouders en [roepnaam minderjarige] zoveel mogelijk ondersteund worden. De hoop is dan ook dat zowel jeugdzorg als alle andere instanties zich de komende maanden hard gaan inzetten voor het welzijn van [roepnaam minderjarige] , want dat verdient zij.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.E. Moerkerken als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.