Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-001777-26
Datum uitspraak: 15 april 2026
Datum zitting: 15 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
gedetineerd in [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. R. Delgado
Officier van justitie: mr. N. van der Meij
Benadeelde partij: [benadeelde]
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met anderen [slachtoffer 1] heeft gegijzeld, heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] af te persen en dat hij verschillende soorten harddrugs aanwezig heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1. primair
hij in of omstreeks de periode van 2 januari 2026 tot en met 3 januari 2026 te Maassluis en/of Tilburg en/of Breda en/of Dordrecht, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten een vriend van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , althans een ander, te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het betalen van een geldbedrag ter hoogte van 46.000 euro, 42.000 euro of 30.000 euro, althans enig geldbedrag, in ruil voor de vrijlating van die [slachtoffer 1] door
1. subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere(n) (nog onbekend gebleven verdachten) in of omstreeks de periode van 2 januari 2026 tot en met 3 januari 2026 te Maassluis en/of Tilburg en/of Breda en/of Dordrecht, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten een vriend van die [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 2] ), te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het betalen van een geldbedrag ter hoogte van 46.000 euro, 42.000 euro of 30.000 euro, althans enig geldbedrag, in ruil voor de vrijlating van die [slachtoffer 1] door
bij/tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 2 januari 2026 tot en met 3 januari 2026 te Maassluis en/of Tilburg en/of Breda en/of Dordrecht, in ieder geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door:
2. primair
hij in of omstreeks de periode van 2 januari 2026 tot en met 3 januari 2026 te Maassluis en/of Tilburg en/of Breda en/of Dordrecht, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag ter hoogte van 46.000 euro, 42.000 euro en/of 30.000 euro en/of 5000 euro, in elk geval geld, dat geheel of ten dele aan een ander dan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere(n) (nog onbekend gebleven verdachten) in of omstreeks de periode van 2 januari 2026 tot en met 3 januari 2026 te Maassluis en/of Tilburg en/of Breda en/of Dordrecht, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag ter hoogte van 46.000 euro, 42.000 euro en/of 30.000 euro en/of 5000 euro, in elk geval geld, dat geheel of ten dele aan een ander dan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
bij/tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 2 januari 2026 tot en met 3 januari 2026 te Maassluis en/of Tilburg en/of Breda en/of Dordrecht, in ieder geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door:
3.
hij in of omstreeks de periode van 3 tot en met 5 januari 2026 te Oosterhout opzettelijk aanwezig heeft gehad 27,9 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine en/of 25,4 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende 2C-B, amfetamine en/of 2C-B, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
4.
hij in of omstreeks de periode van 3 tot en met 5 januari 2026 te Oosterhout opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 23,9 gram, althans een hoeveelheid, 2-MC (2-methylmethcathinon) aanwezig heeft gehad.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1. subsidiair
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 2 januari 2026 tot en met 3 januari 2026 te Maassluis, Breda en Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door
bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 2 januari 2026 tot en met 3 januari 2026 te Maassluis, Breda en Dordrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest door:
een door hem, verdachte, gehuurde auto ter beschikking te stellen, en die auto met die [slachtoffer 1] te besturen.
3.
hij in de periode van 3 tot en met 5 januari 2026 te Oosterhout opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid amfetamine en een hoeveelheid 2C-B, amfetamine en 2C-B, als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
4.
hij in de periode van 3 tot en met 5 januari 2026 te Oosterhout opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en een preparaat daarvan, te weten een hoeveelheid 2-MC (2-methylmethcathinon) aanwezig heeft gehad.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Overwegingen
Op 2 en 3 januari 2026 is de verdachte urenlang chauffeur geweest terwijl het slachtoffer van zijn vrijheid werd beroofd en naar verschillende plekken werd gebracht. Op enig moment in die periode wist de verdachte dat er sprake was van een ontvoering. Door de auto te (blijven) besturen, is hij daar behulpzaam bij geweest. Dat maakt dat verdachte medeplichtige van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Omdat zijn aandeel in het geheel is gebleven bij de ondersteunende handeling van het besturen van de auto is hij geen medepleger en wordt hij daarvan vrijgesproken.
