Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-069889-25
Datum uitspraak: 23 april 2026
Datum zitting: 9 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. K. Kuster.
Officier van justitie: mr. J. Boender.
Kern van het vonnis
De eerste vraag die voorligt is of het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu zij geen gevolg geeft aan de beslissing van de rechtbank om het procesdossier te laten vertalen. De rechtbank is van oordeel dat dit in deze zaak niet het geval is. De verdachte wordt vrijgesproken van deelname aan een terroristische organisatie (feit 1) en deelname aan terroristische training (feit 2).
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie (feit 1) en heeft deelgenomen aan terroristische training (feit 2).
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt, na wijziging van feit 2 op de zitting van 9 april 2026, in dat
1
hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 7 maart 2025 in Rotterdam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), en/of Islamic State – Khorasan Province (ISKP), althans (telkens) (een) aan IS en Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en/of heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a
van het Wetboek van Strafrecht) en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht).
2
hij, in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 7 maart 2025 in Rotterdam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, zich en/of een ander
opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft getracht te verschaffen, tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel tot het plegen van een misdrijf ter voorbereiding en/of ter vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, als bedoeld in artikel 83 dan wel artikel 83b Wetboek van Strafrecht dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe heeft verworven of een ander heeft bijgebracht immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) op een of meer tijdstippen
A. zich gevoegd in een Telegramkanaal waarin links worden gestuurd van IS-websites en waarin IS geprezen wordt, en/of
B. video’s en/of documenten op zijn telefoon staan waarin het martelaarschap wordt verheerlijkt, en / of
C. een of meer video’s naar iemand anders gestuurd waarin verdachte met een zakmes zwaait en waarin op de achtergrond een nasheed te horen is, en/of
D. op een of meer websites heeft gezocht naar wapens en/of andere middelen tot het plegen van een van de bovengenoemde misdrijven, met onder meer de zoektermen ‘pistol’, ‘pistool antiek’ en ‘spijkerpistool’
2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de verdediging
Het openbaar ministerie heeft doelbewust een opdracht van de rechtbank om het proces-verbaal van de politie te vertalen geweigerd. Het feit dat het openbaar ministerie een rechterlijke opdracht op deze wijze naast zich neerlegt, kan worden gekwalificeerd als een doelbewuste handeling die de belangen van de verdachte op grove wijze veronachtzaamt. Het openbaar ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Subsidiair dienen alle niet-vertaalde processtukken te worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging niet in staat is geweest zich daartegen te verdedigen. Uiterst subsidiair dient dit te leiden tot strafvermindering als compensatie voor de schending.
Standpunt van de officier van justitie
Na de beslissing van de rechtbank op de zitting van 27 mei 2025, waar is bepaald dat het gehele dossier dient te worden vertaald, heeft intern beraad plaatsgevonden. Besloten is de opdracht van de rechtbank niet uit te voeren. Reden daarvoor is dat de beslissing van de rechtbank niet gemotiveerd is en dat dit een behoorlijke belasting meebrengt voor het openbaar ministerie, het is tijdrovend en kostbaar. Daarnaast wijkt de beslissing af van de gebruikelijke gang van zaken; bij gemotiveerde verzoeken worden slechts delen van het dossier vertaald. Een integrale vertaling van het dossier is ongebruikelijk en blijkt niet uit wet- en regelgeving, heersende jurisprudentie of verdragen. De zaak is vandaag op de zitting in het bijzijn van de tolk inhoudelijk behandeld en de verdachte begrijpt waarvan hij wordt verdacht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft tijdens een eerdere pro forma zitting aan het openbaar ministerie de opdracht gegeven om het dossier voor de verdachte te vertalen. Daarbij is overwogen dat dit niet geldt voor formele stukken zoals een bevel tot inverzekeringstelling. Hiermee is de rechtbank wellicht verder gegaan dan in andere zaken waarin slechts opdracht wordt gegeven om het relaas-pv en de beschuldiging te (laten) vertalen. Gezien de omstandigheid dat het een zeer summier dossier betreft van slechts 131 pagina’s valt deze beslissing goed te begrijpen.
