Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-119335-24
Datum uitspraak: 23 april 2026
Datum zitting: 9 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1961 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. R. Delgado.
Officier van justitie: mr. B.M. van Heemst.
Benadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] .
Advocaat van de benadeelde partijen: mr. I. Oosterveen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan - samengevat - dat hij (onder 1) samen met zijn toenmalige vriendin zijn minderjarige (stief)kinderen fysiek heeft mishandeld en (onder 2 en 3) die kinderen in hopeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten en aldus heeft verwaarloosd en psychisch mishandeld.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met
11 augustus 2020 te Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, zijn kinderen en/of kinderen over wie hij het gezag uitoefende en/of kinderen die hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2010, en/of [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2014, heeft mishandeld door
- die [slachtoffer 1] in/tegen de buik, althans tegen het lichaam te slaan,
- die [slachtoffer 1] te slaan en/of (met kracht) aan te raken in/tegen het gezicht, en/of
- die [slachtoffer 2] met een riem op de billen, althans op het lichaam te slaan;
2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 11 augustus 2020 te Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, zijn kinderen en/of kinderen over wie hij het gezag uitoefende en/of kinderen die hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2010, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2014, en/of [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2017, (opzettelijk) heeft mishandeld door (stelselmatig)
- die [slachtoffer 1] uit te schelden (voor ‘zwarte’), te kleineren en/of te vernederen en/of hiervan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] getuige te laten zien,
- die voornoemde kinderen getuige te laten zijn van geweld jegens hun broer(s) en/of zus,
- die voornoemde kinderen geen toegang tot medische zorg te verlenen toen zij letsel hadden (waarbij dit wel noodzakelijk was),
- die voornoemde kinderen kleding aan te trekken en/of te laten dragen die niet voor het seizoen geschikt (en daarmee te koud) was, en/of
- die voornoemde kinderen te onthouden van noodzakelijke hygiëne, ten gevolge waarvan die kinderen (ernstig) zijn benadeeld in hun (geestelijke) gezondheid althans in een situatie zijn gebracht die voor hen psychisch schadelijk was of kon zijn;
3
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 11 augustus 2020 te Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2010, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2014, en/of [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2017, tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij, verdachte, als (stief)vader krachtens wet/overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of heeft gelaten, door
- die voornoemde kinderen geen toegang tot medische zorg te verlenen toen zij letsel hadden (waarbij dit wel noodzakelijk was),
- die voornoemde kinderen kleding aan te trekken en/of te laten dragen die niet voor het seizoen geschikt (en daarmee te koud) was, en/of
- die voornoemde kinderen te onthouden van noodzakelijke hygiëne.
2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Voordat de rechtbank toekomt aan de bespreking van de tenlastegelegde feiten, wordt het volgende opgemerkt ten aanzien van verjaring.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat ten aanzien van de feiten een deel van de tenlastegelegde periode is verjaard.
De rechtbank overweegt het volgende.
Feiten 1 en 2
De periode die is tenlastegelegd voor de feiten 1 en 2 is 1 juli 2012 tot en met 11 augustus 2020. De verdachte wordt vervolgd voor artikel 304 eerste lid en onder sub 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Hierin is een gevangenisstraf van meer dan drie jaren als strafmaximum voor dit feit bepaald. Artikel 70 onder 3º Sr bepaalt dat het recht om een verdachte te vervolgen bij misdrijven waarop een gevangenisstraf staat van meer dan drie jaren maar minder dan acht jaren, na een periode van twaalf jaren komt te vervallen. Op grond van artikel 71 Sr vangt de verjaringstermijn aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. De verjaringstermijn, in dit geval twaalf jaar, vangt opnieuw aan op het moment dat er een daad van vervolging plaatsvindt.
Naar het oordeel van de rechtbank is het uitbrengen van de dagvaarding op 24 juni 2025 te beschouwen als een daad van vervolging die de verjaring heeft gestuit. Deze stuiting geldt niet voor de feiten die op dat moment al verjaard waren. Voor de feiten 1 en 2 betekent dat concreet dat de tenlastegelegde gedragingen vóór 25 juni 2013 zijn verjaard, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging voor zover het feiten zijn die zich in de periode van 1 juli 2012 tot en met 25 juni 2013 hebben voorgedaan.