De afpersing is niet bewezen, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte van te voren of op enig ander moment tijdens de autorit wist dat er een geldkwestie speelde tussen de anderen aanwezigen in de auto en het slachtoffer waardoor het slachtoffer tijdens de rit zou zijn afgeperst. De verdachte wordt ook daarvan dus vrijgesproken.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2a, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1. subsidiair
3.
4.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft een auto bestuurd, terwijl het slachtoffer door de medeverdachten een behoorlijke tijd van zijn vrijheid is beroofd. Urenlang werd met het slachtoffer in het voertuig rondgereden, waarbij op afgelegen locaties werd gestopt. Tijdens de vrijheidsberoving werd het slachtoffer geblinddoekt, geslagen en werd er met een (voorwerp gelijkend op een) vuurwapen gedreigd. Het slachtoffer heeft doodsangsten uitgestaan en ondervindt daar tot op heden nog steeds de gevolgen van.
De verdachte heeft met zijn handelen geholpen bij een ernstig feit en voor deze daden niet volledig de verantwoordelijkheid genomen. Tijdens de autorit heeft hij zijn ogen gesloten voor wat er gebeurde. In elk geval in de auto is de verdachte van de vrijheidsberoving op de hoogte geraakt en heeft hij zich daar niet van gedistantieerd, maar is hij blijven doorrijden. Hij is op geen enkel moment tot bezinning gekomen en heeft zich niet om het lot van het slachtoffer bekommerd. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.
Daarnaast had de verdachte een hoeveelheid aan verdovende middelen in zijn woning liggen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
- Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 8 april 2026 staat het volgende. Risico verhogende factoren zouden gelegen kunnen zijn in de leefgebieden sociaal netwerk, financiën en het psychosociaal functioneren, waarbij gedacht wordt aan het maken van verkeerde keuzes en onvoldoende nadenken over zijn handelen en de gevolgen daarvan.
De verdachte had voorafgaand aan de strafbare feiten geen werk of inkomen, was bezig met de aanvraag van een uitkering en heeft schulden, waaronder straatschulden. Deze lopen op tijdens zijn voorarrest, omdat de financiële zaken nu niet worden geregeld. Het is opvallend dat de verdachte zonder inkomen in staat was een auto te huren voor een aanzienlijk bedrag. Ook geeft hij aan aanzienlijke, irreële hoeveelheden drugs te gebruiken, terwijl niet duidelijk wordt hoe dit wordt gefinancierd. Het feit dat de verdachte mogelijk woonruimte heeft via Kamers met Kansen kan als beschermende factor worden gezien. Vanwege zijn (deels) zwijgende proceshouding kunnen geen concrete uitspraken worden gedaan over delict gerelateerde factoren of verbanden tussen het tenlastegelegde en zijn leefgebieden. De risico's kunnen daardoor ook niet worden ingeschat. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met de bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding, aflossing schulden, beheersing middelengebruik en een inspanningsverplichting voor het behouden of vinden van huisvesting.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Verder houdt de rechtbank rekening met de faciliterende rol van de verdachte in het geheel. Daarom wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 6 maanden voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer 1]
heeft als benadeelde partij voor feiten 1 en 2 een bedrag van € 1.011,- als vergoeding voor materiële schade en € 4.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De vordering wordt deels toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. De rechtbank houdt rekening met het feit dat de iPhone ongeveer een jaar oud was ten tijde van het strafbare feit en de telefoon daardoor een deel van zijn waarde is verloren. De rechtbank wijst dit deel van de vordering toe tot een bedrag van € 500,-.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 ook rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in zijn persoon aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 2 januari 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 48, 49, 57 en 282 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 2a, 10 en 10b van de Opiumwet.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair, 3 en 4, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair), te betalen een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro), bestaande uit € 500,- (vijfhonderd euro) als vergoeding van materiële schade en € 2.500,- (vijfentwintighonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 2 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1 subsidiair); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 subsidiair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] aan de staat € 3.000 (drieduizend euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 2 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 30 (dertig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. E.M. Rocha en E.H.N. van Hees, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 april 2026.
Mr. J.H. Janssen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.