Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/710563 / FA RK 25-8934
Beschikking van 23 april 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M. Soytekin te Rotterdam,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 november 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen per aangetekende post, gewone post én per e-mail, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier schriftelijk gebruik van gemaakt.
2. De vaststaande feiten
Het huwelijk van partijen is op 28 april 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 4 juli 2019 in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2019 heeft de rechtbank de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld, inhoudende dat de minderjarige elke week op maandag om 13:00 uur door de man wordt opgehaald van de kinderopvang en op woensdag om 18:00 uur door de man bij de vrouw wordt afgezet. De verdeling van de vakanties wordt in onderling overleg jaarlijks bepaald.
3. De beoordeling
Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
De vrouw verzoekt een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat , onder gelijktijdige wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2019, dat een voorlopige zorgregeling wordt bepaald, inhoudende dat de minderjarige een weekend per veertien dagen van zaterdag 15:00 uur tot zondag 15:00 uur bij de man verblijft, evenals elke eerste helft van de schoolvakanties, waarbij de minderjarige enkel in de zomervakanties de eerste twee weken bij de man verblijft en de laatste vier weken bij de vrouw. Daarbij verzoekt de vrouw te bepalen dat de man de minderjarige haalt en brengt.
Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een lopende procedure iedere partij verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure. De rechtbank moet beoordelen of aan de minimumvereisten is voldaan, te weten: aanhangig zijn van een hoofdverzoek, samenhang met het hoofdverzoek en (spoedeisend) belang.
Omdat de bodemprocedure gelijktijdig is behandeld, wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij gebrek aan belang afgewezen.
Hoofdzaak
Zorgregeling
De vrouw verzoekt wijziging van de bij beschikking van deze rechtbank van 4 juli 2019 vastgestelde zorgregeling, in die zin dat nu een zorgregeling wordt vastgesteld inhoudende dat de minderjarige een weekend per veertien dagen van zaterdag 15:00 uur tot zondag 15:00 uur bij de man verblijft, evenals elke eerste helft van de schoolvakanties, waarbij de minderjarige enkel in de zomervakanties de eerste twee weken bij de man verblijft en de laatste vier weken bij de vrouw. Daarbij verzoekt de vrouw te bepalen dat de man de minderjarige haalt en brengt.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden na het vaststellen van de zorgregeling zijn gewijzigd, alleen al omdat de minderjarige nu doordeweeks naar school gaat en niet langer gebruik maakt van de kinderopvang.
De man is tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen om zijn standpunt kenbaar te maken. De rechtbank zal het verzoek daarom beoordelen op basis van de overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling.
Gebleken is dat de minderjarige op dit moment over het algemeen een weekend per veertien dagen bij de man verblijft, maar dat de tijden door de man naar eigen wens worden bepaald. De vrouw en de minderjarige hebben behoefte aan duidelijkheid en voorspelbaarheid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw naar voren gebracht dat de minderjarige op zaterdagochtend en zondag einde van de middag andere verplichtingen heeft, waaronder bijles. Zij verzoekt daarom de regeling vast te stellen van zaterdag 15:00 uur tot zondag 15:00 uur.
De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat een duidelijke en vaste zorgregeling wordt bepaald. De door de vrouw verzochte regeling houdt rekening met de verplichtingen van de minderjarige. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de vrouw verzochte zorgregeling toewijzen.
Ten aanzien van de verdeling van de vakanties overweegt de rechtbank, overeenkomstig het advies van de raad, dat het aangewezen is dat partijen hierover in onderling overleg afspraken maken. Met de vrouw is besproken dat het in het belang van de minderjarige is dat deze pas over de vakantieverdeling wordt geïnformeerd nadat hierover concreet overeenstemming met de man is bereikt, om onduidelijkheid en teleurstelling bij de minderjarige te voorkomen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
in de voorlopige voorziening:
wijst af het verzoek van de vrouw;
in de hoofdzaak:
wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2019 vastgestelde zorgregeling in die zin dat:
nu een zorgregeling wordt vastgesteld inhoudende dat de minderjarige eenmaal per veertien dagen van zaterdag 15:00 uur tot zondag 15:00 uur bij de man verblijft, waarbij de man de minderjarige ophaalt en weer terugbrengt;
vakanties in onderling overleg tussen partijen worden verdeeld;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L. Timmermans, griffier, op 23 april 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.