Het openbaar ministerie heeft deze opdracht van de rechtbank – ondanks herhaald aandringen van de raadsvrouw – willens en wetens niet uitgevoerd en op zitting duidelijk gemaakt die opdracht ook niet te zullen uitvoeren. De beslissing van de rechtbank is volgens de officier van justitie onvoldoende gemotiveerd en uit wet- en regelgeving en heersende rechtspraak zou niet volgen dat de verdachte recht heeft op vertaling van het (gehele) strafdossier.
In een rechtsstaat moet een ieder erop kunnen vertrouwen dat beslissingen van een rechter worden gerespecteerd en nageleefd. Er is, buiten de wettelijke rechtsmiddelen, dan ook geen ruimte voor marge of nadere beoordeling van die beslissing. In beginsel kan het nalaten om uitvoering te geven aan een beslissing van de rechtbank dan ook tot geen ander oordeel leiden dan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte.
In dit concrete geval dient echter ook goed gekeken te worden naar het nadeel dat de verdachte daadwerkelijk heeft gehad als gevolg van het ontbreken van een vertaling van het strafdossier. De vraag die moet worden beantwoord is of doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan. De rechtbank vindt niet dat daarvan sprake is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verdachte werd bijgestaan door een advocaat, hij een vertaalde dagvaarding heeft ontvangen en hij relevante onderdelen van het dossier met behulp van een tolk met zijn advocaat heeft kunnen doornemen. Bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak is gesteld noch gebleken dat de verdachte geen kennis heeft kunnen nemen van de essentiële processtukken in het dossier. Dit betekent dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet op zijn plaats is, maar dat er een ander rechtsgevolg aan dit verzuim zou moeten worden verbonden. Omdat de verdachte, zoals hierna onder 3.3 zal worden uitgelegd, wordt vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten, komt de rechtbank niet toe aan het bepalen van dit rechtsgevolg.
3. Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 1 en dat hij voor feit 2 moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 99 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft voor beide feiten vrijspraak bepleit.
Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2
De verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij heeft deelgenomen aan een terroristische training door opzettelijk kennis en vaardigheden te vergaren tot het plegen van een terroristisch misdrijf.
Vereist voor een bewezenverklaring is dat degene die de training volgt, het opzet heeft die kennis en vaardigheden te verwerven. Dit opzet ziet ook op het inzetten van die kennis en vaardigheden tot het (later) plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan.
Het opzet op het inzetten van die kennis en vaardigheden tot het (later) plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit hetgeen bekend is over de achtergrond van de persoon van de verdachte, waarbij, naast de aard en het karakter van de training, de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen:
1. de eventuele haat tegen “ongelovigen” en/of “afvalligen” in de Westerse wereld of elders;
2. de mogelijke fascinatie voor terroristisch geweld;
3. zijn of haar eventuele radicalisering.
Op de bij de verdachte in gebruik zijnde telefoon zijn na onderzoek verschillende foto’s, video’s, documenten en berichten aangetroffen. De verdachte heeft erkend dat hij dit materiaal heeft gedownload en op enig moment heeft bekeken. Tevens is gebleken van verschillende zoekslagen op het internet door de verdachte.
Aan de verdachte is een aantal gedragingen ten laste gelegd welke gedragingen feitelijk zijn omschreven onder A tot en met D. De vraag die moet worden beantwoord is of dit trainingshandelingen zijn in de zin van artikel 134a Sr.
Onderdeel A. zich voegen in een Telegramkanaal waarin links worden gedeeld in IS websites en waarin IS geprezen wordt
Onderdeel B. video’s en/of documenten voorhanden hebben waarin het martelaarschap wordt verheerlijkt.
