Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/716141 / FA RK 26-1905
Beschikking van 23 april 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R. Kuijer te Berkel en Rodenrijs,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.P. Kloppenburg te Rotterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 9 maart 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de advocaat van de vrouw;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier schriftelijk gebruik van gemaakt.
2. De vaststaande feiten
Partijen hebben samen een affectieve relatie gehad. Die relatie is beëindigd.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt sinds 10 februari 2020 door de ouders gezamenlijk uitgeoefend, na aantekening daarvan in het gezagsregister.
3. De beoordeling
Verblijfplaats
De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn, dan wel de hoofdverblijfplaats dienovereenkomstig te wijzigen.
De vrouw verweert zich niet tegen het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats.
De rechtbank overweegt als volgt. De minderjarige verblijft sinds 23 december 2023 bij de man. Aanvankelijk verbleven de man en de minderjarige bij familie en vrienden en vanaf december 2025 in de opvang van het Leger des Heils. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij inmiddels over een eigen woning beschikt, waar hij binnenkort samen met de minderjarige zal gaan wonen. Ten tijde van het indienen van het verzoekschrift stond de minderjarige nog altijd ingeschreven op het adres van de vrouw. Dit is inmiddels aangepast door de gemeente, de minderjarige staat op dit moment ingeschreven op het adres van de man.
Gelet op de feitelijke situatie en omdat het verzoek niet is weersproken zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de minderjarige wijzigen, in die zin dat deze voortaan bij de man zal zijn.
Overeenstemming zorgregeling
Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) tussen de vrouw en de minderjarige. De omgang is op dit moment vrijblijvend en beide partijen zien graag meer structuur in de regeling. Partijen hebben overeenstemming bereikt over het vaststellen van een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige. De minderjarige verblijft eenmaal per veertien dagen een weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de vrouw. Op dit moment haalt de vrouw de minderjarige op bij de man en brengt haar ook weer terug.
De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in deze beschikking.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, en bepaalt dat deze voortaan bij de man zal zijn;
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de zorgregeling hebben getroffen, te weten dat de minderjarige eenmaal per veertien dagen een weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de vrouw verblijft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L. Timmermans, griffier, op 23 april 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.