Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-000224-26
Datum uitspraak: 15 april 2026
Datum zitting: 15 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] ,
gedetineerd in [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. W.B.O. van Soest
Officier van justitie: mr. N. Aandewiel
Benadeelde partij: [benadeelde]
Gemachtigde van de benadeelde partij: [persoon A]
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - heeft geprobeerd om politieambtenaar [slachtoffer] van het leven te beroven of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dat hij samen met anderen 199,8 gram MDMA, 205,9 2C-B en 2168 gram lachgas heeft vervoerd of aanwezig heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 31 december 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] (werkzaam politieambtenaar bij de Politie Eenheid Rotterdam) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
2.hij op of omstreeks 31 december 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3.hij op of omstreeks 31 december 2025 te Rotterdam, opzettelijk heeft vervoerd, althans aanwezig heeft gehad 2168 gram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 impliciet primair, 2 en 3.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 impliciet primair en 2. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1. subsidiair
hij op 31 december 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] (werkzaam als politieambtenaar bij de Politie Eenheid Rotterdam) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zijn, voertuig naar achter heeft gereden, terwijl die [slachtoffer] achter het geopende portier stond en
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
3.hij op 31 december 2025 te Rotterdam, opzettelijk heeft vervoerd 2168 gram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] toe te brengen en dat hij lachgas in zijn bezit heeft gehad. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Overwegingen
De verdachte wordt vrijgesproken van de poging doodslag. De aangever was bezig met een controle van het voertuig van de verdachte.
Hij stond op dat moment bij het linker achterportier. Op enig moment reed de verdachte met zijn auto achteruit. De aangever heeft hierop zijn voet in de auto geplaatst en zich aan het nog openstaande portier vastgeklemd. Vervolgens reed de verdachte vooruit weg. Tijdens de rit die volgde, bevond de aangever zich deels binnen en deels buiten de auto. Op enig moment is de aangever in staat geweest zijn dienstwapen te pakken, dit dienstwapen op de verdachte te richten en op een later moment een waarschuwingsschot te lossen, waarbij hij (kennelijk) nog enige controle over de situatie had.
Op grond van deze feiten en omstandigheden bestond er een reëel gevaar dat de aangever tijdens de rit uit de auto zou vallen. Dat de kans op zwaar lichamelijk letsel daarbij aanmerkelijk was, staat niet ter discussie. Dat de kans dat de aangever hierbij zou komen te overlijden ook aanmerkelijk was vindt de rechtbank - anders dan de officier van justitie - niet overtuigend vast te stellen.
Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1.
poging tot zware mishandeling
3.
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
3. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 primair, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie voor feit 1 impliciet primair een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een politieagent. De politieagent was bezig met een controle van de auto van de verdachte, waarop de verdachte besloot ervandoor te gaan. De politieagent zag geen andere uitweg dan zijn voet in het voertuig te plaatsen en het achterportier vast te houden. De verdachte heeft met het voertuig vervolgens een afstand van ruim 200 meter afgelegd, terwijl de politieagent deels aan het voertuig hing. Dit handelen van de verdachte heeft bij de politieagent zodanige paniek en angst ervaren dat hij zijn dienstwapen heeft getrokken en een waarschuwingsschot heeft gelost. Hij heeft zich kort na het incident ziek gemeld en is nog altijd niet aan het werk.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
- Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 8 april 2026 staat het volgende. De reclassering ziet risicofactoren op het gebied van dagbesteding, sociaal netwerk en mogelijk middelengebruik. De verdachte heeft zijn opleidingen niet afgemaakt, waardoor hij geen startkwalificatie heeft. Tijdens zijn detentie heeft hij positieve urinecontroles gehad voor cannabis. Ook zijn er politiemutaties waarbij hij samen met anderen onder verdachte omstandigheden is aangetroffen, waardoor er zorgen bestaan over zijn sociale netwerk. De reclassering ziet meerwaarde in een reclasseringstoezicht en ambulante begeleiding. De verdachte lijkt moeite te hebben met het vinden van dagbesteding waar hij daadwerkelijk gemotiveerd voor is. Binnen de begeleiding kan ook worden ingezet op het bieden van weerstand aan invloeden vanuit negatieve contacten. De reclassering schat de risico’s op recidive en letsel in als gemiddeld, en op onttrekking laag. Hoewel er enige indicatoren zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht, zijn deze niet dusdanig sterk dat van het volwassenenstrafrecht moet worden afgeweken. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante begeleiding, geadviseerd.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In strafverzwarende zin wordt meegenomen dat het slachtoffer van de poging tot zware mishandeling een politieagent is. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte en dat hij verantwoordelijkheid lijkt te willen nemen voor zijn daden en spijt heeft van zijn handelen.
Alles afwegende wordt een gevangenisstraf van 10 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 3 maanden voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, te weten een meldplicht en ambulante begeleiding. Deze bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is korter dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
4. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen personenauto wordt verbeurd verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de personenauto aan de verdachte terug te geven.
Oordeel van de rechtbank
Als bijkomende straf voor de feiten 1 en 3 wordt de in beslag genomen personenauto verbeurd verklaard. De personenauto is vatbaar voor verbeurdverklaring. De strafbare feiten zijn met behulp van de personenauto gepleegd en de personenauto behoort aan de verdachte toe.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 2.000,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij moet naar redelijkheid en billijkheid worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade [slachtoffer]
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het onder feit 1 gepleegde strafbare feit. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in zijn persoon aangetast. De vordering wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 31 december 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 20 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 3 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 en 2 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd voor de feiten 1 en 3:
1. STK Personenauto [kentekennummer] (nummer 1 op de beslaglijst);
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1), te betalen een bedrag van € 2.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 31 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 2.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 20 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. E.M. Rocha en E.H.N. van Hees, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 april 2026.
Mr. J.H. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.