De verdachte heeft op 26 december 2024 van de Telegramgroep “ [naam Telegramgroep] ” berichten ontvangen met daarin URL’s en verwijzingen naar IS en andere terroristische groeperingen.
Ook had de verdachte op zijn telefoon een video van [persoon A] , een invloedrijke geleerde van IS en een video van [persoon B] , een Zweedse uitreiziger die zich aansloot bij IS en stierf in de strijd voor IS. Verder wordt een video aangetroffen waarvan wordt vermoed dat het een gedeelte betreft van een propagandavideo van IS. Nadere duiding over de inhoud van deze berichten en video’s ontbreekt echter in het dossier. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of dit materiaal geschikt is om kennis op te doen om terroristische misdrijven te kunnen plegen.
De verdachte heeft een boek gedownload en opgeslagen in zijn telefoon met de titel “ [naam titel] ” van voornoemde [persoon A] . In het dossier wordt een korte samenvatting gegeven van de inhoud van dit boek, namelijk dat het boek is gericht op het noemen van verzen van de Koran over de heilige strijd, de Jihad, en ook het noemen van gezegden van profeet Mohamed die te maken hebben met het opofferen van eigen ziel en leven om het woord en religie van Allah te verspreiden en versterken. Er worden ook verhalen verteld, met interpretaties daarvan door imams, over mensen die hun leven hebben opgeofferd voor God, in verschillende religies.
Het boek lijkt te gaan over denkbeelden en ideologieën. Het is voor de rechtbank, zonder nadere duiding, niet vast te stellen of het boek materiaal betreft geschikt om kennis op te doen om terroristische misdrijven te kunnen plegen.
Ten aanzien van de in de telefoon van de verdachte aangetroffen foto’s met de IS vlaggen, de IS-patch op de jas en de vragen die de verdachte heeft gesteld aan ChatGPT over het kalifaat en IS, is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan worden gezien als het vergaren van kennis of vaardigheden voor het plegen van een terroristische aanslag in de zin van artikel 134a Sr.
Onderdeel C. één of meer video’s naar iemand sturen waarin de verdachte met een zakmes zwaait en waarin op de achtergrond een nasheed te horen is.
De verdachte heeft een video van zichzelf gemaakt en naar een vriend gestuurd, waarin hij met een IS-nasheed meezingt en met een mes steekbewegingen maakt richting de camera. Er zijn twee versies van deze video, met twee verschillende nasheeds op de achtergrond. In de eerste video is een tekst te horen waarin gesproken wordt over het kwaad van de ongelovigen en waarin opgeruid wordt tot geweld jegens ongelovigen: zo wordt er gezegd ‘jouw zwaard roept vandaag’ en ‘scheur het ongeloof van de vijanden uiteen’ en ‘verdrijf hun uit mijn land’. In de tweede video wordt onder meer gesproken over het volk van de strijd en schade.
De rechtbank is van oordeel dat dit materiaal geen trainingshandelingen opleveren in de zin van artikel 134a Sr.
Onderdeel D. op één of meer websites zoeken naar wapens
De verdachte heeft op Marktplaats gezocht op ‘pistol’, ‘pistool antiek’ en ‘spijkerpistool’. Op Temu heeft de verdachte gezocht naar walkie-talkies, bivakmutsen, een tactisch vest en een opvouwbaar mes. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet te beschouwen als het vergaren van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf.
Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie.
Dat de verdachte interesse heeft in extremistisch jihadistisch gedachtengoed is op grond van hetgeen in zijn telefoon is aangetroffen aannemelijk en geeft reden tot zorg. Nu de gedragingen, zoals die onder A tot en met D zijn ten laste gelegd, naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen trainingshandelingen opleveren in de zin van artikel 134a Sr, dient de verdachte reeds daarom eveneens te worden vrijgesproken van feit 2.
4. Beslissingen
De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
5. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. F.P.J. Schoonen en J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 april 2026.
Mr. Schoonen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.