Feit 3
De periode die is tenlastegelegd voor feit 3 is 1 juli 2018 tot en met 11 augustus 2020. De verdachte wordt vervolgd voor artikel 255 Sr. Hierin is een gevangenisstraf van twee jaren als strafmaximum voor dit feit bepaald. Artikel 70 onder 2º Sr bepaalt dat in dit geval het recht om een verdachte te vervolgen na een periode van zes jaren komt te vervallen. De verjaringstermijn is gestuit met de dagvaarding van de verdachte op 24 juni 2025. Deze stuiting geldt niet voor de feiten die op dat moment al verjaard waren. Voor feit 3 betekent dat concreet dat de tenlastegelegde gedragingen vóór 25 juni 2019 zijn verjaard, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging voor zover het feiten zijn die zich in de periode van 1 juli 2018 tot en met 25 juni 2019 hebben voorgedaan.
3. Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle drie de feiten en dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen.
Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft voor de feiten vrijspraak bepleit.
Het standpunt van de verdediging zal verder, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
De kinderen woonden bij hun moeder. De verdachte had zijn eigen woning en hij woonde niet samen met de moeder van zijn (stief)kinderen. Hij heeft verklaard dat hij door de weeks werkte en in het weekend bij de moederen en de kinderen logeerde. Niet gebleken is dat de verdachte juridisch gezag had over de kinderen.
Op 11 augustus 2020 zijn de drie kinderen uit huis geplaatst, na een melding door de buurman en ambulancemedewerkers die de kinderen en de woning verwaarloosd aantroffen. [slachtoffer 1] was toen tien jaar oud, [slachtoffer 2] was zes jaar en [slachtoffer 3] was drie jaar oud.
Terwijl de kinderen in de pleegopvang zaten, kwamen er zorgelijke signalen over fysiek en over seksueel misbruik van de kinderen toen zij nog bij hun moeder woonden. Dit was reden voor de William Schrikker Stichting om op 22 februari 2022 namens de kinderen aangifte te doen tegen de moeder en de verdachte.
Ten aanzien van feit 1
Het bewijs voor de ten laste gelegde mishandelingen van de kinderen baseert de officier van justitie grotendeels op de studioverhoren van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Van deze studioverhoren zijn twee processen-verbaal van bevindingen opgemaakt van twee pagina’s, met daarin een staccato weergegeven samenvatting van wat de kinderen hebben verteld. De woordelijk uitgewerkte verhoren bevinden zich niet in het dossier. Hierdoor ontbreekt een nadere duiding van hun verklaring, met name over de context waarbinnen en de tijdstippen waarop de mishandelingen zouden hebben plaatsgevonden. De bewijswaarde van deze verklaringen is dan ook beperkt.
De verdachte ontkent [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te hebben mishandeld. Hij heeft wel gezegd dat hij [slachtoffer 1] een keer in 2012/2013 in de Kruidvat ‘een beetje heeft aangeraakt’. De rechtbank kan echter niet vaststellen of dit heeft plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode omdat een exacte datum ontbreekt en de periode voorafgaand aan 25 juni 2013 is verjaard.
Dat de verdachte [slachtoffer 1] in of tegen haar buik of lichaam heeft geslagen wordt alleen verklaard door [slachtoffer 2] , die ook als enige verklaart dat hij door de verdachte is geslagen. Zijn verklaring wordt niet ondersteund door andere verklaringen of bevindingen in het dossier. Het steunbewijs wordt niet gevormd door de bevindingen van de arts bij het Goofy spreekuur in het Erasmus MC, omdat hij de waargenomen littekens bij de kinderen niet kan linken aan mishandeling.
Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de kinderen in de tenlastegelegde periode fysiek heeft mishandeld. De verdachte wordt daarom van dit feit vrijgesproken.
Ten aanzien van de feiten 2 en 3
De rechtbank ziet aanwijzingen in het dossier dat er terechte zorgen waren over de opvoeding en verzorging van de kinderen in het gezin. Over de concrete rol van de verdachte daarbij bevat het dossier nagenoeg geen informatie. De kinderen woonden bij hun moeder. De verdachte woonde daar niet, maar hij verbleef daar wel in de weekenden. Uit het dossier en met name uit de door school opgemaakte verslagen komt de verdachte als het gaat over de structuur van de huishouding en de opvoeding en de verzorging van de kinderen niet of nauwelijks naar voren.
Daar komt bij dat naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft verricht en evenmin dat hij opzet heeft gehad op de benadeling van de gezondheid van de kinderen dan wel op het in een hulpeloze toestand brengen en laten van de kinderen door hen medische zorg en noodzakelijke hygiëne te onthouden.
De verdachte zal daarom ook van de feiten 2 en 3 worden vrijgesproken.
4. Beslissingen
De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover het betreft de periode van 1 juli 2012 tot en met 25 juni 2013 (feiten 1 en 2) en de periode 1 juli 2018 tot en met 25 juni 2019 (feit 3);
verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging.
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
5. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. F.P.J. Schoonen en J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 april 2026.
Mr. Schoonen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.